Hieronder staat de volledige inhoud van het monitoringportaal..
De Adviesdienst Verkeer en Vervoer (AVV) is in 2007 opgegaan in de nieuwe Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat.
AgentschapNL voert programma’s, regelingen en wetten uit voor meerdere ministeries en diverse opdrachtgevers buiten de Rijksoverheid.
AgentschapNL bestaat uit vijf thematische divisies:
AgentschapNL voert verschillende monitoringactiviteiten uit en neemt daarnaast deel aan overleggroepen.
Organisatie: AgentschapNL is onderdeel van het ministerie van EL&I. AgentschapNL is begin 2010 ontstaan uit een bundeling van EVD, Octrooicentrum Nederland en SenterNovem.
Contactgegevens van AgentschapNL zijn hier te vinden.
Directie 'NL Milieu en Leefomgeving' van AgentschapNL voert onder de naam Bodem+ enkele wettelijke taken uit die bijdragen aan een duurzaam bodembeheer. Bodem+ heeft tot doel provincies, gemeenten, waterschappen en rijksdiensten te ondersteunen bij de uitvoering van hun (water-)bodemtaken. Daarnaast ondersteunt Bodem+ ook beleidsdirecties van ministeries.
Organisatie:Bodem+ is een onderdeel van Agentschap NL.
Bezoekadres:Prinses Beatrixlaan 22595 AL Den Haag
Postadres:Postbus 931442509 AC Den Haag
Telefoon: 088 - 602 51 23
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft tot taak het verzamelen, bewerken en publiceren van statistieken ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap. De informatie die het CBS publiceert omvat vele maatschappelijke aspecten, van macro-economische indicatoren als economische groei en consumentenprijzen tot de inkomenssituatie van personen en huishoudens. Bezoekadres vestiging Den Haag: Henri Faasdreef 312 2492 JP Den Haag
Postadres: Postbus 24500 2490 HA Den Haag Telefoon: 070 - 337 38 00Overige contactgegevens, ook van de vestiging Heerlen: zie de CBS-website
Het Centraal Planbureau (CPB) analyseert de gevolgen voor de economie van nieuw beleid of beleidswijzigingen. Deze economische beleidsanalyses maakt het CPB op eigen initiatief, of op verzoek van de regering, het parlement, kamerleden, vakbonden en werkgeversorganisaties.
Vectoren zijn insecten zoals muggen en knutten, die humane- en dierziekten kunnen overbrengen. Vanuit het Centrum Monitoring Vectoren (CMV) worden gegevens verzameld over het voorkomen en de verspreiding van vectoren binnen Nederland. Met behulp van deze gegevens en informatie uit het buitenland kan worden ingeschat welke kansen er zijn op introductie en verspreiding.
Organisatie:Het CMV is onderdeel van het Nationaal Referentielaboratorium van de Plantenziektenkundige Dienst. De aansturing van het CMV vindt plaats door het ministerie van EL&I, mede namens het ministerie van VWS.
Het Centrum voor Externe Veiligheid (CEV) is hét kenniscentrum voor de overheid bij technische vragen over risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het CEV onderzoekt ook de risico’s verbonden aan vliegverkeer.
Organisatie:Het CEV is onderdeel van het RIVM.
Bezoekadres:Antonie van Leeuwenhoeklaan 93721 MA Bilthoven
Postadres:Postbus 13720 BA Bilthoven
Telefoon: 030 - 274 36 18
Dit centrum van het RIVM is het kenniscentrum voor de monitoring en interpretatie van de milieukwaliteit. Het centrum is expert in de analyse van bodem, grond(water), lucht en geluid.
Taken:
Het Centrum voor Milieu Monitoring werkt samen met onder andere de volgende organisaties: DCMR, GGD Amsterdam, provincies en gemeenten, LEI, WUR, PBL, TNO Bouw en Ondergrond, Deltares, Alterra, ECN, AgentschapNL, IPO en KNMI.
Telefoon: 030 - 274 86 49
CO2-Servicepunt begeleidt gemeenten in Noord-Holland bij de uitvoering van klimaatbeleid. Voor monitoring wordt een door de organisatie zelf ontwikkeld systeem gebruikt.
Organisatie:CO2-Servicepunt is onderdeel van de provincie Noord-Holland.
Postadres:Postbus 30052001 DA Haarlem Telefoon: 023 - 51 43 111 Fax: 023 - 514 35 58
Het Coördinatiebureau Stroomgebieden Nederland (CSN) vervult een coördinerende en inhoudelijke rol bij de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water op regionaal en nationaal niveau. Het bureau is onder meer verantwoordelijk voor het aansturen van regionale processen.
Organisatie:CSN valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van I&M.
Bezoekadres:Catharijnesingel 55g, 6e verdieping3511 GD Utrecht
Postadres:Postbus 192133501 GD Utrecht
Telefoon: 030 - 230 79 90
De Data-ICT-Dienst (DID) ondersteunt de kerntaken van het ministerie van I&M en Rijkswaterstaat door ervoor te zorgen dat zij kunnen beschikken over goede, gecertificeerde en gestandaardiseerde geo-informatie en ICT-infrastructuur.
Organisatie:De DID is één van de vier landelijke diensten van Rijkswaterstaat, de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van I&M.
Bezoekadres:Derde Werelddreef 12622 HA Delft
Postadres:Postbus 5023 2600 GA DelftTelefoon: 015 - 275 75 75
DCMR Milieudienst Rijnmond is de instantie die zich bezighoudt met klachten en vragen op het gebied van milieu in de regio Rijnmond. Daarnaast houdt de DCMR zich bezig met vergunningverlening en de monitoring van milieugerelateerde activiteiten. Ook neemt de DCMR met haar milieuexpertise deel in projecten in binnen- en buitenland.
Bezoekadres:Parallelweg 13112 NA Schiedam
Postadres:Postbus 8433100 AV Schiedam
Telefoon: 010 - 246 80 00
Vanaf 1 januari 2008 is Deltares het onafhankelijke instituut in Nederland voor toegepast onderzoek en specialistisch advies op het gebied van water en ondergrond.
Organisatie:Deltares is ontstaan uit WL | Delft Hydraulics, GeoDelft en een deel van TNO Bouw en Ondergrond, samen met delen van Rijkswaterstaat/DWW en de Waterdienst.
Bezoekadres:Rotterdamseweg 185
2629 HD Delft Postadres:Postbus 177 2600 MH Delft
Telefoon: 088 - 335 82 73
Voor overige adres- en contactgegevens van Deltares klik hier.
De belangrijkste taak van de Dienst der Hydrografie is het in kaart brengen van de zee, het uitgeven van zeekaarten en daarmee samenhangende hydrografische publicaties. De meetgegevens worden doorgegeven aan Bureau Hydrografie, alwaar de gegevens worden opgeslagen in een databank. Het totale werkgebied van de dienst omvat het Nederlands continentaal plat en de wateren rondom de Nederlandse Antillen en Aruba.
Organisatie:De Dienst der Hydrografie is een onderdeel van het ministerie van Defensie.
Bezoekadres:Frederikkazerne gebouw 32 Van der Burchlaan 312597 PC Den Haag
Telefoon: 070 - 316 28 00
De kernactiviteiten van de Dienst Landelijk Gebied zijn het inrichten van gebieden, gronden verwerven en overdragen, geldstromen bundelen en stroomlijnen, en coördineren. DLG werkt voor bestuurlijke opdrachtgevers en voert ook wettelijke taken uit.
Organisatie:De Dienst Landelijk Gebied (DLG) is een agentschap van het ministerie van EL&I.
Bezoekadres:Utrecht Centrale EenheidHerman Gorterstraat 5 3511 EW Utrecht
Postadres:
Utrecht Centrale Eenheid
Postbus 20021 3502 LA Utrecht
Telefoon: 030 - 275 66 00
Dienst Regelingen (DR) is een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van EL&I voor Europese en nationale regelingen. DR verzorgt een belangrijk deel van de uitvoering van het landbouw- en natuurbeleid. Daarnaast werkt de dienst steeds vaker voor andere (semi-)overheidsorganisaties. Bovendien adviseert de dienst vanuit haar kennis van de praktijk beleidsmakers bij de ontwikkeling, invulling en uitwerking van regelgeving.
Organisatie:DR is een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van EL&I.
De Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat werkt aan een vlot, veilig en duurzaam verkeer over weg en water. DVS is in 2007 ontstaan uit twee van de voormalige specialistische diensten van Rijkswaterstaat, te weten de Adviesdienst Verkeer en Vervoer en (delen van) de Dienst Weg- en Waterbouwkunde.
Postadres:Postbus 50442600 GA Delft
Bezoekadres:Schoemakerstraat 972628 VK Delft
DVS Loket:Telefoon: 088 - 7982 555
De directie Bodem, Water, Landelijk Gebied (BWL) is opgegaan in andere organisatie-onderdelen van het ministerie van VROM (nu: I&M).
De Directie Kennis en Innovatie (DK&I) heeft de opdracht de kennisfunctie van het ministerie van EL&I te versterken. Als binnen het ministerie behoefte is aan kennis voor het oplossen van beleidsproblemen, kan een beroep gedaan worden op de experts van DK&I. Ook monitoring behoort tot de werkvelden van DK&I.
Postadres:Directie Kennis, locatie Ede Postbus 482 6710 BL Ede
Bezoekadres:HoraparkBennekomseweg 41 6717 LL Ede Telefoon: 0318 – 82 25 00
Overige contactgegevens: zie de EL&I-website
De directie Leefomgevingskwaliteit richt zich op actuele maatschappelijke thema’s en opgaven in de sfeer van duurzame leefomgeving en omgevingskwaliteit. Belangrijke thema’s zijn klimaatadaptatie, duurzame ontwikkeling en kaderstelling voor de ondergrond.
De directie is een onderdeel van het ministerie van I&M.
Het Directoraat-Generaal Milieu (DGM) is opgegaan in andere organisatieonderdelen van het ministerie van VROM (nu: I&M).
Het Expertise Centrum LNV (EC-LNV) is na een reorganisatie opgegaan in de Directie Kennis en Innovatie van het ministerie van LNV, welke per 14 oktober 2010 is opgegaan in het ministerie van EL&I.
De EmissieRegistratie (ER) beslaat het gehele proces van dataverzameling, databewerking, het registreren en rapporteren van emissiegegevens in Nederland. In de EmissieRegistratie worden de emissies naar bodem, water en lucht van circa 350 beleidsrelevante stoffen en stofgroepen vastgesteld.
De EmissieRegistratie (ER) wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. De regie voor, en aansturing van de EmissieRegistratie is ondergebracht bij het PBL. De volgende taakgroepen worden in de EmissieRegistratie onderscheiden:
Loket EmissieRegistratie Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)Postbus 3033720 AH Bilthoven
ESRIN is het centrum van de European Space Agency (ESA) voor observatie van de aarde. Het is één van de vijf in Europa gevestigde observatoria. ESRIN vergaart (monitoring)data over de aarde, bijvoorbeeld over de groei van steden en verandering in habitats van soorten.
ESRIN is gevestigd in Frascati, Italië.
De European Environment Agency (Europees Milieu Agentschap) is een agentschap van de Europese Unie. De taak is het verschaffen van wetenschappelijk onderbouwde, onafhankelijke informatie over het milieu.
De EEA is gevestigd in Kopenhagen.
Het 'European Topic Centre on Land Use and Spatial Information' (ETC-LUSI) is een international consortium van 10 organisaties uit 9 Europese landen. Het is een van de belangrijke actoren in Europa op het gebied van landgebruik en ruimtelijke informatie. ETC-LUSI ondersteunt het Europese Milieu Agentschap (EEA), de Europese Commissie en andere European Topic Centres bij het analyseren van ruimtelijke milieu data en het opzetten van Europese data-infrastructuren. De inbreng van nationale expertise speelt hierbij een belangrijke rol. ETC-LUSI is een onderdeel van het European Topic Centre for Spatial Information and Analysis (ETC-SIA).
Participerende organisaties: WOT, Alterra, WURVoorzittende organisatie: Alterra CGIVoorzitter: Gerard Hazeu
Eurostat is het statistische bureau van de Europese Unie.
Eurostat is binnen de Europese Commissie en in samenwerking met het Comité voor statistische informatie belast met de uitvoering van het communautaire statistische programma. Dit behelst de ontwikkeling van een geheel van normen en methoden en technieken voor de productie van onpartijdige, betrouwbare, relevante en kosteneffectieve statistieken en de verspreiding ervan ten behoeve van de diverse internationale instellingen, de regeringen van de lidstaten, de sociale en economische factoren, de academische kringen en het grote publiek.
Het Expertisecentrum Geluid geeft rijksbrede ondersteuning op het gebied van geluid, geluidshinder en gezondheid. Het centrum verzamelt en ontwikkelt kennis en kunde op het gebied van meet- en rekenvoorschriften voor geluid, monitoring en effecten- en 'impact' onderzoek.
Organisatie:Het Expertisecentrum is onderdeel van het RIVM.
De Facilitaire Organisatie Industrie (FO-Industrie) begeleidt de uitvoering van het Doelgroepbeleid Milieu en Industrie. De FO ondersteunt medewerkers bij gemeenten, regionale samenwerkingsverbanden, provincies, waterschappen en regionale directies van Rijkswaterstaat.
FO-Industrie is een zelfstandige organisatie die in 1993 door de ministeries van VROM en V&W, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen is opgericht.
Parkstraat 83 2514 JG Den Haag
Telefoon: 070 - 345 14 15
Natuurgegevens zijn essentieel voor een afgewogen ruimtelijke inrichting van ons land en voor een effectief natuurbeleid en -beheer. De Gegevensautoriteit Natuur (GaN) draagt zorg voor betrouwbare natuurgegevens en stelt deze publiekelijk beschikbaar. Het stimuleert, als verbindende en sturende schakel, de samenwerking tussen gegevensverzamelaars, -beheerders en -gebruikers.De Programmaraad Gegevensautoriteit Natuur is samengesteld uit gebruikers en aanbieders van gegevens en draagt zorg voor afstemming van vraag en aanbod.Postadres:Postbus 6076700 AP WageningenBezoekadres:Bennekomseweg 41
6717 LL Ede Telefoon: 0317 - 48 29 01
Geonovum zet zich in voor een goede toegang tot geo-informatie binnen de publieke sector en ontwikkelt en beheert de standaarden die hiervoor nodig zijn. Geonovum beoogt een betere afstemming en coördinatie van de publieke geo-informatie in Nederland. De stichting wordt financieel gesteund door de ministeries van EL&I en I&M, het Kadaster en TNO. Postadres:Postbus 508 3800 AM Amersfoort
Bezoekadres:Barchman Wuytierslaan 10 3818 LH Amersfoort
Telefoon: 033 - 460 41 00Fax: 033 - 465 64 57
De Helpdesk Water is primair bedoeld voor het beantwoorden van vragen van mensen die (beroepsmatig) betrokken zijn bij het waterbeleid, het waterbeheer en de waterveiligheid. Dit kan onder andere door de informatie die door middel van verschillende monitoringsystemen aan de Helpdesk Water geleverd wordt.
De Helpdesk Water is opgezet door rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van het Nationaal Water Overleg (voorheen Landelijk Bestuurlijk Overleg Water). De Helpdesk Water is onderdeel van de Rijkswaterstaat Waterdienst.
Het Waterschapshuis is de regie- en uitvoeringsorganisatie voor de 26 waterschappen op het gebied van Informatie en Communicatie Technologie.
Het Waterschapshuis heeft als doel het bevorderen van samenwerking op het gebied van ICT tussen de waterschappen en de andere overheden die actief zijn in de natte sector. Onder begeleiding van Het Waterschapshuis spannen de waterschappen zich gezamenlijk in om de kwaliteit van de digitale dienstverlening naar burgers en bedrijven te verbeteren.
InfoMil informeert overheden over de implementatie van milieubeleid. Het is een schakel tussen de beleidsmakers van het ministerie van I&M en gemeenten, provincies en waterschappen die dit beleid uitvoeren.InfoMil is een initiatief van de toenmalige ministeries van VROM en Economische Zaken, in samenspraak met Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen.Bezoekadres:
Prinses Beatrixlaan 2
2595 AL Den Haag
Postadres:Postbus 93144
2509 AC Den Haag
Tel: 088 - 602 55 80
De Informatie Desk standaarden Water (IDsW) beheert en ontwikkelt informatiestandaarden voor het Nederlandse Waterbeheer. Hiermee levert IDsW een bijdrage aan de stroomlijning van de informatievoorziening van de sector water.
Een belangrijke standaard is de Aquo-standaard. Deze bevat definities van termen en begrippen, voor gegevensopslag, voor gegevensuitwisseling en voor de verwerking en presentatie van gegevens in de watersector.
Organisatie:IDsW is een samenwerkingsverband van vijf waterbeherende overheden: de Unie van Waterschappen, Rijkswaterstaat, het Interprovinciaal Overleg, het Planbureau voor de Leefomgeving en het ministerie van EL&I. IDsW wordt aangestuurd door een stuurgroep en een regiegroep, samengesteld uit medewerkers van de betrokken organisaties.
Stuurgroep:Voorzittende organisatie: RijkswaterstaatVoorzitter: Carol van RaaltenEmail: carol.van.raalten@rws.nl
Regiegroep:Voorzittende organisatie: waterschap RivierenlandVoorzitter: H. Stegeman
Het Informatiehuis Marien (IHM) is een gemeenschappelijk initiatief van de ministeries van EL&I, I&M en Defensie om de verschillende informatievragen die binnen de mariene partners bestaan, te bundelen en te vereenvoudigen. Een belangrijk thema is de monitoring van (de effecten van) windparken op zee.
Contact via formulier op de website
Wageningen IMARES, Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies, is een onafhankelijk onderzoeksinstituut dat zich richt op strategisch en toegepast marien ecologisch onderzoek. Het instituut is medio 2006 opgericht. Producten en diensten zijn veldonderzoek, experimenten op realistische schaal, verkennende studies op labschaal, datamanagement en modellering. Het instituut heeft vestigingen in IJmuiden, Texel, den helder en Yerseke en telt ruim 180 medewerkers. Werkvelden zijn Aquacultuur, Ecologie, Milieu en Visserij.
Postadres Postbus 681970 AB IJmuidenBezoekadresHaringkade 11976 CP IJmuiden
Telefoon: 03 17 - 48 09 00Fax: 03 17 - 48 73 26
Klik hier voor IMARES publicaties.
Voor uitgebreid zoeken naar WURcontactpersonen en -experts klik hier.
Het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft twaalf leden: de Nederlandse provincies.Met die samenwerking wil het IPO de condities optimaliseren waaronder provincies werken.
Het IPO is actief op dezelfde terreinen als de provincies: milieu, landelijk gebied, sociaal beleid, ruimtelijke ontwikkeling, wonen, cultuur, water, veiligheid en handhaving, economie en mobiliteit. PostadresPostbus 161072500 BC Den Haag
BezoekadresMuzenstraat 612511 WB Den Haag
Telefoon: 070 - 888 12 12Fax: 070 - 888 12 80
Het Kadaster verzamelt gegevens over registergoederen in Nederland, houdt deze bij in openbare registers en op kadastrale kaarten en stelt deze gegevens tegen een vergoeding beschikbaar aan particulieren, bedrijven en andere belanghebbenden in de samenleving. Tot "registergoederen" behoren niet alleen onroerende zaken, zoals huizen en appartementen, maar ook roerende zaken als schepen en luchtvaartuigen.
PostadresPostbus 90467300 GH ApeldoornTelefoon: 088 - 183 20 00Fax: 055 - 528 50 05
Het KNMI is het nationale instituut voor weer, klimaat en seismologie. Het verstrekt weerinformatie ten behoeve van veiligheid, economie en duurzaam milieu aan het algemeen publiek, de overheid, de luchtvaart en de scheepvaart. Voor langetermijnontwikkelingen verricht het KNMI onderzoek naar de veranderingen in het klimaat.
Het KNMI is een agentschap van het ministerie van I&M. De taken zijn vastgelegd in de Wet op het KNMI.
Postadres:Postbus 201 3730 AE De Bilt Bezoekadres: Wilhelminalaan 10 3732 GK De Bilt Telefoon: 030 - 220 69 11
Het LEI ontwikkelt voor overheden en bedrijfsleven economische kennis op het gebied van voedsel, landbouw en groene ruimte. LEI doet dit samen met het Departement Maatschappijwetenschappen van Wageningen Universiteit, waarmee ze samen de Social Sciences Group vormt. Het werkterrein omvat de agrosector, de visserij, het natuurbeheer en het gebruik van de groene ruimte. Alle schakels van consument tot producent zijn betrokken.Voor uitgebreid zoeken naar WUR-contactpersonen en -experts klik hier.
Postadres:Postbus 29703 2502 LS Den Haag
Bezoekadres: Alexanderveld 5 2585 DB Den HaagTelefoon: 070 - 335 83 30 Fax: 070 - 361 56 24
Het Landelijk Steunpunt Verdroging ondersteunt professionals bij alle organisaties die actief bezig zijn met verdrogingsbestrijding. Het beoogt informatie uitwisseling, het ontwikkelen van nieuwe technologieën ter bestrijding van droogte en het vervullen van een vraagbaak functie. Ook is er speciale aandacht voor de TOP-gebieden.
Specificieke activiteiten van het Steunpunt op het gebied van monitoring en informatievoorziening (Plan van Aanpak 2009-2011):
Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) en het Ruimtelijk Planbureau (RPB) zijn sinds april 2008 samengevoegd in het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) is verantwoordelijk voor de desbetreffende sectoren van de Nederlandse overheid. Tot het werkveld van het ministerie behoort ook natuur.
EL&I is ontstaan uit een samenvoeging van het voormalige ministerie van Economische Zaken en het voormalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Telefoonnummer: 070 – 379 8911 Overige contactgegevens: zie de EL&I-website
Het ministerie van Financiën draagt zorg voor het financiële beleid van de rijksoverheid.
Postadres:Korte Voorhout 7Postbus 202012500 EE Den Haag
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) is verantwoordelijk voor de desbetreffende sectoren van de Nederlandse overheid.
I&M is ontstaan uit een samenvoeging van (onderdelen van) het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en het voormalige ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Telefoonnummer: 070 - 456 61 71Overige contactgegevens: zie de I&M-website
Per 14 oktober 2010 is het ministerie van LNV samen met het ministerie van EZ opgegaan in het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I).
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is in Nederland verantwoordelijk voor het platteland, natuurbeheer en de daarmee verbonden 'groene economie'.
Postadres:Ministerie van LNVPostbus 20401 2500 EK Den Haag
Bezoekadres:Bezuidenhoutseweg 732594 AC Den Haag
Het LNV-LoketTelefoon: 0800 - 22 333 22 (kosteloos) Bereikbaar op werkdagen van 8.30 - 16.30 uur
Contact
Vanaf 14 oktober 2010 is het minsterie van V&W samen met het ministerie van VROM opgegaan in het nieuwe ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M).
Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W) heeft tot taak de bescherming van Nederland tegen water en de realisatie van veilige infrastructurele verbindingen van internationale kwaliteit.
Naast de beleidsdirecties en stafdiensten vallen onder dit ministerie de agentschappen Rijkswaterstaat, Inspectie Verkeer en Waterstaat en KNMI.
Postadres:Postbus 209012500 EX Den Haag
Bezoekadres:
Plesmanweg 1-62597 JG Den Haag
Telefoon: 070 - 351 61 71Fax: 070 - 351 78 95
Het Ministerie van Volkgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is verantwoordelijk voor het overheidsbeleid op het terrein van de gezondheidszorg, de maatschappelijke zorg en sport.
Postadres:Postbus 20350 2500 EJ Den Haag
Bezoekadres:Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag
Telefoon: 070 - 340 79 11 Fax: 070 - 340 78 34
Vanaf 14 oktober 2010 is het ministerie van VROM samen met het ministerie van V&W opgegaan in het nieuwe ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M).
Het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) heeft als taken: het scheppen van een prettige woonomgeving, het voeren van een ruimtelijk ontwikkelingsbeleid en de ontwikkeling van een duurzame toekomst.
Postadres:Postbus 209512500 EZ Den Haag
Bezoekadres:Hoofdgebouw VROMRijnstraat 82515 XP Den Haag
Telefoon: 070 - 339 39 39
Het Natuurloket is bedoeld voor iedereen die betrokken is bij de planning en uitvoering van bouwplannen, ruimtelijke ordening of het beheer van natuur- of bedrijfsterreinen. De gegevens van Het Natuurloket komen rechtstreeks uit de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF). De NDFF bevat onder meer gegevens van de Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO's), terreinbeherende organisaties, provincies, gemeenten en Waarneming.nl. Regelmatig worden nieuwe databronnen aan de NDFF toegevoegd. De Gegevensautoriteit Natuur (GaN) zorgt voor borging van de kwaliteit van de natuurgegevens in de NDFF.
Gebruikers kunnen bij Het Natuurloket terecht voor een eenmalige gegevenslevering of een abonnement. Het Natuurloket zorgt daarnaast voor het beheer van de NDFF en het aansluiten van partijen die hun gegevens ter beschikking willen stellen via de NDFF .
Voor ondersteuning kunt u gebruik maken van de Helpdesk van Het Natuurloket.
Postadres:Postbus 6076700 AP Wageningen
Bezoekadres:Bennekomseweg 416717 LL EdeTelefoon: 0800 - 23 56 333
Het Nederlands Hydrografisch Instituut (NHI) is een samenwerkingsverband van de Dienst der Hydrografie van de Koninklijke Marine en Rijkswaterstaat Noordzee.
De Dienst Hydrografie richt zich op de kartering van de zee voor een veilige navigatie en voorts op het gebruik van de kartering voor specifieke taken van de Koninklijke Marine.
Rijkswaterstaat Noordzee richt zich op het (dagelijks) beheer van de infrastructuur en voert studies uit ter onderbouwing van beheer en beleid.
Bezoekadres: Lange Kleiweg 34 2288 GK Rijswijk
Postadres: Postbus 5807 2280 HV Rijswijk
Het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) is het nationale oceanografische instituut van Nederland. De missie van het NIOZ is het verkrijgen en communiceren van wetenschappelijke kennis van zeeën en oceanen voor een goed begrip en duurzaam beheer van onze planeet. Het instituut maakt deel uit van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).
Postadres:Postbus 591790 AB Den Burg (Texel)
Bezoekadres:Landsdiep 41797 SZ ‘t Horntje (Texel)
Telefoon: 02 22 - 36 93 00 Fax: 02 22 - 31 96 74
Het RIVO maakt sinds 2006 deel uit van Wageningen IMARES.
Voor uitgebreid zoeken naar WUR-contactpersonen en -experts klik op Wageningen UR.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is het planbureau voor de ruimte, het milieu en de natuur. Het verricht wetenschappelijke verkenningen, analyses, prognoses en beleidsevaluaties in (inter)nationale context die relevant zijn voor het strategisch regeringsbeleid. Het planbureau analyseert ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen die van belang zijn voor de leefomgeving van mens, plant en dier. Het verkent de toekomstige kwaliteit van leefomgeving en mogelijke beleidsopties. Het planbureau wil tevens bijdragen aan integrale ruimtelijke en ecologische afwegingsvraagstukken voor het beleid.
Het Milieu- en Natuur Planbureau (MNP) en het Ruimtelijk Planbureau (RPB) zijn sinds april 2008 samengevoegd en werken in het vervolg onder de naam Planbureau voor de Leefomgeving. Locatie BilthovenPostadres Postbus 3033720 AH BilthovenBezoekadresGebouw W op het terrein van het RIVMAntonie van Leeuwenhoeklaan 93721 MA Bilthoven
Telefoon: 030 - 274 27 45Fax: 030 - 274 44 79
Locatie Den Haag PostadresPostbus 303142500 GH Den HaagBezoekadresOranjebuitensingel 62511 VE Den HaagTelefoon: 070 - 328 87 00
Social Media:Twitter: leefomgeving
Plant Research International is een onderzoeksinstituut voor strategisch en toepassingsgericht onderzoek met kennis en ervaring in genetica en reproductie, genomica, proteomica, metabolomica, bioinformatica, gewasecologie, gewasbescherming en agrosysteemkunde.
Alle publicaties van Plant Research International zijn opgenomen in Wageningen Yield (WaY). Meestal is de publicatie full text beschikbaar. Voor uitgebreid zoeken naar WUR-contactpersonen en -experts klik op Wageningen UR.
Postadres: Postbus 16 6700 AD Wageningen
Bezoekadres:Droevendaalsesteeg 1 Gebouw 107 6708 PB Wageningen
Telefoon: 0317 – 48 60 01 Fax: 0317 – 41 80 94
Praktijkonderzoek Plant & Omgeving (PPO) is dé Nederlandse kennisinstelling voor praktijkonderzoek aan akkerbouw, groene ruimte en vollegrondsgroenten, bloembollen, bomen en fruit. PPO richt zich op co-innovaties met partners uit de verschillende landbouwsectoren, wetenschap, bedrijfsleven en overheid. PPO analyseert samen met opdrachtgevers vragen over bedrijfsvoering en teelt, en vertalen deze in toepassingsgericht onderzoek en ontwikkeltrajecten.
Postbus 167
6700 AD Wageningen
Droevendaalsesteeg 1
Gebouw 107
6708 PB Wageningen
Telefoon: 0317 – 48 60 01
Fax: 0317 – 41 80 94
Voor uitgebreid zoeken naar WURcontactpersonen en -experts klik op Wageningen UR.
Nederland bestaat uit twaalf provincies. De provincies vormen de schakel tussen de gemeenten en het rijk en worden daarom het middenbestuur genoemd. Ze voeren simpel gezegd de taken uit die voor gemeenten te groot zijn en voor het rijk te klein. De provincies werken veel samen met de andere overheden (rijk, gemeenten en waterschappen) en met bedrijven en maatschappelijke organisaties.
Zie ook de algemene website over provincies: http://www3.provincies.nl
Postbus 1229400 AC Assen
Westerbrink 1 9405 BJ Assen
Telefoon: 0592 - 36 55 55
Fax: 0592 - 35 71 88
Postbus 55
8200 AB Lelystad
Visarenddreef 1
8232 PH Lelystad
Telefoon: 0320 – 26 52 65
Fax: 0320 – 26 52 60
Postbus 20120
8900 HM Leeuwarden
Bezoekadres:Snekertrekweg 1
8912 AA Leeuwarden
Telefoon: 058 - 292 59 25
Fax: 058 - 292 51 25
Postbus 9090
6800 GX Arnhem
Markt 11
6811 CG Arnhem
Telefoon: 026 - 359 91 11
Fax: 026 - 359 94 80
Postadres:Postbus 6109700 AP Groningen
Bezoekadres:Martinikerkhof 12Groningen
Telefoon: 050 - 316 49 11 Fax: 050 - 316 49 33
Nederland bestaat uit twaalf provincies. De provincies vormen de schakel tussen de gemeenten en het rijk en worden daarom het middenbestuur genoemd. Ze voeren simpel gezegd de taken uit die voor gemeenten te groot zijn en voor het rijk te klein. Het provinciebestuur bestaat uit Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koningin.
Postbus 57006202 MA Maastricht
Limburglaan 106229 GA Randwyck-Maastricht
Telefoon: 043 - 389 99 99
Fax: 043 – 361 80 99
Postbus 90151
5200 MC 's-Hertogenbosch
Brabantlaan 1
5216 TV 's-Hertogenbosch
Telefoon: 073 - 681 28 12
Fax: 073 - 614 11 15
Postbus 1232000 MD Haarlem
Bezoekadres:Florapark 5 en Florapark 6
2012 HK Haarlem
Telefoon: 023 - 514 31 43Fax: 023 - 514 40 40
Postbus 100788000 GB Zwolle
Provinciehuis Luttenbergstraat 28012 EE Zwolle
Telefoon: 038 - 499 88 99
Fax: 038 - 425 48 88
Postbus 803003508 TH Utrecht
Pythagoraslaan 101 3584 BB Utrecht
Telefoon: 030 - 258 91 11
Fax: 030 - 252 25 64
Postadres:Postbus 60014330 LA Middelburg
Bezoekadres:Provinciehuis
Abdij 64331 BK Middelburg
Postbus 90602
2509 LP Den Haag
Zuid-Hollandplein 1
2596 AW Den Haag
Telefoon: 070 - 441 66 11
Het Regiebureau Natura 2000 is in april 2008 opgericht door de ministeries van LNV (nu: EL&I), VROM (nu: I&M), Defensie en het Interprovinciaal Overleg. Het Regiebureau zorgt ervoor dat de totstandkoming van de beheerplannen in de 162 Natura 2000-gebieden gestroomlijnd loopt. Ook stuurt het regiebureau het Steunpunt Natura 2000 aan, bereidt het waar nodig besluitvorming door de bestuurlijke partners voor en zorgt het voor afstemming met andere beleidsdossiers zoals de Kaderrichtlijn Water.
In het Regionaal College Waddengebied (RCW) werken rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samen aan de uitwerking van de strategische hoofdlijnen van het Waddenzeebeleid. Daarnaast heeft het RCW een coördinerende taak, bijvoorbeeld voor de handhaving van wet en regelgeving en voor de afstemming van allerlei overheidsplannen en initiatieven in het Waddengebied. In het RCW kunnen alle zaken die samenhangen met de Waddenzee aan de orde worden gesteld, ook internationale vraagstukken zoals de samenwerking met Duitsland en Denemarken voor de Waddenzee komen aan bod.
Adresgegevens RCW (Kantoorlocatie InterWad, RCW en Waddenacademie)Huis voor de WaddenRuiterskwartier 121A8911 BS Leeuwarden
Tel: 058-2339010Fax: 058-2339011
De regionale milieudiensten in Nederland:
Dit onderdeel van het CBS richt zich op de regionale monitoring.
Postbus 245002490 HA Den Haag
Bezoekersadres:
Henri Faasdreef 3122492 JP Den Haag
Contactpersonen (monitoring):Bert Bunschoten bbnn@cbs.nlLinda Slikkerveer LSIR@cbs.nl
Het RIZA is na een organisatieverandering opgegaan in de Waterdienst van Rijkswaterstaat.
Het RIKZ is na een organisatieverandering opgegaan in de Waterdienst van Rijkswaterstaat.
Zie voor de Waterdienst hier.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is het onderzoeksinstituut van de overheid op het gebied van volksgezondheid en milieu. Het RIVM verricht niet alleen zelf onderzoek, maar verzamelt ook wereldwijd kennis en past die kennis toe. Het brengt jaarlijks een groot aantal rapporten en adviezen uit. Het RIVM voert met name onderzoek uit voor de ministeries van VWS, I&M en EL&I, inspecties en internationale organisaties zoals de Europese Unie en de Verenigde Naties.
Postadres:Postbus 13720 BA Bilthoven Bezoekadres:Antonie van Leeuwenhoeklaan 93721 MA BilthovenTelefoon: 030 - 274 91 11Fax: 030 - 274 29 71
Rijkswaterstaat is de beheerder van het nationale rijkswegennetwerk, het rijkswaterwegennetwerk en het landelijke watersysteem. Op het gebied van monitoring houdt Rijkswaterstaat zicht op verschillende zaken met betrekking tot water. Het gaat hierbij onder andere om onderwerpen als waterpeil, golfhoogte en waterkwaliteit. Door monitoring zorgt Rijkswaterstaat voor noodzakelijke informatie om het leven met water en de veiligheid van het water te kunnen garanderen.
Rijkswaterstaat is een uitvoerende organisatie (agentschap) van het ministerie van I&M. Postadres: Postbus 20906 2500 EX Den Haag Bezoekadres: Koningskade 4 2596 AA Den Haag Telefoon: 070 - 351 80 80
Het Milieu- en Natuur Planbureau (MNP) en het Ruimtelijk Planbureau (RPB) zijn sinds april 2008 samengevoegd in het Planbureau voor de Leefomgeving.
Het Samenwerkingsverband Centrum Bodemecologie in Wageningen richt zich op het onderzoek van de bodem en bodemorganismen in relatie tot natuur en landbouw.
Organisatie:Het centrum is een initiatief van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) en Wageningen UR.
Staatsbosbeheer beheert bijna 250.000 ha natuur in Nederland en waarborgt de kwaliteit van een groene leefomgeving voor mens, plant en dier. De kerntaken zijn het beheer van natuur, landschap en cultuurhistorie, houtproductie en recreatie.
Postadres: Postbus 13003970 BH DriebergenTelefoon: 030 - 69 26 213
Het Steunpunt Wateremissies is bestemd voor iedereen die iets met de bestrijding van waterverontreiniging te maken heeft.
Het Steunpunt is onderdeel van de Helpdesk Water.
De Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) stelt zich ten doel het (doen) verrichten van toegepast onderzoek ten dienste van instellingen in Nederland, belast met het beheer van water.
Postbus 8090
3503 RB Utrecht
Arthur van Schendelstraat 816
3511 ML Utrecht
Telefoon: 030 - 232 11 99
Fax: 030 - 232 17 66
De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) kan worden beschouwd als het middelpunt van de bodembescherming in Nederland. Ze adviseert onder meer de ministers van I&M en EL&I over technische en wetenschappelijke aspecten van bodembescherming. Het gaat om het vertalen van wetenschappelijke zaken in een beleidsmatige context. Veel partijen in bodemland doen hier hun voordeel mee. De taak van de TCB is verankerd in de Wet bodembescherming. Bezoekadres:Rijnstraat 8Den Haag Telefoon: 070 – 339 30 34Fax: 070 – 339 13 42 Postadres:Postbus 309472500 GX Den HaagNederland
De Technische Commissie Bodembescherming (TCB) kan worden beschouwd als het middelpunt van de bodembescherming in Nederland. Ze adviseert onder meer de ministers van I&M en EL&I over technische en wetenschappelijke aspecten van bodembescherming. Het gaat om het vertalen van wetenschappelijke zaken in een beleidsmatige context. Veel partijen in bodemland doen hier hun voordeel mee. De taak van de TCB is verankerd in de Wet bodembescherming.
Bezoekadres:Rijnstraat 8Den Haag
Telefoon: 070 – 339 30 34Fax: 070 – 339 13 42
De TU Delft is met meer dan 13.000 studenten, 2.100 wetenschappers en 200 docenten de grootste en meest veelzijdige technische universiteit van Nederland. De TUD werkt samen met vele andere onderwijs- en onderzoeksinstellingen in binnen- en buitenland.
Postadres: Postbus 52600 AA Delft
Bezoekadres: Stevinweg 12628 CN Delft
Telefoon: 015 – 278 91 11Fax: 015 – 278 18 55
TNO maakt wetenschappelijke kennis toepasbaar om het innovatief vermogen van bedrijfsleven en overheid te versterken.
Voor de TNO vestigingslocaties zie de website van TNO.
Postadres:Postbus 6050 2600 JA Delft Telefoon: 015 - 269 69 00 Fax: 015 - 262 73 35
De Nederlandse waterschappen zijn verenigd in de Unie van Waterschappen (UvW). De Unie behartigt op nationaal en internationaal niveau de belangen van de waterschappen voor een goede waterstaatsverzorging binnen het waterschapsbestel.
Postadres:Postbus 932182509 AE Den Haag
Bezoekadres:Koningskade 402596 AA Den Haag
Telefoon: 070 – 351 97 51Fax: 070 – 354 46 42
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft als taken de belangenbehartiging van alle gemeenten bij andere overheden en de advisering aan alle leden over actuele ontwikkelingen. Ook advisering aan individuele leden behoort tot het takenpakket.
De VNG maakt al een paar jaar samen met I&M, IPO en de stadsregio’s de Nationale Mobiliteitsmonitor.
Klik hier voor de Nationale Mobiliteitsmonitor.
Postadres:Postbus 304352500 GK Den Haag
Bezoekadres:Nassaulaan 122514 JS Den HaagTelefoon: 070 - 373 83 93
Het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) is het coördinatie- en informatieplatform voor zeewetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen. Het VLIZ is een knooppunt voor marien en kustgebonden onderzoek en fungeert als internationaal aanspreekpunt.
Wandelaarkaai 7B-8400 Oostende België
Telefoon: +32 (0)59 34 21 30Fax: +32 (0)59 34 21 31
De Vlaamse Milieumaatschappij speelt een cruciale rol in het integraal waterbeleid. Ze meet en controleert de kwantiteit en kwaliteit van water, beheert watersystemen, int een heffing op watervervuiling en op grondwaterwinning, adviseert over milieuvergunningen en zorgt voor de planning van en toezicht op de zuiveringinfrastructuur. Verder bewaakt de VMM de luchtkwaliteit, inventariseert ze wie wat loost en doet beleidsvoorstellen. Ze stelt tevens het Milieurapport Vlaanderen (MIRA) op.
De Waddenacademie speelt een agenderende, programmerende en informerende rol bij het onderzoek in de Waddenregio. De onderzoeksgebieden zijn: geowetenschap, ecologie, cultuurhistorie, economie en klimaat. De Waddenacademie is een compacte faciliterende organisatie met wetenschappelijk gezag.
Organisatie:De Waddenacademie wordt gefinancierd door het Waddenfonds.
Telefoon: 058 - 233 9030
Wageningen UR is een samenwerkingsverband van
PostadresPostbus 9101 6700 HB WageningenBezoekadresCosterweg 50 Gebouwnr. 400 6701 BH Wageningen Telefoon: 0317 – 48 01 00Fax: 0317 – 48 48 84
De Waterdienst is een nieuwe landelijke dienst van Rijkswaterstaat. De onderdelen RIKZ en RIZA zijn hierin opgegaan. De Waterdienst heeft overzicht over de toestand en het gebruik van het hoofdwatersysteem: het samenhangende stelsel van de grote rivieren, kanalen, meren, kustwater en zee.
Postadres:Postbus 17 8200 AA Lelystad
Bezoekadres:Zuiderwagenplein 2 8224 AD Lelystad Telefoon: 0320 - 29 84 11
Bezoekadres:Zuiderwagenplein 2 8224 AD Lelystad
Telefoon: 0320 - 29 84 11
Het Waterloopkundig Laboratorium (WL) in Delft is opgegaan in het instituut Deltares.
Het Watermanagementcentrum Nederland (WMCN) is het centrum voor kennis en informatie over de Nederlandse wateren. Het WMCN verzorgt de dagelijkse berichtgeving voor gebruikers van de Nederlandse wateren. Zij kunnen bij het centrum terecht voor onder meer informatie over:
Het Watermanagementcentrum bestaat uit vijf onderdelen:
Organisatie:Het WMCN is onderdeel van Rijkswaterstaat, en daarmee van het ministerie van I&M.
Telefoon: 0800-NLWATER (0800 – 659 2837)
De overheid heeft kennis nodig over natuur, landschap en milieu in de context van het bestuur, de economie en de samenleving. Alleen dan kan de overheid op een verantwoorde manier alle relevante aspecten en belangen van natuur, landschap en milieu afwegen. De unit Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (WOT Natuur & Milieu) verzorgt deze informatie voor de rijksoverheid, in het bijzonder voor het ministerie van EL&I.
WOT Natuur & Milieu is een samenwerkingsverband van de Universiteit Wageningen en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL, voorheen MNP).
Voor uitgebreid zoeken naar WUR-contactpersonen en -experts klik op Wageningen UR.Postadres:Postbus 9101 6700 HB Wageningen Bezoekadres:Costerweg 50 Gebouwnr. 400 6701 BH Wageningen Secretariaat: Jolanda Eimers
Telefoon: 0317 - 48 01 00 of 0317 - 48 54 71Fax: 0317 – 48 48 84
Het Aarhusportaal ondersteunt overheden bij het ontsluiten van milieu-informatie voor burgers. Dit geschiedt volgens nieuwe eisen die hiervoor door hogere overheden zijn gesteld. Daartoe behoren de Aarhus-richtlijn van de Europese Unie en de IPM-standaard van het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Organisatie: provincie Gelderland
Contactpersoon:Corine Quarles van Ufford (provincie Gelderland)
Op de website Actuale Waterdata stelt Rijkswaterstaat de verzamelde informatie van alle watermeetnetten beschikbaar.
Gegevens betreffen o.a.:
Organisatie: Rijkswaterstaat
De Atlas Leefomgeving is een website waarmee burgers en professionals informatie over hun leefomgeving op het gebied van milieu en gezondheid op kunnen vragen. De site optimaliseert alle beschikbare overheidsinformatie door deze toegankelijk, begrijpelijk en vergelijkbaar te presenteren met behulp van innovatieve ICT.
Met de Atlas voldoet Nederland in één keer aan toekomstige Europese ontwikkelingen, zoals INSPIRE en SEIS.
De eerste release van de Atlas Leefomgeving staat gepland voor eind 2010. Op de website Atlas Info is alle informatie over het programma Atlas Leefomgeving te vinden.
Organisatie: ministerie van I&M in samenwerking met een aantal gemeenten, provincies, een milieudienst en diverse landelijke instellingen. De ambitie is dat in 2020 alle gemeenten en provincies aangesloten zijn. Verder zijn diverse belangenorganisaties en kennisinstituten bij het project betrokken, zoals het RIVM, PBL, IPO, VNG, EL&I, Alterra, GGD'en, Astmafonds, Vereniging Eigen Huis.
De Atlas van Overijssel is een interactieve, digitale atlas met kaarten van de provinciale beleidsvelden en actuele thema's en achtergrondkaarten.
Organisatie: provincie Overijssel
De Bodematlas Drenthe bevat eigen bodemkaarten van de provincie en leidt de gebruiker daarnaast naar relevante bodemkaarten over Drenthe die bij andere organisaties beschikbaar zijn.
Organisatie: provincie Drenthe
De bodematlas van de provincie Overijssel bevat verschillende digitale kaarten en informatie met betrekking tot de ondergrond van Overijssel.
Het Bodemkundig Informatiesysteem is een online database met landsdekkende kaarten over bodem en grondwater inclusief meta-informatie en documentatie.
Organisatie: Alterra
Met de website Bodemloket geeft de overheid inzicht in de bodemonderzoeken en bodemsaneringen die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd. Ook laat Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen in verband met mogelijke bodemvervuiling.
Organisatie: de gezamenlijke bevoegde overheden in het kader van de Wet Bodembescherming Wbb (12 provincies en 29 gemeenten)
De provincie heeft diverse taken op het gebied van bodem, van het ontwikkelen van algemeen bodembeleid tot het verlenen van subsidies voor bodemsanering. Er is een digitaal bodemloket waar alle (potentiëel) verontreinigde lokaties toegankelijk zijn gemaakt. Ook kunnen via deze website relevante beleidsstukken worden opgevraagd.
Organisatie: provincie Friesland
Bodemnieuws.nl is een een platform voor professionals op het gebied van bodem, de ondergrond en daaraan gerelateerde sectoren.
Organisatie: TTE Consultants
Met de zoekmachine 'Bodemsearch' kunnen de websites van Bodem+, SIKB en SKB tegelijk worden doorzocht.
Organisatie: Bodem+, SIKB en SKB
Het Compendium voor de Leefomgeving is een online informatiebron met feiten en cijfers over milieu, natuur en ruimte. Het compendium is gericht op beleidsmakers, onderzoekers en burgers. Het Compendium voor de Leefomgeving is ontstaan uit de samenvoeging van twee websites: het voormalige Milieu- en Natuurcompendium en de Monitor Nota Ruimte. Organisatie: CBS, het PBL en Wageningen UR. Het CLO wordt gerealiseerd door een projectteam met medewerkers van de drie instituten. Eindverantwoordelijk is de Stuurgroep CLO, die bestaat uit vertegenwoordigers van de drie instituten.
De Databank Overijssel bevat de meest recente gegevens van de provincie op het gebied van leefomgeving. De data zijn beschikbaar op gemeentelijk, gebieds- en regionaal niveau. Ook zijn de Overijsselse cijfers te vergelijken met landelijke gegevens.
Onderwerpen in de databank:
De Watlas is de digitale atlas van het Nederlandse Waddenzeegebied. De atlas bevat informatie over uiteenlopende onderwerpen zoals toerisme, landschap, cultuurhistorie en visserij. De informatie is afkomstig van overheden en onderzoeksinstituten.
Organisatie: projectgroep InterWad, in opdracht van o.a. het Regionaal College Waddengebied
DINOLoket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO).
DINO is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. De niet-vertrouwelijke gegevens in DINO zijn openbaar. Als er geen tussenkomst van een medewerker voor nodig is, zijn de data tegen verstrekkingskosten beschikbaar.
DINO zal op termijn onderdeel gaan uitmaken van de Basisregistratie Ondergrond (BRO). Momenteel wordt gewerkt aan de vernieuwing van het DINOloket. Een preview is beschikbaar voor het onderdeel Sonderingen.
Ga naar de preview
Organisatie: TNO-NITG
Website van de provincie Drenthe over de monitoring van het omgevingsbeleid, zoals geformuleerd in het tweede Provinciaal Omgevingsplan (2004). Veelal interactieve site met diverse thema's als milieu, verkeer en archeologie.Organisatie: provincie Drenthe
Energie.nl is een portaalsite voor alle onderwerpen met betrekking tot energie in Nederland. Zo publiceert de site overzichten van gebeurtenissen in de energiesector, links naar andere sites, verwijzingen naar publicaties, cijferoverzichten en een energie encyclopedie.
Organisatie: Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)
De Euregio Information Service (EIS) biedt via een website statistische gegevens en metadata aan over de Euregio's Maas-Rijn en Rijn-Maas-Noord.
Organisatie: voor Nederland ligt de algemene coördinatie in handen van de Provincie Limburg.
De website 'European Colour-Ring Birding' bevat (meta)informatie over Europese vogelringprojecten die gebruik maken van kleurringen. De website is bedoeld voor zowel waarnemers als projectleiders van ringprojecten.
Organisatie: de website wordt gesponsord door SOVON Vogelonderzoek Nederland, EURING en AVES.
Geluidnieuws is een webtijdschrift met actuele informatie over geluid en trillingen in Nederland en België. Het verschijnt maandelijks. Abonnementen zijn kosteloos.
Organisatie: dBvision
Op deze website worden de geluidsbelastingkaarten voor de regio Rijnmond gepubliceerd. Deze kaarten zijn opgesteld in het kader van de Europese Richtlijn Omgevingslawaai.
Op dit moment zijn de kaarten beschikbaar voor de gemeente Rotterdam. Inwoners van die gemeente kunnen de geluidsbelasting op de eigen woning bekijken door in te zoomen naar de eigen woning en het geluidniveau af te lezen.
Organisatie: DCMR Milieudienst Rijnmond
De Green Pages Directory for Environmental Technology is een online informatiebron met vermeldingen van internationale bedrijven en organisaties die zich richten op het oplossen van milieproblemen. Thema's zijn onder andere water, luchtververvuiling, afvalverwerking en recycling en duurzame energie.
Organisatie: ECO Services International, Zwitserland
GreenFacts publiceert samenvattingen van wetenschappelijke rapporten over (volks)gezondheid en milieu. De samenvattingen worden gecontroleerd door een wetenschappelijke raad.
Organisatie: GreenFacts (non-profit)
Via deze website worden de grondwaterstanden in de stad Rotterdam via internet ontsloten.
Informatie over het grondwaterpeil in de buurt is vooral nuttig voor eigenaren met een woning op houten paalfundering. Via de website kunnen de verschillen in hoge en lage waterstanden ieder moment van de dag in de gaten gehouden worden.
Organisatie: Waterloket Rotterdam (gemeente Rotterdam)
Website met kaarten van grootschalige concentraties voor Nederland voor diverse luchtverontreinigende stoffen, waarvoor Europese regelgeving bestaat. Deze kaarten worden jaarlijks uitgegeven. De kaarten geven een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren.
Organisatie: RIVM, met medewerking van het LML, Emissieregistratie, TNO Automotive, GGD Amsterdam en DCMR Milieudienst Rijnmond
HEAVEN is de afkorting van Healthier Environment through the Abatement of Vehicle Emissions and Noise (een gezonder milieu door het verminderen van lawaai en uitstoot van het wegverkeer). Heaven informeert over de te verwachten luchtkwaliteit en het verband tussen luchtverontreiniging en verkeer.
Organisatie: DCMRContactpersoon:Peter van BreugelTelefoon: 010 - 246 80 38
Het kaartbeeld Hemelhelderheid Overijssel presenteert de lichtsituatie op basis van hemelhelderheid en grote lichtbronnen.Contactpersoon:Arne WilligenburgTelefoon: 038 - 4 999 484
De Hydrotheek bevat publicaties, zowel rapporten als tijdschriftartikelen, op het gebied van hydrologie, aquatische ecologie, water- en afvalwaterbeheer in Nederland.
Organisatie: het bijeenbrengen en beschikbaar stellen is een initiatief van de STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer). De collectie en de database worden onderhouden door de Bibliotheek Wageningen UR.
'IenM in Kaart' biedt een overzicht van projecten en programma's van het ministerie van I&M. Het gaat om projecten en programma's in de planstudie- en realisatiefase.
De basis voor IenM in Kaart is op dit moment het MIRT Projectenboek 2012. In de toekomst wordt IenM in Kaart uitgebreid met meer projecten en programma's.
Op KlimaateffectAtlas wordt ruimtelijke informatie aangeboden over de effecten van klimaatverandering. De huidige demoversie bevat basiskaarten met de effecten op neerslag en temperatuursvariabelen. Ook bevat de website kaarten die een beeld geven van de robuustheid van gebieden voor de gevolgen van klimaatverandering. Organisatie: IPO/de provincies samen met een consortium van kennisinstellingen
Contactpersoon: Hasse Goosen (WUR)
De KlimaatMonitor presenteert gegevens die relevant zijn voor de monitoring van lokaal en regionaal klimaatbeleid. Met deze informatie is het mogelijk voor alle gemeenten, regio's en provincies in Nederland de klimaatvoetafdruk samen te stellen. De klimaatvoetafdruk geeft (bij benadering) de totale uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen per gemeente, provincie en stadsregio weer. Deze gegevens worden gepresenteerd volgens het 'Handboek Monitoring broeikasgasemissies en hernieuwbare energie bij lokale overheden'.
Organisatie: AgentschapNL, in opdracht van het Rijk
Contactpersoon: Gert Nijsink (AgentschapNL – EZ) Telefoon: 088 - 602 26 27
Het Klimaatportaal is de digitale toegangspoort van de Nederlandse kennisinstituten tot actuele kennis over het klimaat. Thema's zijn klimaatverandering, gevolgen, aanpassingsmogelijkheden en mitigatie maatregelen. Het klimaatportaal richt zich op beleidsmakers, bedrijfsleven, belangengroepen, media en publiek.
Organisatie: Platform Communication on Climate Change (PCCC). Dit is een samenwerkingsverband tussen PBL, KNMI, NWO, Wageningen UR, de Vrije Universiteit Amsterdam, ECN en Universiteit Utrecht. Het klimaatportaal wordt ondersteund door het BSIK programma Klimaat voor Ruimte.
Contactpersoon:Ottelien van SteenisTelefoon: 0317 - 48 65 40
Vanaf 1 januari 2011 wordt de database Land Bodem Water niet meer aangevuld. De bestaande collectie blijft wel beschikbaar en doorzoekbaar via de website.
Land, Bodem en Water (LBW) is een literatuurdatabase op het gebied van groene ruimte, duurzaam landgebruik en leefomgeving. Specifieke thema’s zijn bodem, landschap, klimaat, natuur, ecologie, bos, recreatie en water.
Organisatie: Wageningen Universiteit en Researchcentrum
Het Handhavingsportaal biedt nieuws en publicaties aan met betrekking tot het handhaven van de leefomgeving.
Organisatie: Landelijk Overleg Milieuhandhaving
De interactieve website LuchtvaartMilieu.nl geeft een grafische presentatie van vliegprofielen en geluidsgegevens van civiele vliegtuigen. Met de gegevens kunnen o.a. geluidcontouren rond luchthavens worden berekend. Organisatie: Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR)
De website Mijn Leefomgeving presenteert informatie over de leefomgeving van de provincie Gelderland. Voor elke plaats in de provincie kunnen kaarten worden getoond van een groot aantal milieugerelateerde factoren zoals luchtkwaliteit, hemelhelderheid en geluidsoverlast.Organisatie: provincie GelderlandContactpersonen voor monitoringgerelateerde zaken: Gonne Hoogveld (a.hoogveld@gelderland.nl) Bram Boeckhout (a.boeckhout@gelderland.nl)
De digitale milieuatlas is een instrument waarmee inwoners van de regio Stedendriehoek digitaal informatie kunnen ophalen over milieuonderwerpen in hun eigen leefomgeving. Tot op postcodeniveau kan men bekijken wat de stand van zaken is met betrekking tot bijvoorbeeld:
Organisatie: de regio Stedendriehoek bestaat uit de gemeente Apeldoorn, Epe, Zutphen, Deventer, Bummen, Voorst en Lochem. De online Milieuatlas is een initiatief van de gemeenten in de Stedendriehoek in samenwerking met de provincie Gelderland, het ministerie van Infrastructuur & Milieu en het RIVM.
MilieuFocus is een digitaal platform voor milieuprofessionals. Het omvat een nieuwsbrief, vakblad en naslagwerk. Onderwerpen zijn o.a. afval, bodem, ecologie, energie, geluid, geur, lucht, veiligheid/volksgezondheid, water.
Organisatie: MilieuFocus B.V. is onafhankelijk
Het Milieuportaal biedt toegang tot de milieu-informatie van het RIVM. Het richt zich op professionals, zoals beleidsmedewerkers van het ministerie van I&M, van regionale en lokale overheden, GGD-medewerkers en medewerkers van de brandweer.
Organisatie: RIVM
De Monitor Nationale Landschappen bevat indicatoren voor kernkwaliteiten die mede sturend zijn voor de gebiedsontwikkeling in de nationale landschappen. Verder zijn in deze online rapportage indicatoren opgenomen over migratiesaldo, de landschapswaardering en grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in de nationale landschappen. In 2009 werd een nulmeting uitgevoerd en verscheen de Monitor voor het eerst.Organisatie: Planbureau voor de Leefomgeving en Alterra. De Monitor is een onderdeel van het Compendium voor de Leefomgeving.
Online rapportage uit die de feitelijke ruimtelijke ontwikkelingen weergeeft. De 'Monitor Nota Ruimte' schetst aan de hand van een 70-tal indicatoren een beeld van Nederland op ruimtelijk gebied. De indicatoren worden tweejaarlijks geüpdate.
Organisatie: Planbureau voor de Leefomgeving, CBS en Wageningen Universiteit en Researchcentrum
De Monitor Nota Ruimte is een onderdeel van het Compendium voor de Leefomgeving.
Contactpersoon:Johan van der Schuit (PBL)
De website Monitoring Strategische Projecten geeft een overzicht van (de voortgang van) de strategische milieuprojecten (PRISMA-projecten) van IPO. De site bevat in de huidige opzet alleen projecten op de gebieden milieu en water.
Organisatie: IPO
Met het Nationaal Georegister beoogt Geonovum de ontsluiting van alle geo-informatie in Nederland. Daardoor kunnen overheden, bedrijfsleven en burgers op eenvoudige, snelle en gebruiksvriendelijke wijze geo-informatie vinden, raadplegen en gebruiken.
Organisatie: GeoNovum
De Nationale Atlas Volksgezondheid brengt de Nederlandse volksgezondheid en zorg in kaart. De Atlas toont de geografische spreiding van allerlei aspecten omtrent gezondheid, factoren die de gezondheid beïnvloeden, zorg en preventie.
De Noordzeeatlas is een website met thematische kaarten van de Rijksoverheden die een taak hebben op de Noordzee. De kaarten hebben betrekking op het fysieke watersysteem, het gebruik en beleid en beheer.
Organisatie: Informatiehuis MarienOpdrachtgever: North Sea Interdepartmental Consultation Directorate (IDON), een samenwerkingsverband van tien ministeries
De website Omgevingskaart Overijssel presenteert interactieve ruimtelijke informatie over o.a. verkeer en vervoer, milieu, natuur en platteland.
Organisatie: Provincie Overijssel
Op de website is alle bij de DCMR bekende bodeminformatie van panden en percelen in het DCMR-gebied te vinden. Daarbij gaat het om statussen, rapporten en besluiten die betrekking hebben op de beoordeling van bodemverontreiniging en uit te voeren vervolgonderzoek of sanering. Ook zijn gegevens over (ondergrondse) tanks en (historische) bedrijfsactiviteiten te vinden.
Het Open data portaal van de overheid bevat informatie over open overheidsdata en het landelijk register met verwijzingen naar bestaande open datasets. De gegevens zijn openbaar en kunnen vrij worden gebruikt. De beschikbare datasets hebben bijvoorbeeld betrekking op de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), Nationale Parken en criteria voor duurzaam inkopen.
Het doel van het Poratal Natuur en Landschap is het verzamelen van zoveel mogelijk informatie over natuur en landschap op één overzichtelijke plaats.
Het Provinciaal Georegister (PGR) is een online catalogus van de ruimtelijke gegevens van de provincies. Het bevat vooral meta-informatie en richt zich met name op de professionele gebruiker. Het PGR heeft als nationale tegenhanger het Nationaal Georegister en is tevens een bron voor het Nationaal Georegister.
Organisatie: Gemeenschappelijke Beheer Organisatie (GBO) van IPO.
Contactpersoon: Ron Wardenier (provincie Groningen)
De Provinciale Duurzaamheidsmeter geeft een overzicht van de ambities en initiatieven van provincies op het gebied van duurzame ontwikkeling. De inhoud en werkwijze zijn gebaseerd op de Lokale Duurzaamheidsmeter voor gemeenten. Dit instrument bestaat sinds 1999.Organisatie: COS Nederland, de vereniging van centra voor internationale samenwerking
De Provinciemonitor bevat o.a. gegevens over milieu, natuur en water. De monitor geeft een beeld van de effecten van het provinciale beleid. Organisatie: de Provinciemonitor is een gezamenlijk initiatief van de provincies.
Contactpersoon:W. van Duijvenbooden (tot december 2010; geen nieuwe contactpersoon bekend)
Het programma Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK) zorgt via webservices voor ontsluiting van geo-informatie van de overheid. Met PDOK kunnen overheden kosteloos gebruikmaken van elkaars data. De beschikbare data hebben betrekking op uiteenlopende thema’s op het gebied van de leefomgeving, zoals natuur, wegen en hydrologie. Ook zijn topografische kaarten beschikbaar.
Organisatie:PDOK is een samenwerking van de ministeries van I&M en EL&I, het Kadaster en Geonovum.
Organisaties kunnen zich aanmelden voor PDOK via de site van Geonovum.
Engelse naam: Trilateral Monitoring and Assessment Program
Het Trilaterale Monitoring en Assessment Programma TMAP) rapporteert over de ontwikkeling van het ecosysteem Waddenzee en over de status van de implementatie van het trilaterale 'Targets of the Wadden Sea Plan'. De resultaten van deze onderzoeken zijn te vinden op deze website.
Sinds 1 januari 2010 zijn overheden vanuit de Wet Ruimtelijke Ordening verplicht hun ruimtelijke plannen te digitaliseren en te ontsluiten via RO-Online. De website ruimtelijkeplannen.nl biedt toegang tot RO-online.
Op termijn zullen alle ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, structuurvisies en algemene regels die afkomstig zijn van gemeenten, provincies en het rijk, via deze website voor iedereen beschikbaar komen.
Organisaties: Ministerie van I&M, VNG, IPO, Kadaster en GeoNovum
De ScheldeMonitor is een Vlaams-Nederlands kennis- en informatiesysteem voor onderzoek en monitoring in het Schelde-estuarium. Deze website biedt (meta-)informatie over literatuur, projecten en datasets. Ook ontsluit de site meetwaarden en kaartmateriaal.
Organisatie: departement voor Mobiliteit en Openbare werken (Vlaanderen), Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ), Rijkswaterstaat
StatLine is een elektronische databank met statistische gegevens op sociaal, ecomisch en fysiek gebied. Gebruikers kunnen zelf tabellen en grafieken samenstellen.
Organisatie: CBS
Verspreidingsatlas.nl is een naslagwerk met verspreidingskaarten, ecologische informatie en afbeeldingen van duizenden soorten mossen, korstmossen, paddenstoelen en kranswieren die in Nederland voorkomen.
Organisatie: Bryologische en Lichenologische werkgroep, de Nederlandse Mycologische Vereniging en het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren
Vlindernet is een uitgebreide informatiesite over alle in Nederland voorkomende dagvlinders en macronachtvlinders, samengesteld door en onder redactie van De Vlinderstichting en de Werkgroep Vlinderfaunistiek. Van talloze vlindersoorten zijn onder andere de kenmerken, vliegtijden, habitatbeschrijvingen en verspreidingskaartjes terug te vinden. Ook beschikt de site over een groot foto-overzicht. Bezoekers kunnen zelf bijdragen aan de website door bijvoorbeeld waarnemingen door te geven of foto's op te sturen.
De WaddenBarometer geeft met behulp van graadmeters een indicatie van de toestand en de trends in het Waddengebied. De graadmeters hebben betrekking op sociaal, economisch en ecologisch gebied.
Organisatie: InterWad. InterWad werkt in opdracht van de gezamenlijke wadden-overheden. InterWad is organisatorisch als programma ondergebracht bij het Regionaal College Waddengebied (RCW).
WaddenZee.nl is een overheidswebsite die waddeninformatie ontsluit voor zowel de waddenprofessional als het brede publiek. De informatie is gerubriceerd via thema's. De site bevat een actuele nieuwsdienst en geeft ruimte aan opinies via interviews, columns en polls.
Wadwijzer.nl is een online database met (meta-)informatie over archiefmateriaal over de Wadden. Het project brengt informatie bijeen uit uiteenlopende archieven in Nederland. De informatie wordt geordend naar 15 specifieke thema's:
- landaanwinning en bedijking- bestuur- flora, fauna en natuurbeheer- economie- scheepvaart- waterstaat- visserij, inclusief schelpdiervisserij- bevolking en demografie- klimaat en meteorologie- toerisme en recreatie- bodem en delfstoffen- veiligheid- zorg
Organisatie:Wadwijzer.nl is een initiatief van de Waddenacademie, Tresoar (het Fries Historisch en Letterkundig Centrum) en InterWad. Tresoar zal het project de komende jaren verder ontwikkelen in nauwe samenwerking met een klankbordgroep van deskundigen en onderzoekers.
Waterbase is een webapplicatie voor de ontsluiting van een groot deel van de fysische, chemische en enige biologische meetgegevens die in het kader van het programma Monitoring Waterstaatkundige Toestand des Lands (MWTL) zijn verzameld en zijn opgeslagen in de database DONAR (Data Opslag Natte Rijkswaterstaat).
De website Waterbodem.nl bevat informatie over de aanpak van waterbodemonderzoek, verschillende bagger-, transport- en verwerkingsmethoden, subsidiemogelijkheden en automatisering in het onderzoek.
Organisatie: particulier initiatief
Waterland (het Nederlands Water Informatie Netwerk) is een centraal punt voor kennis en informatie over water op het internet. De website is gericht op zowel professionals als particulieren.
Organisatie: Netherlands Water Partnership en Rijkswaterstaat
Zoogdieratlas.nl is de online verspreidingsatlas van zoogdieren. Via de website kunnen verspreidingskaarten worden bekeken en waarnemingen worden doorgegeven. Organisatie: Zoogdiervereniging
Zoogdiergezien.nl is ontwikkeld om op een zo laagdrempelig mogelijke manier waarnemingen van algemene zoogdiersoorten te kunnen doorgeven. Op dit moment richt de site zich op drie algemene, in het wild levende zoogdieren: mol, haas en egel. Tevens kunnen vangsten van kleine zoogdieren door katten worden doorgeven.
De site is een onderdeel van het Zoogdieratlasproject.
Organisatie: Zoogdiervereniging
Op de website Zwemwater.nl is actuele informatie te vinden over controles van openbare zwemlocaties in alle provincies. Daarnaast bevat de site ook andere informatie over zwemwater, zoals aandachtspunten en wet- en regelgeving.
Organisatie: Waterland (Netherlands Water Partnership en Rijkswaterstaat)Zwemwater.nl is een onderdeel van het Water Informatie Netwerk.
Erbij is een uitwisselingsforum voor professionals. Experts op het gebied van milieu-informatie, moderne webtechnologie en meta-informatie standaarden werken hier samen aan het harmoniseren van overheidsinformatie en een verbeterde toegang tot milieu-informatie. Op de webpagina erbij/kwali-tijd werken de Provincies, IPO en het RIVM samen om de kwaliteit van de bodem- en grondwatermeetnetten onderling vergelijkbaar te maken.
RSS: http://www.erbij.nl/erbij_tot_rss.aspTwitter: http://www.twitter.com/erbijErbij op Overheid 2.0: http://www.overheid20.nl/workspaces/index/73/erbij
Het doel van het Expertisenetwerk Bodem en Ondergrond (EBEO) is het bevorderen van de doorstroming van kennis en het creëren van samenhang en samenwerking op het gebied van bodem en ondergrond. Het expertisenetwerk kent drie aandachtsgebieden: een informatiecentrum, opleidingen en trainingen, en een onderwijsprogramma.
Organisatie:Het netwerk is een samenwerkingsverband van de organisaties Agentschap NL/Bodem+ , SKB duurzame ontwikkeling ondergrond en Stichting Infrastructuur en Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB)
GeoBusiness Nederland (GBN) is de branchevereniging van bedrijven in de geo-informatiesector in Nederland.
De ca. 100 aangesloten bedrijven (ingenieursbureaus, adviesbureaus, landmeetkundige bureaus, dataleveranciers, datadienstenleveranciers, systeembouwers en softwareontwikkelaars) leveren producten of diensten op het gebied van geo-informatie, of zijn actief gebruiker van geo-informatie.
Postadres:Postbus 401 3440 AK Woerden
Bezoekadres:Pompmolenlaan 7 Woerden
Het Geomatics Business Park (GBP) is een business en science park voor bedrijven en kennisinstituten die omgevingsinformatie produceren over onze leefomgeving. De basis hiervoor is kennis van processen die zich afspelen op het aardoppervlak. Gebruik van geowetenschappen, aardobservatie en informatietechnologie levert een unieke combinatie op de snel groeiende markt. Monitoring, bijvoorbeeld met luchtfotografie en satellietopnamen, is één van de geboden diensten.
Deelnemende bedrijven:
Het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen is verantwoordelijk voor de registratie en het beheer van meldingen van bedrijfsafvalstoffen en ander gevaarlijk afval in Nederland.
De stichting LMA is door de minister van I&M aangewezen als landelijke meldinstantie en door de twaalf provincies als dienstverlenende organisatie voor het verwerken en distribueren van meldinformatie. LMA heeft de uitvoering uitbesteed aan NL Milieu en Leefomgeving, onderdeel van Agentschap NL (voorheen SenterNovem).
Het Netwerk Groene Bureaus (NGB) is een platform voor ecologische adviesbureaus. Het netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. De leden van het Netwerk Groene Bureaus zijn vooral gespecialiseerd in ecologische advisering op het gebied van inrichting, beheer en beleid. Het netwerk heeft ruim 50 leden.
Organisatie: het NGB is een vereniging.
Het Platform Bodembeheer ondersteunt de kennisoverdracht op het terrein van bodembeheer. Binnen het platform zijn ruim 2000 bodemprofessionals actief, afkomstig van centrale en regionale overheden, maatschappelijke actoren en bedrijfsleven. Het platform organiseert bijeenkomsten voor netwerken en uitwisseling van kennis en ervaring.
De activiteiten van het platform worden aangestuurd door het kernteam:
Linda Maring - linda.maring@deltares.nlMarco Vergeer - m.vergeer@royalhaskoning.comMaartje van Meeteren - m.vanmeeteren@royalhaskoning.com
Organisatie: het platform wordt financieel mogelijk gemaakt door SKB, SIKB en AgentschapNL.
De Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) is een netwerkorganisatie die bedrijfsleven en overheid bij elkaar brengt om samen de kwaliteit van de uitvoering van archeologie en het (water-)bodembeheer te verbeteren.
SIKB richt zich op accreditatie en certificering van marktpartijen en op overheden in hun verschillende rollen als opdrachtgever, beoordelaar en toezichthouder.
Postbus 420
2800 AK Gouda
Groningenweg 10
Telefoon: 0182 - 54 06 75 Fax: 0182 - 54 06 76
De Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem (SKB) draagt zorg voor ontwikkeling en overdracht van bodemkennis. Het betreft kennis die eigenaren en beheerders van percelen en terreinen nodig hebben om de kwaliteit van de bodem in overeenstemming te brengen en houden met het beoogde gebruik. SKB ondersteunt de ontwikkeling en demonstratie van nieuwe vormen van samenwerking, nieuwe aanpakken en technieken voor het verbeteren van de afstemming tussen bodemgebruik en bodemkwaliteit en bevordert een brede acceptatie hiervan in de maatschappij.
Postbus 4202800 AK Gouda
Groningenweg 102803 PV Gouda
Telefoon: 0182 - 54 06 90Fax: 0182 - 54 06 91
De Stichting Landelijk Samenwerkingsverband GBKN is in 1992 opgericht met als doel het stimuleren van de productie van de Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN).
De GBKN is een gedetailleerde topografische kaart. Op deze kaart staan onder andere gebouwen, wegen, bruggen, spoorlijnen, waterlopen, dijken en hoogspanningsmasten aangegeven. De belangrijkste gebruikers zijn leidingbeheerders (gas-, water-, telecommunicatie- en electriciteitsbedrijven, kabelexploitanten), gemeenten, waterschappen en het Kadaster.
Postadres:Postbus 14427301 BR Apeldoorn
Bezoekadres:Hofstraat 1107311 KZ Apeldoorn
Telefoon: 055 - 5285768Fax: 055 - 528 56 05
Stichting LISA is verantwoordelijk voor het werkgelegenheidsdatabestand LISA met gegevens over alle vestigingen in Nederland waar betaald werk wordt verricht. LISA is een basisbestand voor sociaal-economisch en ruimtelijk onderzoek.
Postadres:Postbus 5977500 AN Enschede
Stationsplein 11
7511 JD Enschede
Telefoon: 053 - 482 50 80
Fax: 053 - 482 50 81
Stichting Stimular verspreidt kennis over duurzaam ondernemen. Ook is Stichting Stimular betrokken bij de Milieubarometer. Met de Milieubarometerbenchmark Overheidskantoren kan de Milieuscore en CO2-footprint van kantoren worden bepaald.
Klik hier om naar de barometer te gaan.
De Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG) is de vereniging voor mossen- en korstmossenonderzoek in Nederland.
De BLWG organiseert activiteiten voor leden en publiek waarbij het zoeken en op naam brengen van soorten centraal staat. Daarnaast verzamelt de BLWG verspreidingsgegevens, doet onderzoek, geeft adviezen en voert verschillende meetnetten uit.
BLWG is lid van de Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF).
Contactpersoon:Drs. L.B. SparriusVrijheidslaan 272806 KE Gouda Telefoon: 0182 - 53 87 61
CROW biedt professionals technische en specialistische kennis over infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Dat gebeurt in de vorm van handleidingen, richtlijnen, aanbevelingen en online publicaties. Professionals kunnen ook bij CROW terecht voor instrumenten en methodieken voor beleidsontwikkeling, -voorbereiding en –uitvoering. Deze specialistische kennis wordt ontwikkeld door externe professionals die binnen CROW actief zijn in commissies en werkgroepen.
CROW is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. De naam CROW is oorspronkelijk een afkorting van Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. Die naam dekte de lading niet meer toen CROW steeds meer een platformfunctie kreeg. Sinds 2004 is CROW niet langer een afkorting, maar een eigen naam.
Bezoekadres:Kantoor ‘Bouwstede’Galvanistraat 16716 AE Ede
Postadres:Postbus 376710 BA Ede
Telefoon: 0318 - 69 53 00
Ecomare werkt aan natuurbescherming in Wadden- en Noordzee door voorlichting, educatie en opvang van vogels en zeehonden.
Ecomare maakt onderdeel uit van de Stichting Texels Museum.
Bezoekadres:Ruijslaan 921796 AZ De Koog – TexelTelefoon: 0222 - 31 77 41
EIS-Nederland zet zich in voor een toename van de kennis over en betere bescherming van insecten en andere ongewervelden. Een belangrijk middel hierbij is het beschikbaar maken van kennis over de verspreiding, de ecologie en het beheer van ongewervelden. Hiervoor wordt samengewerkt met een vijftigtal werkgroepen. Elk van deze werkgroepen is gericht op een specifieke diergroep variërend van libellen tot pissebedden. Voor verschillende diergroepen zijn verspreidingsatlassen uitgebracht.
Voor veel diergroepen wordt samengewerkt met verschillende andere organisaties (zie gerelateerde items onderaan deze pagina). EIS-Nederland werkt samen met verwante organisaties in de VOFF (VeldOnderzoek Flora en Fauna) en het PSO (Platform Soortbeschermende Organisaties).
Bureau EIS-Nederland is gevestigd in het museum Naturalis.
Bezoekadres:EIS-Nederlandvan SteenisgebouwEinsteinweg 22300 RA Leiden
Postadres:EIS-Nederlandvan SteenisgebouwPostbus 9517 2300 RA Leiden
Telefoon: 071 - 56 87 67 0
De belangrijkste activiteit van FLORON is het coördineren, stimuleren en ondersteunen van vrijwillige floristen die landelijke telprojecten voor planten uitvoeren. Vrijwilligers richten zich voornamelijk op inventariseren en 'monitoren' van planten.
FLORON verwerkt de verzamelde waarnemingen van alle vrijwilligers in de landelijke floradatabank die zij beheert en verwerkt aanvragen van gegevens uit de floradatabank. De gegevens uit de floradatabank worden momenteel bewerkt voor publicatie in een atlas.
FLORON werkt samen met de Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF)
Telefoon: 024 - 74 105 73
Geo-Informatie Nederland (GIN) is een ontmoetingsplaats en kennisnetwerk voor iedereen die zich professioneel bezighoudt met geo-informatie. GIN organiseert daartoe activiteiten ter ontplooiing van de individuele leden en ter versterking van de positie van het vakgebied 'geo-informatie' in de maatschappij.
Telefoon: 033 - 247 34 15
Het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg is een provinciale vrijwilligersvereniging met als kerntaak natuuronderzoek in de provincie Limburg. Onder de activiteiten vallen ook dataverzameling en monitoring.
Telefoon: 0475 - 386 470
Natuurmonumenten is een onafhankelijke vereniging die natuur, landschap en cultuurhistorie beschermt door gebieden aan te kopen en te beheren.
Het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) doet ecologisch onderzoek in de zee, op het land en in het zoete water.
Telefoon: 0317 - 47 34 00
De Nederlandse Entomologische Vereniging (NEV) houdt zich bezig met het bestuderen en inventariseren van insecten, spinachtigen en duizend- en miljoenpoten.
Telefoon: 06 - 524 78 339
De Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV) is een Particuliere Gegevensbeherende Organisatie (PGO). Zij heeft als doel de kennis van schimmels en zwammen te bevorderen.
Eén van de activiteiten van de NMV is het Meetnet Paddenstoelen. Dit meetnet maakt onderdeel uit van het Netwerk Ecologische Monitoring.
Op dit moment telt de NMV bijna 800 leden, die zich op verschillend niveau - beginner of gevorderd, als amateur of professioneel - met de mycologie bezig houden.
De NMV is lid van de Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF).
Telefoon: 030 - 212 2694
De Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie (NVL) stimuleert de studie en bescherming van de libellensoorten die in Nederland voor komen. Hierbij werkt de NVL samen met een aantal andere natuurbeschermingsorganisaties, zoals de Vlinderstichting en EIS-Nederland. Ook kent de NVL een aantal provinciale- en regionale Libellenwerkgroepen in Nederland.
De Nederlandse Zeevogelgroep heeft als doel het stimuleren van zeevogelonderzoek door geïnteresseerden en professionals samen, door middel van het uitwisselen van informatie, coördinatie van activiteiten, en het organiseren van bijeenkomsten.
De NZG is een Sectie van de Nederlandse Ornithologische Unie (NOU).
Telefoon: 0222 - 310 422
RAVON is een onderzoeks- en kennisorganisatie op het gebied van amfibieën, reptielen en vissen. Een belangrijk deel van het werk wordt uitgevoerd door vrijwilligers, onder coördinatie van een professionele staf. Werkzaamheden zijn: soortenbescherming, ecologisch onderzoek, inventarisatie en monitoring. RAVON coördineert drie meetnetten: het Meetnet Reptielen, het Meetnet Amfibieën en het Meetnet Beek- en Poldervissen
RAVON is lid van de Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF).
Telefoon: 024 - 741 06 00
De vereniging SOVON Vogelonderzoek Nederland (kortweg SOVON) organiseert landelijke vogeltellingen en voert onderzoek uit ten behoeve van beheer, beleid en wetenschap. De tellingen worden uitgevoerd door ruim 7.000 waarnemers en gecoördineerd door een professionele staf.
Naast de coördinatie van de monitoring van de vogelstand voert SOVON onderzoek uit om de gesignaleerde ontwikkelingen in de vogelstand te verklaren.
Bezoek- en postadres:Mercatorgebouw IIIToernooiveld 16525 ED Nijmegen
Telefoon: 024 - 7 410 410
Sportvisserij Nederland is een vereniging die via regionale federaties en 1.000 lokale hengelsportverenigingen ruim 400.000 aangesloten sportvissers overkoepelt. Nationaal en internationaal vertegenwoordigt Sportvisserij Nederland de Nederlandse sportvisserij. Directe leden van Sportvisserij Nederland zijn de 9 regionale hengelsportfederaties en de landelijke specialistenorganisaties van vliegvissers (VNV), snoekvissers (SNB) en karpervissers (KSN).
Sportvisserij Nederland verzameld samen met STOWA bij een groot aantal bronhouders, waaronder waterschappen, provincies en hengelsportfederaties, gegevens voor de database Limnodata Neerlandica. Deze bevat waarnemingen van planten en dieren in de Nederlandse oppervlaktewateren.
ANEMOON staat voor: ANalyse, Educatie en Marien Oecologisch ONderzoek. De stichting, opgericht in 1993, vergaart gegevens over flora en fauna in het kustgebied, verwerkt en analyseert deze en brengt kennis en informatie weer naar buiten via rapportages, een website en allerlei educatief materiaal.
ANEMOON inventariseert de flora en fauna in het kustgebied en onderzoekt dijktaluds, pontons en het aanspoelsel op het strand. De wereld ónder water krijgt, met de hulp van veel sportduikers, aandacht via het Monitoringproject Onderwater Oever (MOO). Wekelijks observeren vele tientallen sportduikers de zeeanemonen, poliepen, kwallen, krabben, weekdieren, kreeften en vissen.
Stichting De Noordzee is een onafhankelijke natuur- en milieuorganisatie die zich inzet voor een duurzaam gebruik van de Noordzee en een gezonde zee vol vis, dolfijnen en ander leven. De speerpunten van de stichting zijn scheepvaart, duurzame visserij, ruimtegebruik op zee, (groene) energie en beschermde gebieden.
Stichting de Noordzee monitort scheepswrakken en publiceert kaarten met betrekking tot windpotentie, zonering en zeeafval.
Post- en bezoekadres: Drieharingstraat 25 3511 BH Utrecht Telefoon: 030 - 234 00 16 Fax: 030 - 230 28 30
Stichting Natuurinformatie ontwikkelt websites over natuur en bevordert de ontwikkeling en toepassing van informatie- en communicatietechnologie rond het thema natuur. Hierbij streeft zij naar openbaarheid van natuurdata waar dit mogelijk en verantwoord is. Een bekend voorbeeld van een door Natuurinformatie ontwikkelde website is Waarneming.nl, de centrale en openbare website voor alle natuurwaarnemingen in Nederland.
Stichting Probos voert op eigen initiatief en in opdracht van anderen projecten uit met het oog op een zorgvuldige afweging van belangen en een gezonde financieringsbasis van het (Nederlandse) bos. Dienstverlening, onderzoek, ontwikkeling en voorlichting zijn hierbij de kernactiviteiten.
'Bosdata' is één van de werkvelden van Probos. In dit verband werkt Probos aan een betere informatievoorziening voor het bos- en natuurbeheer door een doelmatige inzet van Informatie- en Communicatie Technologie (ICT). De werkzaamheden variëren van eenvoudige informatieanalyses tot het bouwen van ingewikkelde geografische systemen en het ontwerpen van complete meetnetten en internetsites.
Sitchting Rugvin voert onderzoek uit gericht op soortendiversiteit, populatiedynamica en gedrag van walvisachtigen (cetaceeën) in de Noordzee. De stichting monitort walvisachtigen door middel van systematische waarnemingen op zee. De stichting communiceert vervolgens via voorlichting en educatie over de gevonden data.
De stichting coördineert het meetnet 'Bruinvis monitoring Oosterschelde' en het meetnet 'Monitoring Walvisachtigen'.
Organisatie: het onderzoek van de stichting wordt mogelijk gemaakt door WNF Nederland en Stena Line.
Stichting TINEA heeft tot doel het bevorderen van kennis over aantallen en verspreiding van de in Nederland gevonden soorten Kleine vlinders. TINEA is een vrijwilligersorganisatie.
Stichting TINEA is lid van de Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF) en werkt tevens nauw samen met de Gegevensautoriteit Natuur (GaN).
De Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF) is het samenwerkingsverband van tien Particuliere Gegevensbeherende Organisaties, de PGO’s. Deze PGO’s verzamelen gegevens van alle in Nederland voorkomende soorten planten en dieren. Daaronder vallen bekende soortgroepen als planten, vogels, vlinders, paddestoelen en zoogdieren, maar ook amfibieën, reptielen, vissen en allerlei groepen ongewervelden. Vrijwilligers verzamelen het grootste deel van de gegevens, ondersteund door een (professionele) staf. Deze gegevens en waarnemingen worden geleverd aan de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
Contact:Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF) Erasmusplein 1, kamer 18.036525 HT Nijmegen
Postadres:Postbus 90106500 GL Nijmegen Bezoek:Toernooiveld 16525 ED NijmegenTelefoon: 024 - 36 52 35 3
Het IVN is een vereniging van vrijwilligers en beroepskrachten die streeft naar meer natuur en een betere kwaliteit van het milieu. Verspreid over Nederland heeft het IVN ruim 170 afdelingen. Ongeveer 16.000 leden zetten zich actief in voor natuur en milieu, door middel van voorlichtende en educatieve activiteiten.
Sommige lokale afdelingen hebben een werkgroep ‘Monitoring/Inventarisaties’.
Bezoekadres:Plantage Middenlaan 2cAmsterdam
Telefoon: 020 - 622 8115
De Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN) heeft als doel kennis over vleermuizen te bevorderen en houdt zich o.a. bezig met monitoring en verspreidingsonderzoek. De leden van de VLEN zijn zowel amateurs als professionals die zich met vleermuisonderzoek bezig houden.
Organisatie: De VLEN is in 1999 opgericht als uitwerking van het Vleermuis Atlas Project, Stichting Vleermuisonderzoek en Stichting Vleermuis Bureau.
De Vlinderstichting is een natuurbeschermingsorganisatie die zich sterk maakt voor het behoud en herstel van vlinders en libellen in Nederland en Europa. Door gericht onderzoek, monitoring en het geven van adviezen zet de Vlinderstichting zich in voor vlinders en libellen.
De Vlinderstichting werkt vaak samen met of in opdracht van anderen, bijvoorbeeld Vereniging Natuurmonumenten, CBS, RIVM, provinciale landschappen, ministerie van EL&I, provincies en gemeenten.
De Vlinderstichting is lid van de Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF) en levert bijdragen aan het Landelijk Meetnet Vlinders en het Landelijk Meetnet Libellen.
Het Willem Beijerinck Biologisch Station doet onderzoek naar de stand van de loopkevers in Nederland. De soortensamenstelling en gemiddelde grootte zijn namelijk een afspiegeling van de grondsoort en de kwaliteit van deze grond. Monitoring van loopkevers is derhalve zinvol vanwege de indicatieve waarde van de gegevens.
De Zoogdiervereniging zet zich in voor de studie en de bescherming van alle in het wild levende zoogdieren en hun leefgebieden.
De Zoogdiervereniging is deelnemer aan het Netwerk Ecologische Monitoring van de rijksoverheid en voert in dit kader tellingen uit van vleermuizen in winterslaap en, in samenwerking met SOVON Vogelonderzoek, van zoogdieren die overdag actief zijn. Op eigen initiatief werkt de vereniging al enkele jaren aan het landelijk Verspreidingsonderzoek Nederlandse Zoogdieren (VONZ).
De oude naam van de Zoogdiervereniging is 'Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming' (VZZ).De Zoogdiervereniging participeert in de Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF).
Bezoekadres:Gebouw Mercator IIIToernooiveld 16525 ED Nijmegen
Postadres:Postbus 65316503 GA Nijmegen
Telefoon: 024 - 741 05 00
3dTransition is onderdeel van LatourAdvies B.V. 3dTransition zorgt voor inspirerende monitoringrapportages.
Post- en bezoekadres:3dTransitionBas Backerlaan 57316 DX Apeldoorn
Telefoon: 055 - 53 43 870
Altenburg & Wymenga (A&W) is een onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau op het gebied van ecologie en verwante thema’s als water, natuurbeheer en ruimtelijke inrichting. Het bedrijf opereert in geheel Nederland en deels daarbuiten. Eigen veldonderzoek en data-analyse zijn belangrijke bronnen voor inspiratie en kennisopbouw.
Alterra is het kennisinstituut voor de groene leefomgeving en maakt deel uit van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. Alterra bundelt expertise op het gebied van groene ruimte en duurzaam maatschappelijk gebruik o.a. water, landschap en recreatie. Alterra verricht strategisch en toegepast onderzoek ten behoeve van beleid, beheer en ontwerpen van de groene ruimte op lokale, regionale, nationale en internationale schaal.
Postadres Postbus 47 6700 AA Wageningen
Bezoekadres Gebouw 100 + 101 Droevendaalsesteeg 3 6708 PB Wageningen
Telefoon: 03 17 - 48 07 00 Fax: 03 17 - 41 90 00
De BodemOnderZoeker BV is een bedrijf dat is gespecialiseerd in de uitvoering van 1e fase onderzoeken en keuringen van zeer diverse aard. Het doet onder andere bodemonderzoek, alle vormen van bouwstoffenonderzoek inclusief onderzoek naar asbest in grond en puin, waterbodemonderzoek, asbestonderzoek. Daarnaast voeren we allerlei monitoringen uit, tot aan afvalwater toe, en is het bedrijf toegelaten als milieukundig begeleider van saneringen. Hierbij is de kern van het werk vooral verificatie en evaluatie.Tenslotte is er een specialist in dienst die onder andere herbeoordeling van rapportages van derden en (contra-)expertisewerk uitvoert in opdracht van derden. Dit meestal terzake van juridische geschilen.
Post- en bezoekadres:De BodemOnderZoeker B.V.Keetweg 11 - 134341 BJ Arnemuiden
CSO Adviesbureau voor Milieu, Ruimte en Water is een bureau dat zich specialiseert in het duurzaam oplossen van milieuvraagstukken van bedrijfsleven, overheden en andere instellingen. Het gaat daarbij onder andere om onderzoek en advies en ontwikkeling en toepassing van software. Ook ondersteunt het overheden bij totstandkoming, uitvoering en evaluatie van beleid.
CSO is onderdeel van Karnel Environmental Services.
dBvision werkt aan de aanpak van geluidhinder en luchtverontreiniging met behulp van door het bedrijf ontwikkelde GIS-systemen.
De Heer & Co. is een communicatiebureau met inhoudelijke deskundigheid op het terrein van natuur en leefomgeving. De Heer & Co. werkt voor overheden, onderzoeksinstellingen, maatschappelijke organisaties en bedrijven op nationaal, maar ook op Europees niveau.
Contactpersoon: Mireille de Heer
De Heer & Co.Boothstraat 1C3512 BT Utrecht
Telefoon: 030 - 275 1326
Ingenieursbureau DGMR levert diensten en producten ter verbetering van de leef-, woon- en werkomgeving. Expertisevelden zijn gezondheid, veiligheid en duurzaamheid.
Gemeenten en provincies spelen een belangrijke rol bij het terugdringen van de CO2-uitstoot. DWA ondersteunt hen beleidsmatig, inhoudelijk en procesmatig bij het formuleren van realiseerbare ambities met betrekking tot klimaatbeleid én het daadwerkelijk waarmaken van deze ambities. DWA heeft hiervoor onder andere de CO2-monitor ontwikkeld, een instrument om resultaten van gemeentelijk en provinciaal klimaatbeleid weer te geven.
Contactpersoon: Wilfred van der Plas
Ecofys is een onderzoek- en adviesbureau voor energiebesparing en duurzame energietoepassingen.
Postadres:Postbus 84083503 RK Utrecht
Bezoekadres:Kanaalweg 16-G 3526 KL Utrecht
Telefoon: 030 - 280 83 00
EMAIL Milieubeleidsadvies assisteert nationale en internationale overheidsorganisaties bij het opzetten en verbeteren van het milieubeleid. Monitoring is daar een integraal onderdeel van.
Op internationaal niveau zijn verschillende projecten uitgevoerd voor de Europese Commissie (DG Eurostat) inzake milieudruk indicatoren, indicatoren voor integratie van milieu in sectoraal beleid, kwaliteitsprofielen (meta-informatie), en het stroomlijnen van verschillende Europese indicator sets. Verder is geasssisteerd bij het opzetten van monitoringsystemen in Palestina, Servie en Kosovo.
Postadres:Postbus 30102301 DA Leiden
ICON PROJECTS is een adviesbureau voor beleids- en kennis-ontwikkeling voor omgevingsbeleid. Het bureau richt zicht op alle aspecten van de leefbaarheid en duurzaamheid van de leefomgeving.
Contactpersoon: John van Grunsven
Post- en bezoekadres:ICON PROJECTSAmbachtsweg 4 H-Bis3953 BZ Maarsbergen
Telefoon: 0343 - 43 73 89
Infoplan BV is een adviesbureau dat sinds 1986 werkt aan informatie- en organisatieprojecten voor landelijke, provinciale en regionale overheden en voor planbureaus en onderzoekinstituten. Specifiek op het gebied van monitoring voert Infoplan studies uit en ontwikkelt Infoplan monitoringsystemen op het gebied van milieu, water, natuur, landschap en leefomgeving. Postadres:Postbus 1404140 AC LeerdamTelefoon: 0345 - 54 84 84
Infoplan BV is een adviesbureau dat sinds 1986 werkt aan informatie- en organisatieprojecten voor landelijke, provinciale en regionale overheden en voor planbureaus en onderzoekinstituten. Specifiek op het gebied van monitoring voert Infoplan studies uit en ontwikkelt Infoplan monitoringsystemen op het gebied van milieu, water, natuur, landschap en leefomgeving.
Postadres:Postbus 1404140 AC LeerdamTelefoon: 0345 - 54 84 84
KEMA is van oorsprong het keuringsinstituut voor de Nederlandse elektriciteitssector. Inmiddels is KEMA echter uitgegroeid tot een internationaal onderzoeks- en adviesbureau op het gebied van risico's en minimaliseren van risico's. Daarnaast leveren de adviseurs technische oplossingen en strategisch advies op het gebied van energie.
Postadres:Postbus 90356800 ET Arnhem
Bezoekadres:Business Park Arnhem Utrechtseweg 310 6812 AR ArnhemTelefoon: 026 - 356 91 11
KplusV ondersteunt overheid en bedrijfsleven in het ontwikkelen, uitwerken en implementeren van een visie op duurzaamheid in brede zin. Onderliggende thema's zijn o.a. afval, klimaat, energie en ontwikkeling en beheer van de openbare ruimte.
Contactpersonen voor de thema's klimaat, afval en ruimte:
drs. H.G. (Henk) Mogezomp
drs. ir. A.D. (Aiko) Klein
Telefoon: 026 – 355 13 55
Fax: 026 – 355 13 99
Mitec Advies B.V. is een onafhankelijk milieukundig adviesbureau. Mitec is o.a. actief op het gebied van onderzoek aan en monitoring van de bodem.
PricewaterhouseCoopers Nederland is een zelfstandig onderdeel van een wereldwijd netwerk in 149 landen. In Nederland zijn meer dan 15 kantoren gevestigd. Zij ontwikkelen diensten en oplossingen voor ondernemings- en sectorvraagstukken. Oplossingen op het gebied van accountancy, belastingen en HR. Ook over prestatieverbetering, risicomanagement, fraudezaken of verbetering van IT-processen geven zij advies.
Er zijn 17 kantoren in Nederland, te vinden via de website.
De kernactiviteiten van het ingenieursbureau Pro Monitoring BV betreffen luchtmetingen en advies. Pro Monitoring verricht onder andere onderzoek bij afvalverbrandingsinstallaties (afval-, slib- en houtverbranding), slibdrogers, asfaltinstallaties, voedselindustrie, de metaalverwerkende industrie. Het bureau werkt ook voor provincies en gemeenten.
SGBO is een onderzoeks- en adviesbureau voor bestuurs- en organisatievraagstukken.
SGBO maakt deel uit van de BMC groep.
Postadres:Postbus 102422501 HE Den Haag
Bezoekadres:Sophialaan 10 Den Haag
Telefoon: 070 - 373 83 57
Fax: 070 - 363 93 45
Telos levert als een onafhankelijk kenniscentrum een bijdrage aan duurzame ontwikkeling in Brabant. Telos ontwikkelt en ontsluit kennis over duurzaamheid ten behoeve van innovaties en veranderingsprocessen.
TTE Consultants is een adviesbureau op het gebied van klimaat, ruimtelijke ordening en milieu.
Veldapps is een bedrijf dat web-applicaties levert voor de smartphone. De applicaties kunnen gebruikt worden in het veld voor bijvoorbeeld bodemonderzoek.
Adviesbureau Witteveen+Bos biedt adviezen en ontwerpen op het gebied van water, infrastructuur, ruimte, milieu en bouw.
Contactgegevens:Van Twickelostraat 2Postbus 2337400 AE DeventerTelefoon: 0570 - 69 79 11
Begeleiding van het jaarlijks terugkerende onderzoek van PriceWaterhouseCoopers naar fluorhoudende gassen. Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. AgentschapNL coördineert de begeleiding.
Participerende organisaties: AgentschapNL, PWC, PBL /ERVoorzittende organisatie: AgentschapNL
De begeleidingscommissie Landelijk Afvalbeheerplan 2002-2012 (LAP) stelt vierjaarlijks het afvalbeheersplan op waarin het beleid moet zijn vastgelegd voor het beheer van alle afvalstoffen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is.
Voorzittende organisatie: AgentschapNL/ Uitvoering AfvalbeheerSecretaris: Marco Kraakman van AgentschapNL
Diverse organisaties hebben zitting in de commissie en adviseren aan de ministeries van EL&I en I&M over inhoudelijke, organisatorische en financiële aspecten van het LMM. Klik hier voor meer informatie over het LMM. Participerende organisaties: I&M/DGM, EL&I, RIVM, LEI, PBLVoorzittende organisatie: DGM/BWLVoorzitter: Rinske van Tol
Websites:
LMM-website RIVM (o.a. over monsterneming en ontwikkeling grondwaterkwaliteit)
LMM-website LEI (o.a. over mestgebruik, stikstofbodemoverschotten en Bedrijven-InformatieNet)
De begeleidingscommissie Limnodata richt zich op de kwaliteitszorg voor het Limnodatasysteem, de identificatie van meetpunten en de definitie van watertypen.
Participerende organisaties: Waterschappen, de Waterdienst, STOWA, PBL
DGM heeft aangeboden om de provinciale monitoring te bundelen en onder te brengen bij het RIVM, zodat uniformering van monitoring mogelijk is. DGM heeft verder aangeboden (het zogenaamde DGM bod) voor financiering van deze monitoring zorg te dragen, wanneer de provincies de (provinciale) monitoring onderbrengen bij het RIVM.
Het rapport Inventarisatie DGM-bod is inmiddels opgeleverd. Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over een eventueel vervolg.
De Begeleidingsgroep Mariene EHS brengt gegevens in beeld over de zoutwaterecologie in de EHS.Participerende organisaties: EL&I, PBL en andere organisatiesVoorzittende organisatie: EL&IVoorzitter: V. van der Meij
De Begeleidingsgroep Populatiekaart draagt zorg voor scanning en scouting van gegevens over ammoniak.
Participerende organisaties: Ministerie van I&M, RIVM
De Beheercommissie NNM is als zodanig opgehouden te bestaan en opgegaan in de Werkgroep LuchtkwaliteitsModellen (WLM).
Deze commissie heeft tot taak een nieuw Nationaal Model Lucht te ontwikkelen. Dit model zal gericht zijn op de luchtkwaliteit in de bebouwde kom.Participerende organisaties: PBL, TNO, KEMA, I&M
Dit overleg begeleidt het proces van de totstandkoming van de electronische milieujaarverslagen.
Participerende organisaties: PBL, I&M, FO Industrie, Dienst Regelingen, Infomil, AgentschapNLVoorzittende organisatie: PBLVoorzitter: Wim van der Maas
De BodemOntwikkelGroep (BOOG) is het IPO Vakberaad Bodem: het overleg tussen de bodemmanagers van de 12 provincies. Onder BOOG vallen de vakgroepen Bodembescherming en Bodemsanering en het Juristenoverleg Bodem. Aan deze vakgroepen nemen inhoudelijk deskundigen van de provincies deel.
Contactpersoon:
Astrid Roenhorst
Telefoon: 073 - 681 22 54
De Brede Overleg- en Adviesgroep Landelijk Gebied (BALG) van het IPO draagt zorg voor afstemming van plankaarten. Tevens is de BALG verantwoordelijk voor het vierjaarlijks laten opstellen van de provinciale verdrogingskaarten.
Participerende organisaties: provinciesVoorzittende organisatie: provincie Noord-Brabant
Voorzitter: mw. H.M.H. Bloem
Mw. H.M.H. Bloem (voorzitter)
Telefoon: 073 - 680 81 73
De Brede Overleg en Adviesgroep Milieu (BOAG-M) is een IPO-overleg op ambtelijk niveau. Deze groep adviseert de IPO-adviescommissie Milieu over beleidsontwikkeling, -implementatie en -uitvoering op het gebied van provinciale milieuvraagstukken. Participerende organisaties: provinciesVoorzittende organisatie: provincie GelderlandVoorzitter: Johan Janssen
De Brede Overleg en Adviesgroep Milieu (BOAG-M) is een IPO-overleg op ambtelijk niveau. Deze groep adviseert de IPO-adviescommissie Milieu over beleidsontwikkeling, -implementatie en -uitvoering op het gebied van provinciale milieuvraagstukken.
De Brede Overleg- en Adviesgroep Water (BOAG-W) is een IPO-overleg op ambtelijk niveau. Dit overleg adviseert de IPO-adviescommissie Water over beleidsontwikkeling, -implementatie en -uitvoering op het gebied van provinciale watervraagstukken. Participerende organisaties: provinciesVoorzittende organisatie: provincie ZeelandVoorzitter: G.H.F. TimmermansContactpersoon:Hugo van de Baan (IPO)
De Brede Overleg- en Adviesgroep Water (BOAG-W) is een IPO-overleg op ambtelijk niveau. Dit overleg adviseert de IPO-adviescommissie Water over beleidsontwikkeling, -implementatie en -uitvoering op het gebied van provinciale watervraagstukken.
Het LBOW Cluster Monitoring Rapportage en Evaluatie (CMRE) ontwikkelt standaarden voor gegevensverzameling, monitoring, rapportage en evaluatie van het waterbeheer. Daarnaast rapporteert het over de uitvoering van het waterbeleid. Alle publicaties van dit cluster treft u aan op de website van de helpdesk water.
Voorzittende organisatie: RijkswaterstaatSecretaris: Aleid Mansholt
Het DINOLoket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland.
Het DINO Gebruikersoverleg is bedoeld om de functionaliteiten van het DINO-systeem aan te sluiten op de wensen van de gebruikers van het systeem.
Het Directeurenoverleg Water in onderstaande vorm is opgeheven.
Het PBL ontwikkelt samen met Deltares, Alterra, het WL en de Waterdienst een nieuw geïntegreerd hydrologisch model, het NHMi. Hierdoor kan de nu veelal verspreid aanwezige kennis zo optimaal mogelijk gebruikt worden en zijn landelijke beleidsanalyses mogelijk.
Het Directeurenoverleg Water keurt projectplannen voor het NHMi goed en draagt zorg voor de financiering.
Participerende organisaties: TNO, de Waterdienst, Alterra, PBL, WL, STOWAVoorzittende organisatie: de Waterdienst
De ER Taakgroep Enina richt zich op het inventariseren en in kaart brengen van de emissies van Energie, Industrie, Raffinaderijen en Afvalverwerking. Deze gegevens worden opgenomen in de Emissieregistratie en omvatten gegevens van de uitstoot van verontreinigende stoffen naar lucht, water en bodem.
Participerende organisaties: PBL, TNO, CBS, de Waterdienst, Uitvoering afvalbeheer, Agentschap NL, Faciliterende organisatie (FO) IndustrieVoorzittende organisatie: PBLVoorzitter: Wim van der Maas
De Emissieregistratie (ER) wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. De taakgroep Methodiekontwikkeling Wateremissies (MEWAT) stelt de emissies van de diverse doelgroepen naar water vast.
Participerende organisaties: RWS, de Waterdienst, CBS, PBL, TNO
De Emissieregistratie (ER) wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M.
In de Taakgroep Verkeer en Vervoer worden de emissies naar bodem, water en naar lucht vastgesteld uit verkeer en vervoer (luchtvaart, scheepvaart en wegverkeer).
Participerende organisaties: TNO, PBL, AVV, CBS en de WaterdienstVoorzittende organisatie: PBLVoorzitter: Gerben Geilenkirchen
De Emissieregistratie (ER) wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. In de taakgroep overige bronnen (WESP) worden de emissies door productgebruik (consumenten) vastgesteld, evenals de emissies uit de doelgroep handel, diensten en overheid (HDO).Participerende organisaties: PBL, TNO en CBSVoorzittende organisatie: TNOVoorzitter: Peter Koene
De Emissieregistratie (ER) wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. De Trendanalysedag draagt jaarlijks zorg voor het analyseren en vaststellen van de trends alsmede het controleren van de gegevens.
Participerende organisaties: ER, PBL, de Waterdienst, RIVM en LEIVoorzittende organisatie: EmissieregistratieVoorzitter: Paul Ruyssenaars
De EmissieRegistratie (ER) wordt uitgevoerd in opdracht van de ministeries van I&M en EL&I. In de Werkgroep Landbouw en Landgebruik worden de emissies naar bodem, water en naar lucht vastgesteld. Daarnaast vindt afstemming plaats over de gehanteerde methodieken en het gebruik en de beschikbaarheid van de basisgegevens.
Participerende organisaties: PBL, LEI, Alterra, CBS, Directie Kennis, TNO en de Waterdienst
Het Expertise Netwerk Bodem en Ondergrond werkt aan meer samenhang en samenwerking in het overbrengen van kennis over bodem en ondergrond.
Het Netwerk is een samenwerkingsverband van Bodem+, SKB, SIKB en Centrum voor Ondergronds Bouwen (COB).
De Gebruikersgroep Nationaal Wegen Bestand (NWB) richt zich op afstemming van het NWB op de wensen van gebruikers.
Participerende organisaties: Alle gebruikers van het NWBVoorzittende organisatie: DID
De Gebruikersraad Kadaster adviseert de Raad van Bestuur van het Kadaster omtrent de kwaliteit en doelmatigheid van de dienstverlening en tarieven van het Kadaster.
Participerende organisaties: Klantengroepen waaronder notariaat, makelaardij, gemeenten, ministeries, provincies, waterschappen, hypothecair financiers, geo-bedrijfsleven en consumentenVoorzitter: dhr. F. Wilmink Plv. voorzitter: dhr. M. Zonnevylle Zie voor meer informatie het jaarverslag van het Kadaster op de onderstaande website.
Participerende organisaties: Klantengroepen waaronder notariaat, makelaardij, gemeenten, ministeries, provincies, waterschappen, hypothecair financiers, geo-bedrijfsleven en consumentenVoorzitter: dhr. F. Wilmink
Plv. voorzitter: dhr. M. Zonnevylle
Zie voor meer informatie het jaarverslag van het Kadaster op de onderstaande website.
Platform voor gebieds- en systeemgericht grondwaterbeheer.
Contactpersoon:Ebel Smidt
IMPEL staat voor: European Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law
IMPEL is een internationale non-profit vereniging van milieuinstanties in de lidstaten en kandidaat-lidstaten van de Europese Unie en EEA landen.
Het Implementatieteam Besluit Bodemkwaliteit heeft tot doel: afstemmen communicatie, inventariseren en vertalen signalen, adviseren opdrachtgever over beleidsmatige zaken, aansturen monitoring en oppakken uitvoeringsknelpunten.
Voorzittende organisatie: I&M/Bodem+Voorzitter: Marc Pruijn
Contactpersoon:Michiel Gadella (secretaris; Agentschap NL)Telefoon: 06 - 4571 7396
De IAWM houdt zich inhoudelijk bezig met inventarisaties en monitoring van natuur en landschap. Zij is gesprekspartner vanuit de gezamenlijke provincies voor het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), de Gegevensautoriteit Natuur (GaN) en soms projecten van Alterra. Het gaat vooral om onderlinge afstemming en uitwisseling van kennis en ervaringen.
Voorzitter en contactpersoon: Joop Smittenberg (provincie Drenthe)
IOG-Geo is het IPO vakberaad voor geo-informatie. Het treedt op als adviseur voor provincies en namens provincies. Ook voert IOG-Geo zelf projecten uit.
Postadres:Postbus 161072500 BC Den Haag
Bezoekadres:Muzenstraat 612511 WB Den Haag
Deze commissie heeft tot taak het IPO-bestuur te adviseren over (inter)provinciaal beleid op het gebied van milieu.
Participerende organisaties: provincies (bestuurlijk)Voorzittende organisatie: provincie Zuid-HollandVoorzitter: F.D. van Heijningen
De Kerngroep Europees Milieubeleid (IPO-KEM) houdt het overzicht van prioritaire dossiers bij op het gebied van Europese milieuregelgeving. In de zogenoemde IPO-KEM-KMR matrix wordt per dossier aangegeven wat de stand van zaken is, wie erbij betrokken zijn en wat de interprovinciale inzet is. Het overzicht bevat ook een aantal dossiers die niet tot regelgeving, maar tot een Europees activiteitenprogramma leiden. De matrix wordt vier keer per jaar geactualiseerd.
De werkzaamheden van IPO-KEM zijn opgenomen in het werkplan KEM.Downloads:
Contactpersonen:
De IPO Kerngroep Milieuregelgeving (IPO-KMR) houdt een overzicht bij van de (ontwikkeling van) milieuregelgeving in Nederland. In de IPO-KEM-KMR matrix wordt aangegeven wat de stand van zaken is van een actueel (prioritair) dossier, wie erbij betrokken zijn en wat de interprovinciale inzet is. De prioritaire dossiers zijn aangewezen door de managers en bestuurders van de provincies (in BOAG's en Adviescommissies). De KEM-KMR matrix wordt drie keer per jaar geactualiseerd.
Downloads:
Het vakberaad adviseert het BOAG Milieu over provinciale milieubeleidsontwikkeling, -implementatie en -uitvoering in het stedelijk gebied.
Participerende organisaties: Provincies
In de Werkgroep Lucht vindt uitwisseling van informatie plaats over het provinciale luchtbeleid, luchtkwaliteit, vergunningen en handhaving.
Deze klankbordgroep ondersteunt het project Bodeminformatiebeheer bij belangrijke keuzes rond prioritering en urgentie. Bodeminformatiebeheer wordt gecoördineerd door Bodem+.
De klankbordgroep bestaat uit de volgende personen:
De Klankbordgroep richt zich op het vormgeven van de Nederlandse inbreng in de Expert Group INSPIRE alsmede de implementatie van INSPIRE in Nederland.
Participerende organisaties: Alterra, CBS, Kadaster, KNMI, I&M, PBL, TNO, VNG, GeoNovum, GBN, Dienst der Hydrografie, DLG, IOG-GEO, LSV-GBKN, RIVM, RWS, UvWVoorzittende organisatie: GeoNovumVoorzitter: Ruby Beltman
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) ontwikkelt samen met Deltares, Alterra, het WL en de Waterdienst een nieuw geïntegreerd hydrologisch model, het NHMi. Hierdoor kan de nu veelal verspreid aanwezige kennis zo optimaal mogelijk gebruikt worden en zijn landelijke beleidsanalyses mogelijk.
De Klankbord richt zich op de ontwikkeling en uitvoering van het model NHMi.
Participerende organisaties: PBL, Deltares, Alterra, Waterschappen, waternet, universiteiten en andere organisatiesVoorzittende organisatie: PBLVoorzitter: Anton van der Giessen
Het Landbouwoverleg Elektronisch Milieujaarverslag richt zich specifiek op de elektronische milieujaarverslagen voor landbouwbedrijven.
Participerende organisaties: Dienst Regelingen, I&M, EL&I, PBLVoorzittende organisatie: I&M
LISA is een databestand met gegevens over alle vestigingen in Nederland waar betaald werk wordt verricht. De kerngegevens per vestiging hebben een ruimtelijke component (adresgegevens) en een sociaal-economische component (werkgelegenheid en economische activiteit). Door de beschikbaarheid van dit type beschrijvende gegevens voor heel Nederland kan het LISA vestigingenregister beschouwd worden als het basisbestand voor sociaal-economisch en ruimtelijk onderzoek. Van elk willekeurig geografisch niveau en van elke activiteit kan bijvoorbeeld de werkgelegenheids(ontwikkeling) in beeld worden gebracht.
Omdat LISA ook vestigingen van de overheid, het onderwijs, de gezondheidszorg en de vrije beroepsbeoefenaars registreert is LISA uniek in zijn soort. Verder zijn LISA-gegevens eenvoudig te koppelen aan andersoortige bestanden waardoor LISA voor vele beleidsvelden en beleidsmakers een waardevol instrument is.
De Werkgroep Kwaliteit heeft de taak de kwaliteit van de gegevens die in LISA zijn opgenomen te bevorderen.
Participerende organisaties: Interne werkgroep met deelname van de verschillende vestigingenregisters van LISAVoorzittende organisatie: Stichting LISA (Register Utrecht)Voorzitter: Maarten Bergmeijer
Het Planbureau voor de Leefomgeving (team Leefomgevingskwaliteit, LOK) en het Centrum voor Externe Veiligheid (CEV) van RIVM hebben een leveringscontract voor data over externe veiligheid.
Het LOK-CEV overleg bewaakt de uitvoering van dit contract.
Externe veiligheidExterne veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving. Het betreft risico’s bij het gebruik, de opslag in bedrijven en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, LPG en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Ook de risico's van luchthavens vallen onder externe veiligheid.
Dit overleg is gericht op de inhoud van de electronische milieujaarverslagen.
Participerende organisaties: FO Industrie, Dienst Regelingen, Infomil, Agentschap NL, PBLVoorzittende organisatie: PBLVoorzitter: Wim van der Maas
Binnen het ministerie van I&M heeft het directoraat-generaal Milieu (DG Milieu) de opdracht het duurzame karakter van de leefomgeving in stad, land en de wereld te bevorderen. De Monitoringgroep DGM adviseert de DGM-leiding en ondersteunt DGM-medewerkers aangaande monitoring en het implementeren van de DGM-visie betreffende monitoring.
Participerende organisaties: DGM intern: KVI, BWL, SAS, LMV, SB, IZ, EV, DJZVoorzittende organisatie: DGM/BWLVoorzitter: Kees Plug
Per 1 januari 2009 zijn het Landelijk Bestuurlijk Overleg Water (LBOW) en het Landelijk Bestuur Overleg Hoogwaterbescherming (LBOH) samengegaan in een nieuwe overlegstructuur: het Nationaal Wateroverleg (NWO).
In het NWO overlegt de Staatssecretaris met de vertegenwoordigers van de andere partijen, die betrokken zijn bij het waterbeheer in Nederland: de koepelorganisaties (IPO, Unie van Waterschappen, VNG). Daar worden de landelijke zaken afgehandeld en worden de kaders gesteld voor de regionale aanpak. Monitoring is daarbij één van de onderwerpen.
Daarnaast komen in het kader van hoogwaterbescherming onder andere de volgende onderwerpen aan de orde: kustbeleid, Ruimte voor de Rivier, het Hoogwaterbeschermingsprogramma, Veiligheid Nederland in Kaart, Zwakke Schakels, Waterveiligheid 21ste eeuw etc.
Postadres:Helpdesk Water p/a Rijkswaterstaat Waterdienst Postbus 17 8200 AA Lelystad Telefoon: 0800 - NLWATER (0800 - 659 28 37)
Bezoekadres:Zuiderwagenplein 2 Lelystad
De ontwikkelgroep heeft ten doel te komen tot een harmonisatie van het ammoniak protocol.
Participerende organisaties: Alterra, ASG, LEI, CBS, PBLVoorzittende organisatie: AlterraVoorzitter: Gerard Veldhof
De Ontwikkelgroep Monitoring en Evaluatie Agenda Vitaal Platteland (MEAVP) richt zich op de ontwikkeling van een database waarin alle gegevens voor het ILG kunnen worden opgenomen. Het gaat om gegevens over normkosten, grondprijzen en milieutekorten.
Participerende organisaties: ministerie van EL&IVoorzitter: Paul Sinnige
De Ontwikkelgroep Monitoring Nieuwe Technologie heeft tot taak om ontwikkelingen van nieuwe technologie te volgen.
Participerende organisaties: Agentschap NL, PBL, CCT, KSI
Overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemers over het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit
Participerende organisaties: I&M/DGM, RIVM, TNOVoorzittende organisatie: DGMVoorzitter: Kees Plug
Overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemers over het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit.
De Enquête Bestrijdingsmiddelen Landbouw heeft tot doel het verkrijgen van landelijke gegevens over chemische, biologische en mechanische bestrijding in de belangrijkste gewassen in de land- en tuinbouw. Het Overleg Enquête Bestrijdingsmiddelen bespreekt de inhoud van de enquêtes voorafgaande aan een nieuwe enquête-ronde.
Participerende organisaties: CBS, RIVM, PBL e.a.Voorzittende organisatie: CBS
Contactpersoon: Rob Vijftigschild (CBS)
Het Inhoudelijk Overleg LMB voert overleg over alle inhoudelijke aspecten van het LMB. Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling het nagaan van trendmatige veranderingen in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. Het object van onderzoek is de toplaag van de bodem (0-10 cm). Daarnaast wordt ook een diepere bodemlaag en het bovenste grondwater onderzocht.Participerende organisaties: DGM, RIVM, TNOVoorzittende organisatie: I&M/DGMVoorzitter: Herman Walthaus
Het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) is opgebouwd uit circa 350 vaste meetpunten verspreid over heel Nederland. Doelen van het LMG zijn het vaststellen van veranderingen van de kwaliteit van het ondiep en middeldiep grondwater in Nederland en het beschrijven en verklaren van de waargenomen toestand en/of verandering in relatie tot milieudruk en beleidsmaatregelen.
Het LMG wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. Het Overleg LMG heeft betrekking op alle inhoudelijke aspecten van het LMG.
Participerende organisaties: DGM, RIVM, TNOVoorzittende organisatie: DGMVoorzitter: Murk de Roos
Het OLM is een technisch afstemmingsoverleg om metingen vergelijkbaar te maken.
Participerende organisaties: RIVM, VMM, Provincies, GemeentenVoorzittende organisatie: RIVMVoorzitter: Hans Verboom
Overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemers over alle aspecten van het Trend Meetnet Verzuring.
Participerende organisaties: DGM, RIVM, EL&IVoorzittende organisatie: DGMVoorzitter: Kees Plug
Het Inhoudelijk Overleg TMV voert overleg over alle inhoudelijke aspecten van het TMV. In het TrendMeetnet Verzuring (TMV) wordt de kwaliteit van het bovenste grondwater onder natuurgebieden op zandgrond in Nederland vastgesteld. Hiertoe wordt op 155 locaties het bovenste grondwater bemonsterd en geanalyseerd. Het TrendMeetnet Verzuring wordt door het RIVM geëxploiteerd in opdracht van het ministerie van I&M.
Participerende organisaties: DGM, RIVMVoorzittende organisatie: DGMVoorzitter: Murk de Roos en Herman Walthaus
De Bestrijdingsmiddelenatlas geeft op grond van meetgegevens van regionale waterbeheerders een landelijk beeld van de bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater. De overleggroep richt zich op de ontwikkeling van de bestrijdingsmiddelenatlas.
Participerende organisaties: de Waterdienst en andere organisatiesVoorzittende organisatie: de Waterdienst
Voorzitter: Ruur Teunissen
De Overleggroep Kwaliteitsborging EHS heeft tot doel de gegevensvoorziening rond de EHS te verbeteren. De overleggroep is in opbouw.
Participerende organisaties: I&M, EL&I, PBL, provincies, terreinbeheerdersVoorzittende organisatie: ministerie van EL&IVoorzitter: Sander de Bruin
Overleg van de uitvoerders Alterra en RIVM met de opdrachtgevers EL&I en I&M over inhoudelijke en organisatorische aspecten van de Nieuwe Inspectie Methodiek (NIM).
Participerende organisaties: I&M/DGM, EL&I, Alterra, RIVM, PBLVoorzittende organisatie: ministerie van I&MVoorzitter: Peter Henkens
Piscaria is de databaseapplicatie die als landelijke standaard wordt gebruikt voor de opslag en analyse van visgegevens. De databank van Piscaria is het centrale opslagpunt van alle visstandgegevens voor het zoete water en bevat een groot aantal waarnemingen van planten en dieren in de Nederlandse oppervlaktewateren. Piscaria is ontwikkeld in een samenwerkingsverband tussen STOWA en Sportvisserij Nederland.
De site wordt beheerd door Sportvisserij Nederland en is mede gekoppeld aan het internationale kennisnetwerk van GBIF (Global Biodiversity Information Facility).
Participerende organisaties: PBL, Sportvisserij Nederland, STOWA
Het platform 'Gebieds- en Systeemgericht Grondwaterbeheer' heeft als doelstelling de diverse belangen die bij een duurzaam beheer van grondwatersystemen spelen bij elkaar te brengen, bespreekbaar te maken en verder te brengen door een actieve uitwisseling van kennis en opgedane ervaringen.
De kwaliteit van (milieu)metingen is al jaren een punt van zorg binnen het milieubeleid. In 2004 is ter verdere verbetering van de kwaliteit van luchtmetingen het Platform Kwaliteit Luchtmetingen opgericht.
Participerende organisaties: het bevoegd gezag, bedrijven, meetlaboratoria en het ministerie van I&MVoorzitter: Marcel Koeleman, Hoofd Bureau Lucht DCMRSecretariaat: InfoMil
Dit IPO-platform heeft tot doel om informatie uit te wisselen (besluitvorming ligt bij de afzonderlijke provincies) en af te stemmen over de meetnetten alsmede het vergelijkbaar maken van meetresultaten. Op deze wijze draagt dit overleg bij aan kwaliteitsborging van de meetnetten bodem en grondwaterkwaliteit van de provincies en van het RIVM.
Participerende organisaties: Provincies, RIVMVoorzittende organisatie: Provincie Zuid-HollandVoorzitter: Jan Meijles
Anton Dries
Provincie Drenthe, team Waterbeleid
Telefoon: 0592 - 365 862
Het Platform Monitoring Waterkwantiteit heeft tot doel het uitwisselen van kennis en ervaring op het gebied van monitoring van waterkwantiteit door waterschappen.
Doelgroep: meetnetcoördinatoren en meetnetbeheerders van de waterschappen. Commerciële organisaties kunnen deelnemen aan de bijeenkomsten van het platform, maar geen lid zijn.
Contactpersoon:Roger de Crook (Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden)
Social media:Platform Monitoring Waterkwantiteit op LinkedIn
PIE is door de doelgroep Energie ontwikkeld in nauwe samenwerking met het ECN. Het is een integratieplatform dat de grootte en de samenstelling van de vraag naar energiedragers door de verschillende sectoren koppelt aan het aanbod van de energieproductiesector.
Organisaties: PBL, RIVM en ECN
Het Productieoverleg Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland heeft tot doel te komen tot de productie van nieuwe versies van het LGN.
Participerende organisaties: PBL, I&M, provincies, waterschappen, CBS, Alterra, EL&I
Zie Gegevensautoriteit Natuur
De projectgroep richt zich op het verzorgen van de periodieke evaluatie van de Nota Duurzame Gewasbescherming. De projectgroep wordt voor elke evaluatie opnieuw geïnstalleerd. In deze projectgroep zijn onder meer afspraken gemaakt over een database met gegevens. In de 'Nota Duurzame gewasbescherming - Beleid voor gewasbescherming tot 2010' is uiteengezet hoe het gewasbeschermingsbeleid zal leiden tot een duurzame gewasbescherming en zo bijdraagt aan een duurzame landbouw.
Participerende organisaties: I&M, EL&I/DK, de Waterdienst, PBL
In 2004 is de Agenda voor een Vitaal Platteland (AVP) gepresenteerd als de gezamenlijke beleidsvisie van de ministeries van EL&I en I&M om het platteland gereed te maken voor toekomstige veranderingen. Uitgangspunt is dat de provincies rapporteren over de voortgang van de overeengekomen prestaties en het Rijk verantwoordelijk is voor het verkrijgen van inzicht in de effecten.
Participerende organisaties: EL&I, Alterra, WOT Natuur & Milieu (WUR)Voorzittende organisatie: EL&I Voorzitter: Paul Sinnige
Deze projectgroep begeleidt de ontwikkeling van de basiskaart aquatische natuur. Met de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en Natura 2000 dienen voor oppervlaktewater de wensen en eisen ten aanzien van doelen en ruimtelijke invulling onderling te worden afgestemd.
Op dit te kunnen bewerkstelligen werkt de projectgroep aan een beleidskaart aquatische natuur, een kaart met waterhuishoudkundige eisen en een kaart waar de actuele waterhuishoudkundige toestand voor aquatische natuur op voor komt.
Participerende organisaties: PBL, AlterraVoorzittende organisatie: PBL Voorzitter: Peter van Puijenbroek
De projectgroep richt zich op de ontwikkeling van het systeem PEARL.
Het nieuwe PEARL model beschrijft het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het bodem-plant systeem en de emissie van deze middelen naar de omgeving. Het model wordt gebruikt in combinatie met het hydrologisch model SWAP. Met het model kunnen verschillende gewasrotaties en toedieningsmethoden van bestrijdingsmiddelen worden doorgerekend.
Het model houdt rekening met verschillende evenwichts- en niet-evenwichtssorptie mechanismen.
Participerende organisaties: PBL, Alterra, RIVM
Een aantal projectgroepen die de verschillende aspecten van de ontwikkeling van de basiskaart terrestrische natuur begeleiden
Participerende organisaties: PBL, Alterra
Voorzittende organisatie: PBLVoorzitter: Arjen van Hinsberg
Zie Compendium voor de Leefomgeving
De taken van het ProCoMo-overleg bestaan uit het afstemmen van de monitoring activiteiten van de provincies op milieugebied en het ondersteunen van de uitvoering van de werkzaamheden van het Interprovinciaal Vakberaad Monitoring (IVM).
Participerende organisaties: ProvinciesVoorzittende organisatie: Provincie UtrechtVoorzitter: Geert Janssen
Leden:
Geert Janssen (voorzitter, provincie Utrecht)geert.janssen@provincie-utrecht.nlTel.: 030 - 25 83 920
Louis Witte (provincie Groningen)a.p.witte@provinciegroningen.nlTel.: 050 - 31 64 975
Thea Harmelink (provincie Drenthe)t.harmelink@drenthe.nlTel.: 0592 - 36 58 54
Arne Willigenburg (provincie Overijssel)ak.willigenburg@overijssel.nlTel.: 038 - 4 999 484
Rogier Wilms (provincie Flevoland)rogier.wilms@flevoland.nlTel.: 0320 - 26 54 34
Bram Boeckhout (provincie Gelderland)a.boeckhout@prv.gelderland.nlTel.: 026 - 359 86 68
Monique Hozee (provincie Zuid-Holland)m.hozee@pzh.nl
Mechteld Wisse (provincie Noord-Holland)wissem@noord-holland.nl Tel.: 023 - 51 444 13
Hans Welten (provincie Zeeland)jsp.welten@zeeland.nlTel.: 0118 - 63 17 68
Karla Groen (DCMR Rijnmond)karla.groen@dcmr.nl Tel.: 010 - 24 68 287
De Raad voor Vastgoed Rijksoverheid is een samenwerking van de participerende organisaties op het gebied van aankopen, verkopen en beheren van vastgoed door het Rijk voor publieke doelen.
Participerende organisaties: Dienst Domeinen (Fin), DLG, Dienst Vastgoed Defensie, RGD, RWS, ProRailVoorzittende organisatie: Ministerie van FinanciënVoorzitter: Albert Koeleman
De redactiecommissie MonitoringPortaal is verantwoordelijk voor de hoofd- en eindredactie van het portaal.
Zie Informatie Desk standaarden Water
De Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) inventariseert de onderzoeksbehoeften van de deelnemende waterbeheerders. Dit gebeurt samen met een programmacommissie. Deze bepaalt op basis daarvan het onderzoeksprogramma voor ieder taakveld, te weten afvalwatersystemen, waterketen, watersystemen en waterweren.
Het STOWA-overleg richt zich op afstemming tussen STOWA en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
Participerende organisaties: PBL, STOWA
Het Actueel Hoogtebestand Nederland is een gedetailleerde beschrijving van het maaiveldoppervlakte van Nederland, ingewonnen met behulp van remote sensing technieken. Om het AHN te realiseren en de continuïteit te waarborgen is samenwerking tussen de belangrijkste koepelorganisaties noodzakelijk. De Stuurgroep AHN is het gezicht van deze samenwerking. De Stuurgroep richt zich op de uitvoering van het AHN en de ontwikkeling van beleid met betrekking tot kwaliteit, nauwkeurigheid en actualisatiefrequentie van het AHN.
Participerende organisaties: RWS, provincies, UvW, waterschappenVoorzittende organisatie: waterschappenVoorzitter: Bert Ludikhuize
De Stuurgroep Bodem draagt zorg voor afstemming tussen de verschillende partijen die zich in Nederland met het bodembeleid en met bodeminformatie bezig houden.
Participerende organisaties: ministeries van I&M (DGM en IMH) en EL&I; IPO, VNGSecretaris: Peter Kiela (I&M)
Zie item DUIN
De Stuurgroep Landelijk Informatiebeheer Bodem (STIB) stuurt twee projecten aan: het LIB en het BIELLS. De STIB is in het leven geroepen door de Stuurgroep Bodem (STUBO), die opdrachtgever is van beide projecten.
De portefeuillehouders informatiebeheer van het WEB en het BOOG hebben zitting In het STIB. Naast deze partijen zijn ook het ministerie van I&M (SBO en BWL) en EL&I, de Unie van Waterschappen, het DINOloket en Bodem+ vertegenwoordigd.
Zie Landelijk Meetnet Flora
In de afgelopen jaren is het mest- en ammoniakmodel volledig herontworpen en herontwikkeld. Dit proces heeft geresulteerd in het Mest en Ammoniak Model (MAMBO, voorheen MAM). MAMBO speelt een belangrijke rol bij ex-ante en ex-post evaluaties van het mestbeleid.
De Stuurgroep MAMBO richt zich op de sturing van ontwikkeling en gebruik van MAMBO. Er is een initiatief om de stuurgroepen STONE en MAMBO samen te voegen.
Participerende organisaties: EL&I, I&M, Alterra, LEI en PBL
Voorzittende organisatie: LEI
De Stuurgroep Monitoring heeft tot doel een verbetering van de samenhang, efficiëntie en effectiviteit van monitoring, de hieruit volgende rapportages en de bijbehorende data- en informatie-uitwisseling voor milieu, natuur en water. De stuurgroep geeft uitvoering aan de Samenwerkingsovereenkomst Monitoring van IPO, RIVM, PBL en de ministeries van EL&I en I&M.De Stuurgroep wordt ondersteund door de Werkgroep Monitoring.Participerende organisaties: IPO, RIVM, PBL, EL&I, I&MVoorzitter Stuurgroep: Kees Plug (I&M)Voorzitter Werkgroep en contactpersoon: Birgit Loos (RIVM)
Deltares, Alterra, STOWA, PBL en de Waterdienst hebben samen een nieuw geïntegreerd hydrologisch model, het NHI, ontwikkeld. Hierdoor kan de tot enkele jaren geleden verspreid aanwezige kennis zo optimaal mogelijk gebruikt worden en zijn afgestemde landelijke (en straks ook regionale) beleidsanalyses mogelijk. Naast het kwantiteitsdeel wordt ook gewerkt aan een gezamenlijk model voor de waterkwaliteit.
De Stuurgroep NHI is de opdrachtgever voor het NHI.
Participerende organisaties: Deltares, Alterra, Waterdienst, Alterra, PBL, STOWA
Voorzittende organisatie: Waterdienst
Voorzitter: Gerard Blom
Zie project: Omvorming Programma Beheer / Waarborgen Natuurkwaliteit
De Subwerkgroep Glastuinbouw heeft tot doel het bepalen van de routes van bestrijdingsmiddelen naar water. De Subwerkgroep Glastuinbouw is een subwerkgroep van de Projectgroep Beslisboom Water. Deze projectgroep heeft tot doel om het toelatingsbeleid van bestrijdingsmiddelen af te stemmen op de eisen van de Kaderrichtlijn Water. Een ander doel van de projectgroep is om Nederland een initiërende impuls te laten geven aan een EU guidance document over risico’s van bestrijdingsmiddelen voor waterorganismen.
Participerende organisaties: RIVM, Alterra, PPO (WUR).
De werkgroep ontwikkelt een methodologie voor de raming en berekening van de emissie van ammoniak door de landbouw.
Participerende organisaties: Alterra, PBL, ASG, PRI, LEI
Dit vakberaad richt zich op het afstemmen van de monitoringactiviteiten van de provincies op de gebieden milieu en water en ondersteunt de provincies bij het uitvoeren van hun monitoring.
Participerende organisaties: Provincies Voorzittende organisatie: Provincie Noord-HollandVoorzitter: Joost Damen
Joost Damen (voorzitter, provincie Noord-Holland)damenj@noord-holland.nlTel.: 023 - 51 44 605
Geert Janssen (provincie Utrecht) (tevens voorzitter ProCoMo-overleg)geert.janssen@provincie-utrecht.nlTel.: 030 - 258 3920
Werna Udding (provincie Groningen)w.udding@provinciegroningen.nl Tel.: 050 - 316 49 83
Rogier Wilms (provincie Flevoland)
rogier.wilms@flevoland.nl Tel.: 0320 - 265 434
Hanco de Baas (provincie Gelderland)
h.de.baas@prv.gelderland.nl Tel.: 026 - 359 8678
Leo van den Brand (provincie Zeeland)
l.vd.brand@zeeland.nl Tel.: 0118 - 631 948
Leo Direks (provincie Limburg)
ljm.direks@prvlimburg.nl
Tel.: 043 - 3 8989 33
Sikke Roosma (provincie Friesland)
s.r.roosma@fryslan.nl Tel.: 058 - 292 52 41
Sander Bakker (provincie Drenthe)
s.bakker@drenthe.nl
Tel.: 0592 - 36 55 55
Anita Pauw (provincie Overijssel)
a.pauw@overijssel.nl
Tel.: 038 - 4 999 4 86
Sander Hage (IPO)shage@ipo.nl Tel.: 070 - 888 12 46Arnoud de Klijne (RIVM)arnoud.de.klijne@rivm.nl Tel.:
De Werkgroep LuchtkwaliteitsModellen (WLM) richt zich op de gebruikers, eigenaren en andere betrokkenen van luchtkwaliteitsmodellen. Discussie en advies over modelontwikkelingen, actualisaties van rekenmodellen en kennisoverdracht behoren tot de doelen van de WLM. Secretariaat WLM: InfoMil
Zie Stuurgroep Monitoring
De werkgroep Monitoring, Informatie en Rapportage houdt zich bezig met monitoring en rapportage met betrekking tot de Kaderrichtlijn Water in Nederland.
De werkgroep valt onder het Cluster Monitoring, Rapportage en Evaluatie (CMRE) van het Nationaal Water Overleg (NWO).
Voorzittende organisatie: RijkswaterstaatSecretaris: Willem Faber
Zie project Omvorming Programma Beheer / Waarborgen Natuurkwaliteit
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) ontwikkelt samen met Deltares, Alterra, het WL en de Waterdienst een nieuw geïntegreerd hydrologisch model, het NHMi. Hiermee kan de nu veelal verspreid aanwezige kennis zo optimaal mogelijk gebruikt worden en zijn landelijke beleidsanalyses mogelijk.
De werkgroep houdt zich bezig met de ontwikkeling van het NHMi en ontwikkelt voorstellen voor beheer en onderhoud van dit systeem.
Participerende organisaties: TNO, de Waterdienst, Alterra, PBL, WL, STOWAVoorzittende organisatie: TNOVoorzitter: Judith Snepvangers
Eén van de mechanismen waarop geïndustrialiseerde landen kunnen voldoen aan hun doelstellingen ter vermindering van de uitstoot aan broeikasgassen, zoals vastgelegd in het verdrag van Kyoto, is het creëren van zogenaamde 'SINKS' in de vorm van nieuwe bossen. De aanplant van nieuwe bossen draagt bij aan de vermindering van de CO2-uitstoot, omdat bomen kooldioxide absorberen.
De werkgroep onderzoekt de mogelijkheden van SINKS.
Participerende organisaties: EL&I, Alterra, PBL, Agentschap NL
Voorzittende organisatie: EL&I
Deze werkgroep richt zicht op verzameling en uniformering van cijfers over mest en mineralen en verwerking van deze cijfers.
Participerende organisaties: PBL, CBS, LEI, ASG, EL&IVoorzittende organisatie: EL&I
Voorzitter: Mark de Boode
De werkgroep heeft tot doel de bepaling van de vraagstelling voor de Landbouwtellingen van het LEI.
Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is de digitale hoogtekaart van Nederland.
De waterschappen en Rijkswaterstaat laten het AHN maken voor hun dagelijks werk, met name voor waterbeheer en waterkeringbeheer. Maar ook voor andere toepassingen wordt het AHN gebruikt.
Opdrachtgever: Het Waterschapshuis en Rijkswaterstaat
Aqualarm is een alarmeringssysteem waarmee op basis van ingewonnen meetwaarden de waterkwaliteit van de Rijn en Maas wordt bewaakt.
Aqualarm wordt gevoed door meetgegevens van de Waterdienst, LUA en EVIDES.
De Basisregistratie Ondergrond (BRO) is een van de Geobasisregistraties van het ministerie van I&M. In de BRO zal naast de registratie Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) van TNO ook het Bodem Informatie Systeem (BIS) van Alterra worden opgenomen. In een later stadium worden mogelijk gegevens over archeologie en milieukwaliteit aan BRO toegevoegd.
Per 1 januari is dit project samen met LiB opgegaan in het project Bodeminformatiebeheer.
Afgesloten onderdelen (besluit Stuurgroep Bodem oktober 2011):
BIELLS staat voor Bodem Informatie Essentieel voor Landelijke en Lokale Sturing.
Doel van het systeem is het toegankelijk maken van data en kaarten over bodem en ondergrond. BIELLS werkt integraal en brengt de werkvelden bodem, ondergrond en (geo-)informatie bij elkaar.
Onderdelen van BIELLS:- BIELLS Datamakelaar- BIELLS Bodemkwaliteitskaart en Toetsingsmodule- BIELLS Informatiepilots
Het project Bodeminformatiebeheer is gericht op het toegankelijk maken van informatie over de ondergrond en de monitoring van de bodemsaneringsoperatie. Het project is de continuering van de voormalige Bodem+ projecten LIB en BIELLS. Het project is gestart per 1 januari 2010.
Coördinatie: Bodem+
Social media:Bodeminformatiebeheer op TwitterBodeminformatiebeheer op LinkedIn
De provincie Utrecht brengt periodiek conform wettelijke verplichtingen de kwaliteit van bodem en grondwater in kaart met het Meetnet Freatisch Grondwater en Bodemnutriënten. Er is geen website; te zijner tijd worden uitkomsten ondergebracht bij het BIELLS portal.
Contactpersonen:Janco van Gelderen
De provincie Utrecht brengt periodiek conform wettelijke verplichtingen de kwaliteit van de bodem met betrekking tot verspreiding van toxische stoffen in kaart. Er is geen website; te zijner tijd worden uitkomsten ondergebracht bij het BIELLS portal.
Contactpersonen:Frans Otto (coördinatie)
De provincie Utrecht inventariseert periodiek de bodemverzuring, conform wettelijke verplichtingen en in het kader van Natura 2000-TOP gebieden en regionaal beleid. Er is geen website; te zijner tijd worden de uitkomsten ondergebracht bij het BIELLS portal.
Het Broedvogel Monitoring Project (BMP) geeft inzicht in de aantalsontwikkelingen van vooral algemene en schaarse broedvogelsoorten.
Organisatie: SOVON Vogelonderzoek Nederland
Dit meetnet is een onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring.
De Bruinvis monitoring Oosterschelde heeft de volgende onderzoeksvragen:
1. Hoeveel bruinvissen leven er in de Oosterschelde? 2. Leven ze jaarrond in dezelfde aantallen in de Oosterschelde? 3. Zwemmen bruinvissen door de Oosterscheldekering in en uit en met welke frequentie? 4. Komen de dieren overal in de Oosterschelde voor, en verschilt dit door het jaar heen? 5. Planten de dieren zich hier voort?
Organisatie:Stichting Rugvin
CarMon is een webbased monitoringsysteem voor energiebeleid. Op basis van ingevoerde projecten wordt de voortgang van het beleid gevolgd.
Organisatie: Ecofys
In haar chemisch monitoringprogramma meet Rijkswaterstaat de concentraties, vrachten en bio-effecten van stoffen die de kwaliteit van het oppervlaktewater bepalen.
De CO2-monitor is een webbased applicatie die de resultaten van gemeentelijk klimaatbeleid inzichtelijk maakt. Gemeenten kunnen zelf duurzame klimaatprojecten invoeren. De som van alle duurzame projecten geeft een indicatie van de effecten van het klimaatbeleid van de gemeente. De uitkomsten worden onder andere gepresenteerd met behulp van een topografische kaart, waarop de inspanning van de gemeenten wordt weergegeven, uitgedrukt in duurzame energieproductie en CO2-reductie.
De monitor wordt gebruikt door 6 provincies en hun gemeenten (juli 2010). Ook individuele gemeenten maken gebruik van het systeem.
Ontwikkeling en beheer: DWA installatie- en energieadviesContactpersoon: Wilfred van der Plas
Nieuw onderdeel in deze site:
Meer dan 90 procent van informatie die wordt verzameld heeft een ruimtelijke component.Toch blijven kaarten en ruimtelijke data soms wat onderbelicht.Veel info is nuttig om te delen.Veel info is al bekend. Maar waar? Bij wie?
Binnenkort met alle info over:
Maar ook met:
En met nuttige discussies:
Al deze tekst is in voorbereiding.Binnenkort meer op deze plek.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Bovenstaande tekst wordt geschreven door:Gerard Nienhuis.De tekst gaat niet altijd puur over monitoring.Daarom is de tekst als zelfstandig onderdeel hier opgenomen.Suggesties of nuttige info over data, GIS en/of kaarten? Aarzel niet om goede ideeën door te geven. Mail naar: g.nienhuis@overijssel.nl--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het project Depot+ is afgerond.
Depot+ is een project waarin wordt gezocht naar een oplossing voor de baggerachterstand in Nederland. Onder leiding van Depot+ komen regionale afspraken tot stand met als doel de oplossing van dit probleem. Meer informatie over de uitvoering van dit project is te vinden op de website van de Kaderrichtlijn Water.
In de projectgroep Depot+, onder leiding van het IPO, zijn alle overheden vertegenwoordigd (VNG, UvW, IPO en ministerie van VROM). Projectleider van Depot+ is mevrouw Kuipers-Oldenhuis van de provincie Utrecht.
Het Derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven.
Het Derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).
Organisatie: RIVM en LEI
DONAR (Data Opslag Natte Rijkswaterstaat) is het centrale opslag-, verwerkings- en presentatiesysteem voor de fysische, chemische en biologische meetgegevens van de 'natte' Rijkswaterstaat.
DONAR is toegankelijk voor de medewerkers van Rijkswaterstaat. In toenemende mate worden gegevens van Rijkswaterstaat ook publiekelijk beschikbaar gesteld via de website WaterBase.
Het doel van het DUIN project is het verwerven, beheren en toegankelijk maken van gegevens voor de onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en Wageningen UR ten behoeve van de productie van de jaarlijkse Natuurbalans, Leefomgevingsbalans en vierjaarlijkse Natuurverkenning en andere reguliere producten in het kader van de Natuurplanbureaufunctie.
Per 1 mei 2010 is de website van DUIN opgeheven.
Participerende organisaties: PBL, WUR/WOT Natuur & MilieuAansturing: Stuurgroep DUINVoorzittende organisatie: PBL
Contactpersonen: Kees Schotten en Paul Hinssen (paul.hinssen@wur.nl)
Het EU Shared Environmental Information System (SEIS) is opgezet met een aantal doelen. Het beoogt een modernisering en vereenvoudiging van de systemen voor het verzamelen, verwerken en uitwisselen van milieugegevens. Daarnaast is het de bedoeling verschillende systemen voor gegevensopslag, die in de afgelopen decennia in de lidstaten zijn ontstaan, geleidelijk te harmoniseren en 'inter-operabel' te maken. Hierdoor zou een deel van de rapportageverplichtingen kunnen vervallen. Aanvullend doel kan zijn de burger middels SEIS beter te informeren.
De Europese Commissie zal deze uitgangspunten uitwerken in een richtlijnvoorstel.
In Nederland wordt het dossier SEIS behandeld door een interbestuurlijk dossierteam.Voorzitter: Adriaan Oudeman (I&M/IZ)Secretariaat: Conny Blankestijn-Van der Heide (IZ)
Voor het Basisdocument SEIS klik hier.
Future Forest Monitoring (FutMon) is het vervolg op het Forest Focus Meetnet waaraan Nederland vanaf het begin (2003) heeft deelgenomen. Het is een langjarig internationaal monitoringproject voor bossen, gefinancierd met Europese subsidie (het Life+ programma). De Gegevensautoriteit Natuur (GaN) treedt op als gedelegeerd opdrachtgever van dit project.
Voor Nederlandse informatie zie de FutMon pagina op de GaN website.
In haar fysisch monitoringprogramma meet Rijkswaterstaat een groot aantal fysische parameters in het water in Nederland, zoals waterpeil en afvoervolumes. Kennis over deze gegevens is een vereiste voor kustverdediging en hoogwaterbescherming.
Waterstanden van rivier en zee wint Rijkswaterstaat automatisch in via het Landelijk Meetnet Water (LMW), dat deel uitmaakt van het fysisch monitoringprogramma.
De Gegevensbank Zuid-Holland bevat kwantitatieve gegevens zoals statistieken van CBS, openbare informatie van de Kamer van Koophandel en geografische (milieu-) informatie. Het is een intern systeem van de provincie Zuid-Holland.
Contactpersoon:G. Eppink (provincie Zuid-Holland)Telefoon: 070 - 441 62 60
Aan de hand van metingen en modellen brengt het RIVM de ontwikkeling van de geluidbelasting in Nederland en de daarmee gepaard gaande effecten in kaart. De metingen zijn gericht op geluidbronnen die de belangrijkste verstoring veroorzaken van de natuurlijke geluidkwaliteit in de leefomgeving en die uit enquêtes als de grootste hinder- en klachtenveroorzakers komen. Het betreft omgevingsgeluid afkomstig van wegverkeer, railverkeer en luchtvaart.
Geluidsnet is een uitgebreid netwerk van geluidsmeters dat gegevens verzamelt over geluidsoverlast in de woon- en werkomgeving. De gegevens van Geluidsnet worden gebruikt voor overheidsbeleid en allerlei vormen van besloten en openbare informatievoorziening. Via de website van Geluidsnet kunnen klanten continu over real-time en historische meetgegevens beschikken.
Geluidsnet wordt uitgevoerd door Sensornet. Contactpersoon: Jasper Koolhaas
GBO-Provincies is een project van het IPO. Het draagt zorg voor het effectief beheren (exploiteren en onderhouden) van de gezamenlijk ontwikkelde provinciale voorzieningen voor elektronische dienstverlening.
De volgende producten vallen onder GBO-provincies:
Projectleider: Michelle Franssen
Dit meetnet geeft jaarlijks inzicht in de grondwaterkwaliteit tussen 10 en 25 meter beneden maaiveld.
Contactpersoon: Janco van GelderenTelefoon: 030 - 258 38 62
Het Hydrologisch meetnet van Natuurmonumenten bestaat uit ruim 2300 meetpunten verdeeld over 140 terreinen. De metingen betreffen het peil van het oppervlaktewater en de grondwaterstand.
De terreinbeheerder gebruikt de gegevens onder meer voor de zesjaarlijkse evaluaties van de natuurgebieden, de zogenoemde kwaliteitstoetsen en voor het maken van inrichtingsplannen. De gegevens worden ook gebruikt door provincies, waterschappen en onderzoeksinstituten.
De gegevens van het Hydrologisch meetnet zijn openbaar toegankelijk via de landelijke database DINO van TNO.
Organisatie: NatuurmonumentenContactpersoon: Corine Geujen
De IJkdijk is een (internationale) proeftuin voor nieuwe inspectie- en monitoringtechnieken voor waterkeringen. In de IJkdijk wordt onderzocht of deze inspectie en monitoringtechnieken ingezet kunnen worden om de dijken in Nederland beter te inspecteren en zo meer inzicht te krijgen in het gedrag van deze dijken.
IJkdijk is een initiatief van N.V. NOM, STOWA, Stichting IDL, GeoDelft en TNO.
Het INTAMAP (Interoperability and Automated Mapping) project stelt realtime‑kaarten van lucht‑, bodem‑ en waterverontreiniging voor iedereen beschikbaar. 'Reliëfkaarten' laten niet alleen zien waar de verontreinigde gebieden zich exact bevinden, maar geven ook duidelijk aan waar de verontreiniging vandaan komt en waar ze naar toe gaat.
De onderzoeksfase van het project liep van 2006 - 2009.
Organisatie: Europese Unie (EU 6e kader), met medewerking van onderzoekers uit Oostenrijk, België, Duitsland, Griekenland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk.
De Inventarisatie Verstoringen betreft een vijfjaarlijkse nationale inventarisatie van hinder door geluid, geur, trillingen en licht. De inventarisatie vormt de basis voor eventuele aanpassingen van het beleid.
Organisatie:Het onderzoek wordt uitgevoerd door het Centrum voor Milieu, Gezondheid en Omgevingskwaliteit (MGO) van het RIVM in opdracht van het ministerie van I&M, directie Leefomgevingskwaliteit (LOK).
Monitoring t.b.v. onderzoek naar de bodemdaling van veen en moerig gebied. Voor deze kaart is recent op 9.000 plaatsen in de provincie Utrecht op veen en moerige gebieden een nieuwe kartering uitgevoerd. De GT wordt op 126 locaties in de veengebieden gekarteerd en wordt provinciedekkend een nieuwe GT-kaart vastgesteld. In de toekomst wordt dit ondergebracht bij het BIELLS portal.
Het KRW Monitoringprogramma Grondwaterkwaliteit (KMG) wordt opgesteld door de provincies. Het bestaat uit een selectie van putten van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit en de provinciale meetnetten grondwaterkwaliteit. De provincies stemmen de selectie van putten af per (deel)stroomgebied.
Contactpersoon: Twan Tiebosch (Coördinatiebureau Stroomgebieden Nederland)
Het KRW volg- en stuursysteem is bedoeld om effecten van maatregelen gericht op verbetering van de ecologische waterkwaliteit beter te monitoren. De effecten van deze maatregelen (die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water) zijn namelijk niet altijd direct zichtbaar, dus het is belangrijk ze door de tijd heen te volgen en zonodig bij te sturen.
Organisatie: STOWAContactpersoon: Marcel Klinge (STOWA)
Het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland (LGN) is een landsdekkend bestand gebaseerd op een combinatie van geodata waarbij satellietgegevens een belangrijke informatiebron zijn. Het LGN-bestand is een product van het Centrum voor Geo-informatie dat onderdeel uitmaakt van Wageningen Universiteit en Research centrum. Participerende organisaties: PBL, RPB, EL&I, I&M, provincies, waterschappen, CBS, Alterra
Per 1 januari is dit project samen met BIELLS opgegaan in het project Bodeminformatiebeheer.
Landelijk informatiebeheer Bodem (LiB) is een project van en voor het gezamenlijke bevoegd gezag Wet Bodembescherming (29 grote gemeenten en 12 provincies). Met dit project wordt de voortgang van de bodemsaneringsoperatie zoveel mogelijk op een eenduidige en afgestemde wijze verzameld, beheerd, uitgewisseld en ontsloten. De Stuurgroep Informatiebeheer (als onderdeel van STUBO) is opdrachtgever van het LiB.
Coördinator LiB: Wout de Vogel Postadres:
Agentschap NL, Bodem+ Project LIB Postbus 93144 2509 AC Den Haag
Telefoon: 070 – 373 51 23
In het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) wordt bij landbouwbedrijven en in bosgebieden de bodemkwaliteit in kaart gebracht. Het meetnet is zodanig ingericht dat relaties gelegd kunnen worden met belastinggegevens vanuit diffuse bronnen zoals de landbouw en depositie.
Het LMB wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M.
Doel van het Landelijk Meetnet Vlinders is het verzamelen van actuele informatie over de veranderingen in de dagvlinderstand in Nederland. Dit meetnet is een onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM).
Organisatie: Vlinderstichting in samenwerking met CBS
Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) heeft tot doel het beschrijven en verklaren van de huidige kwaliteit van het recent gevormde grondwater in relatie tot milieudruk en beleidsmaatregelen (LMM-EM). Een tweede doel is verkennend onderzoek naar veranderingen in de landbouwpraktijk en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van het recent gevormde grondwater (LMM-VM).Organisatie: Het LMM wordt gezamenlijk door het RIVM en het LEI ontwikkeld en beheerd. Daarnaast wordt op onderdelen ook samengewerkt met verschillende andere instellingen. Het LMM wordt uitgevoerd in opdracht van de ministeries van EL&I en I&M.Websites:
LMM-website RIVM (o.a. over monsterneming en ontwikkeling grondwaterkwaliteit)LMM-website LEI(o.a. over mestgebruik, stikfstofbodemoverschotten en Bedrijven-InformatieNet
Het Landelijk Meetnet Flora - Milieu & Natuurkwaliteit maakt onderdeel uit van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Het LMF - M&N wordt uitgevoerd door de provincies. In NEM-verband zijn twee meetdoelstellingen aan dit meetnet opgelegd: het signaleren van landelijke veranderingen in de ecologische kwaliteit van multifunctionele gebieden en het signaleren van landelijke veranderingen in milieu-aspecten, met name vermesting, verzuring en verdroging, en de gevolgen daarvan voor flora (en fauna). Bovendien moet het LMF - M&N de informatie verzamelen betreffende de algemene plantensoorten van de natuurgraadmeters van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Betrokken organisaties: provincies, CBS, IPO, PBLDe betrokken organisaties vormen de stuurgroep LMF - M&N, onder voorzitterschap van IPO.
Contactpersonen: Lodewijk van Duuren (CBS) (zie onder)Tom van der Meij (CBS) (tmey@cbs.nl)
Het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) is opgebouwd uit circa 350 vaste meetpunten verspreid over geheel Nederland. Binnen het LMG wordt de kwaliteit van het ondiep en middeldiep grondwater in Nederland vastgesteld. Daartoe kan op elk meetpunt via een permanent geïnstalleerde grondwaterput het grondwater opgepompt worden vanaf een diepte van circa 10, 15 en 25 meter onder maaiveld.
Het LMG wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband tussen TNO en het RIVM.
Dit meetnet brengt trends in beeld van korstmossen die op de Rode Lijst staan. Resultaten worden gepubliceerd in de BLWG-rapporten.
Uitvoerende organisatie: Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG)Opdrachtgever: ministerie van EL&I en CBS
Dit meetnet is een onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM).
Doel van het Landelijk Meetnet Libellen is het bijhouden van de veranderingen in de libellenstand in Nederland. Dit meetnet is een onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM).
Organisatie: Vlinderstichting en het CBS, in samenwerking met het ministerie van EL&I/Directie Kennis.
In het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) wordt de luchtkwaliteit op leefniveau bepaald. Dit gebeurt op basis van metingen van tientallen stoffen. De website presenteert een overzicht van de gemeten stoffen, de circa 60 locaties en een gedeelte van de resultaten, zoals actuele meetwaarden en overschrijdingen.
Het LML wordt uitgevoerd door het RIVM.
Het Landelijk Meetnet Water (LMW) verricht metingen aan verschillende parameters: waterstand, afvoer en stroming, golven en meteorologische gegevens. Daarnaast is het LMW verantwoordelijk voor gegevens over het astronomisch getij in de Nederlandse getijdewateren.
De gegevens worden dagelijks definitief gearchiveerd in de database van Rijkswaterstaat, DONAR.
De monitoring van het Landelijk Soortonderzoek Broedvogels (LSB) richt zich op het vastleggen van aantallen in de belangrijkste broedgebieden van een soort. Soms is dat nagenoeg gelijk aan de gehele landelijke populatie, soms gaat het om een ruime steekproef. Sommige broedvogels broeden geconcentreerd in kolonies. Van deze soorten wordt met het LSB een landelijke dekking nagestreefd om de aantalsontwikkeling te volgen en de verspreiding in kaart te brengen.
Dit meetnet is onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM).
De database Limnodata Neerlandica bevat waarnemingen van planten en dieren in de Nederlandse oppervlaktewateren. De gegevens worden online ontsloten via de website Limnodata.nl.
De gegevens worden verzameld door STOWA en Sportvisserij Nederland bij een groot aantal bronhouders, waaronder waterschappen, provincies en hengelsportfederaties.
Het LiveDijk project is een initiatief van Waterschap Noorderzijlvest, Stichting IJkdijk en haar participanten en STOWA. Het project heeft als doel het ontwikkelen van een real-time monitoringsysteem om de sterkte van dijklichamen op ieder moment te kunnen beoordelen.
De DCMR heeft een aantal meetpunten voor luchtkwaliteit in Zuid-Holland, ter aanvulling op het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM.
Contactpersoon:Peter van BreugelTelefoon: 010 - 246 80 38
Het doel van het Meetnet Amfibieën is een beeld te krijgen van de amfibieënpopulatie in Nederland. Het meetnet richt zich op de wateren waarin de dieren zich kunnen voortplanten. Deze wateren worden een aantal keer per jaar bezocht door vrijwilligers waarbij alle waargenomen soorten worden genoteerd.
Organisatie: Stichting RAVON
Het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden brengt de invloed in beeld van ammoniakbronnen buiten de natuur op natuurgebieden. Het meetnet werd in 2005 opgezet om ammoniakconcentraties in de natuur te volgen en de modelberekeningen van de concentratie te toetsen. De metingen vinden plaats in Natura 2000 gebieden. Het meetnet levert ook een bijdrage aan de ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) van het ministerie van EL&I.
De bijbehorende rapporten zijn via de gerelateerde items te bekijken.
Margreet van Zanten (RIVM): margreet.van.zanten@rivm.nl
Eric Noordijk (PBL): eric.noordijk@pbl.nl
Het meetnet Beek- en Poldervissen is een landelijk verspreidingsonderzoek gericht op het actualiseren van het verspreidingsgebied van zeven doelsoorten op het niveau van 1 x 1 kilometerhokken. Vanaf 2011 worden met het meetnet ook de trends in het voorkomen van de doelsoorten in kaart gebracht.
De volgende doelsoorten worden gevolgd:
Organisatie: RAVON
Download de veldhandleiding
Het Meetnet Broedvogels Zoete Rijkswateren heeft als meetdoelstelling: het signaleren van de populatie-ontwikkeling van indicatieve soorten langs de Zoete Rijkswateren per hoofdwatersysteem. Tevens worden de mogelijkheden onderzocht om de populatie-ontwikkeling per terreintype (ecotoopklasse) voor de Zoete Rijkswateren als geheel te schetsen. Voorts is er nadrukkelijke aandacht voor de monitoring van Vogelrichtlijngebieden in de Zoete Rijkswateren.
Dit meetnet maakt deel uit van het programma Biologische Monitoring Zoete Rijkswateren, onderdeel van het integrale monitoringprogramma van Rijkswaterstaat: de Monitoring van de Waterstaatkundige Toestand des Lands (MWTL). Organisatie: SOVON Vogelonderzoek NederlandOpdrachtgever: Rijkswaterstaat
Het Meetnet Dagactieve Zoogdieren is gericht op het volgen van de populatieontwikkeling van enkele algemeen voorkomende zoogdieren zoals konijn, haas, ree, vos en eekhoorn.
Uitvoering: ZoogdierverenigingIn samenwerking met: SOVON, CBSOpdrachtgever: ministerie van EL&I / Gegevensautoriteit Natuur (GaN)
Het Meetnet Functievervulling (MFV) is een landelijk en provinciaal meetnet dat een herziening en uitbreiding is van de Vierde Bosstatistiek. Het MFV is een verkennende oppervlaktestatistiek. Met een ruimtelijke steekproef wordt een schatting gemaakt van de oppervlakten land met bepaalde eigenschappen voor vijf groepen functies: economie, recreatie, natuur, milieu en landschap. Hoewel het MFV is opgezet voor bos, natuur en landschap, wordt het nu nog beperkt tot het Nederlandse bos (het MFV-bos). De metingen hiervoor worden gedaan op 3622 steekproefpunten.
Opdrachtgever: ministerie van EL&I/Directie Kennis en Innovatie (DK&I)Coördinatie: Alterra
Het Meetnet Geel schorpioenmos onderzoekt deze soort op de enige plek waar zij in Nederland voorkomt. De resultaten worden gebruikt voor rapportages aan de EU over de Habitatrichtlijn.
Uitvoerende organisatie: Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG)Opdrachtgever: ministerie van EL&I
De hazelmuis is een beschermde soort binnen de Europese Habitatrichtlijn en komt voor in Zuid-Limburg. Met behulp van het Meetnet Hazelmuis zijn de effecten van het beheer op deze soort te evalueren.
Organisatie: ZoogdierverenigingIn samenwerking met: CBSOpdrachtgever: ministerie van EL&I / Gegevensautoriteit Natuur
Met het Meetnet Hemelhelderheid Nederland wordt een beeld verkregen van de donkerte in de nacht en de variatie daarin.
Het meetnet bestaat uit 9 locaties waar continu wordt gemeten. De metingen worden tevens gebruikt voor validatie van modellen voor hemelhelderheid en voor validatie van satellietmetingen.
Met het Meetnet Mossen wordt inzicht verkregen in de zeldzaamheid van bepaalde soorten en of de soorten voor- of achteruit gaan.
Organisatie: Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG)De BLWG werkt samen met de Gegevensautoriteit Natuur (GaN).
Doel van het Meetnet Reptielen is om op basis van kwantitatieve steekproeven een beeld te krijgen van (veranderingen in) de reptielenpopulatie in Nederland. De monitoring wordt uitgevoerd door vrijwilligers.
Het Meetnet Slaapplaatsen heeft tot doel het monitoren van vogels op vaste locaties waar de dieren zich ’s nachts concentreren om te slapen. De informatie is een bouwsteen voor het bepalen van de omvang van de Nederlandse populaties van de betreffende soorten en is ook van belang voor het volgen van de Natura 2000 instandhoudingsdoelen.Organisatie: SOVON Vogelonderzoek Nederland
Het Meetnet Urbane Soorten (MUS) monitort populatietrends van vogels in stedelijke gebieden. Het meetnet wordt uitgevoerd door vrijwilligers.
Alle vleermuizen staan op de Europese Habitatrichtlijn en zijn daarmee beschermde soorten. De helft van de soorten in Nederland wordt gevolgd met het Meetnet Vleermuizen in winterverblijven.
Met het Meetnet Vleermuizen zoldertellingen worden de grijze grootoorvleermuis en de ingekorven vleermuis gevolgd. Deze soorten zijn opgenomen in de EU-Habitatrichtlijn.
Organisatie: ZoogdierverenigingIn samenwerking met: CBSOpdrachtgever: ministerie van EL&I / Gegevensautoriteit Natuur (GaN)
Het Meetnet Weidevogels beoogt de aantalsontwikkeling van algemene weidevogels te volgen, zoals grutto en kievit. De resultaten worden daarnaast gebruikt voor o.a. de evaluatie van agrarisch natuurbeheer.
Organisatie: SOVON Vogelonderzoek NederlandIn samenwerking met: CBSOpdrachtgever: ministerie van EL&I / Gegevensautoriteit Natuur (GaN)
Dit meetnet is een onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM)
Project over de stand van het milieu in de regio Rotterdam.
MSR is een project van Rijkswaterstaat Zuid Holland, Gemeente Rotterdam, Politie Rotterdam-Rijnmond, Stadsregio Rotterdam, Hoogheemraadschap van Delfland, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Waterschap Hollandse Delta, GGD Rotterdam-Rijnmond, de Provincie Zuid-Holland en de DCMR Milieudienst Rijnmond.
De belangrijkste output van dit project bestaat uit de MSR rapportages en een jaarlijks symposium.
Contactpersoon:Karla GroenProjectleider monitoringTelefoon: 010 - 2468 485Fax: 010 - 2468 283
Software voor ondersteuning van de nulmeting en mitigatie monitor.
Contactpersoon:Geert JanssenProvincie Utrecht
Het doel van het programma Monitor Agenda Vitaal Platteland is de ontwikkeling en langjarige coördinatie van een systematiek voor de beoordeling van de effectiviteit en efficiency van het plattelandsbeleid.
Lees meer over de Agenda Vitaal Platteland
Uitvoering: WOT Natuur & Milieu (WUR)Opdrachtgever: ministerie van EL&I/Directie Platteland
Contactpersoon:Wies Vullings (WOT N&M)Telefoon: 0317 - 48 17 26
Het project MACC heeft als doel het ontwikkelen van een operationele dienst voor de monitoring en voorspelling van luchtkwaliteit over heel Europa. Hiermee kunnen burgers, overheid en industrie inzicht krijgen in de mogelijke gevolgen van luchtkwaliteit voor gezondheid en de mate waarin maatregelen bijdragen aan het verminderen van emissies.
Organisatie:Meer dan 40 Europese instellingen werken samen aan dit project. Onder andere TNO is nauw betrokken bij dit project.
Bodem+ monitort de implementatie van het Besluit bodemkwaliteit bij bevoegde gezagen. De resultaten van de monitoring worden gebruikt om de uitvoering van het Besluit bodemkwaliteit verder te verbeteren en zonodig ook beleidsmatige aanpassingen te doen.
Organisatie: Het Implementatieteam Besluit bodemkwaliteit stuurt de monitoring aan. Alle betrokken overheidspartijen hebben hier zitting in. Voor de onderwerpen monitoring en uitvoeringsknelpunten sluit het bedrijfsleven aan bij het Implementatieteam. Voor de onderdelen Bouwstoffen, Grond en baggerspecie en Kwalibo zijn drie werkgroepen actief met praktijkdeskundigen van de meest betrokken organisaties, inclusief marktpartijen.
Door de gaswinning op Ameland treedt bodemdaling op. De bodemdaling en mogelijke effecten worden gemonitord vanaf het begin van de gaswinning in 1986. De monitoring wordt vormgegeven en begeleid door de Commissie Monitoring Bodemdaling Ameland.
Samenstelling commissie:Onafhankelijk voorzitter: dhr. J. de VlasSecretaris: dhr. J. Marquenie (NAM) Leden: gemeente Ameland, It Fryske Gea, ministerie van EL&I/directie Regionale Zaken Noord, provincie Fryslân, Rijkswaterstaat Noord-Nederland
Dit project richt zich op het ontwikkelen van indicatoren t.b.v. de meetbaarheid van duurzaamheid van bedrijventerreinen.
G. Meijer
Via een website kunnen geregistreerde waarnemers hun waarnemingen van gemerkte ganzen doorgeven. Op een kaart kunnen zij precies aangeven waar de ganzen gezien zijn.
Organisatie: Alterra, SOVON en het Vogeltrekstation van het NIOO in samenwerking met buitenlandse organisaties en particulieren.
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) heeft als hoofddoelen het verbeteren van de luchtkwaliteit ten behoeve van de volksgezondheid en het bieden van ruimte voor en bijdragen aan de onderbouwing van ruimtelijke projecten.Monitoring is nodig om zeker te stellen dat overal tijdig de grenswaarden worden gehaald. De monitoring van het NSL is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie betrokken overheidsniveaus: gemeenten, provincies en het rijk. I&M is opdrachtgever en eindverantwoordelijke. Op rijksniveau speelt daarnaast Rijkswaterstaat een rol met betrekking tot projecten en maatregelen op de rijkswegen. De monitoring van het NSL wordt uitgevoerd door het Bureau Monitoring NSL, een samenwerking tussen het RIVM en InfoMil.Ten behoeve van het NSL, de jaarlijkse (EU-)rapportage en de monitoring van het NSL heeft het (voormalige) ministerie van VROM registratie- en rekeninstrumenten laten ontwikkelen, waaronder een monitoringtool.
Natuurmonumenten voert monitoring uit op het gebied van landschap en natuur. Algemeen doel van de monitoring is het zo goed en efficiënt mogelijk beheren van de natuurgebieden van Natuurmonumenten.
In 2006 is het Netwerk Monitoring Nieuwe Stoffen opgericht, voor en door waterschappen. Doel van het netwerk is kennis over monitoring te vergaren en uit te wisselen.
Onder nieuwe stoffen worden verstaan hormoonverstorende stoffen en andere potentieel schadelijke stoffen die in het oppervlaktewater kunnen voorkomen maar (nog) niet in het waterkwaliteitsbeleid worden meegenomen. Bijvoorbeeld geneesmiddelen, weekmakers, brandvertragers, geurstoffen, conserveringsmiddelen enzovoorts.
STOWA faciliteert het netwerk.
MONIT is een systeem voor de presentatie en analyse van verbruik- en emissietrends in de Nederlandse energievoorziening. MONIT beschikt over cijfers voor verschillende soorten energieverbruik, in verschillende sectoren in de Nederlandse samenleving. Naast de verbruiktrends op energiegebied worden ook de trends in de CO2-emissies van de energievoorziening gepresenteerd.
OBN is per 2010 beëindigd.
Het doel van het Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN) is het herstellen van ecosystemen door het tijdelijke, aanvullende beheer- en/of inrichtingsmaatregelen. Voor de monitoring van de effecten geldt als meetdoel:
Het op landelijke schaal signaleren van biotische en abiotische ontwikkelingen in bos en natuurterreinen als gevolg van het uitvoeren van effectgerichte maatregelen door het monitoren van:
Looptijd: 1990 - 2010
Organisatie: Ministerie van LNV/Directie Kennis
Staatsbosbeheer verzamelt per gebied informatie over:
Staatsbosbeheer gebruikt ARTEMIS als monitoringssysteem voor de functie houtproductie en natuurbeheer, tezijnertijd ook recreatie.
Het project ‘Monitoring Stroomgebieden' is eind 2011 afgerond.
Het project ‘Monitoring Stroomgebieden' heeft twee doelen:
Het project worden uitgevoerd door Alterra en Deltares, in samenwerking met de betrokken waterbeheerders. Opdrachtgevers zijn de ministeries van EL&I en I&M. Het project wordt begeleid door een stuurgroep waarin zitting hebben de opdrachtgevers alsmede de Unie van Waterschappen.
Download de projectrapporten van Monitoring Stroomgebieden.
Wageningen Universiteit en Research Centrum en het IVN monitoren samen het verloop van tekenpopulaties (aantal teken in een gebied en gedurende het jaar) in Nederland en bepalen het percentage van de schapenteken dat is geïnfecteerd met de Borrelia parasiet.
Hiervoor worden op 25 plaatsen, verspreid door heel Nederland, maandelijks teken gevangen. De teken worden naar Wageningen gestuurd voor een bepaling van besmetting met de Borrelia parasiet. Deze gegevens worden in de loop van het onderzoek door de Natuurkalender gepubliceerd en zijn voor iedereen toegankelijk.
De 'Monitoring van stookolieslachtoffers en de toestand van de zee' telt op systematische wijze aangespoelde kust- en zeevogels. Op basis van de data wordt een oliebevuilingspercentage berekend.
Coördinatie: Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ)Veldwerk: Nederlandse Zeevogelgroep (vrijwilligers)
Contactpersoon: Kees Camphuysen (NIOZ en Zeevogelgroep)
De Monitoring Walvisachtigen wordt op maandelijkse basis uitgevoerd vanaf Stena Line cruiseschepen die tussen Hoek van Holland en Harwich varen.
Organisatie: Stichting Rugvin
Stichting ANEMOON (marien onderzoek) coördineert verschillende monitoringprojecten. Een opsomming:
Binnen het morfologisch monitoringprogramma van Rijkswaterstaat worden van een groot aantal gebieden op zee en langs de kust jaarlijks de diepte en ligging gemeten.
Het Multifunctioneel Presentatiestation (MFPS) is een computerprogramma waarmee actuele gegevens uit hydrometeo-meetnetten van Rijkswaterstaat gepresenteerd en opgeslagen kunnen worden.Via de MFPS publieksversie staan dezelfde gegevens ter beschikking als via de website www.actuelewaterdata.nl.
Het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR) is een waarschuwingsmeetnet voor stralingsongevallen. Bij een ongeval geeft het NMR inzicht in omvang en verloop van de radioactieve besmetting. Onder normale omstandigheden levert het NMR informatie over de natuurlijke achtergrondstraling.
Het NMR wordt uitgevoerd door het RIVM.
Het Klimaatverdrag en het Kyoto Protocol vereisen dat landen regelmatig rapporteren over broeikasgasemissies en over de stappen die ze nemen om de verdragen te implementeren. Om monitoring en rapportage te faciliteren, vereist het Kyoto protocol een zogenoemd ‘National System’ voor monitoring.
Het Nederlandse systeem voor emissiemonitoring van broeikasgassen omvat o.a. een set monitoringprotocollen en een systeem voor kwaliteitsbewaking en -beheer. De basis van de monitoring van broeikasgassen wordt gevormd door de Emissie Registratie.
In de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) komen alle beschikbare gegevens over natuur overzichtelijk op één plek bij elkaar. Gebruikers van de NDFF krijgen zo snel een compleet en actueel beeld van wat bekend is over het voorkomen van plant- en diersoorten op een locatie. De NDFF biedt gebruikers bovendien de mogelijkheid de eigen gegevens overzichtelijk op te slaan, te valideren en te beheren. De Gegevensautoriteit Natuur borgt de kwaliteit van de natuurgegevens. De gegevens zijn toegankelijk via het Natuurloket of een abonnement op de NDFF.
Vanaf juli 2010 wordt gewerkt aan een koppeling tussen de NDFF en Waarneming.nl.
De Nationale Tuinvogeltelling is een jaarlijks terugkerende telling waaraan iedereen mee kan doen. Deelnemers wordt gevraagd in het weekend een halfuur lang alle vogels te tellen in hun eigen tuin. Alle ingestuurde gegevens worden vervolgens gebruikt voor vogelonderzoek.
Organisatie: Vogelbescherming Nederland en SOVON Vogelonderzoek Nederland
De Nationale Vector Survey is een landelijke inventarisatie van steekmuggen en teken. De survey startte in 2009 in Limburg (72 locaties) en werd in 2010 uitgebreid naar heel Nederland (300 locaties).
Organisatie: Centrum Monitoring Vectoren
De Natuurkalender is een nationaal educatief/wetenschappelijk waarnemingsprogramma dat zich richt op het in kaart brengen van de effecten van klimaatverandering op de jaarlijks terugkerende verschijnselen in de natuur.
Het is een initiatief van de Universiteit Wageningen en VARA's Vroege Vogels. Het project wordt mede mogelijk gemaakt door een aantal organisaties en bedrijven. Waarnemingen kunnen door iedereen aangeleverd worden.
Het nestkaartenproject richt zich op het verzamelen van lotgevallen van nesten. Informatie over legdata, legselgrootte en nestsucces, en eventuele redenen van mislukken van nesten, vormen de belangrijkste ingrediënten van het project.
Organisatie: SOVON Vogelonderzoek NederlandIn samenwerking met: ministerie van EL&I en het CBS
Het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) is het samenwerkingsverband van overheidsorganisaties voor de monitoring van de natuur in Nederland. Het doel is om de verzameling van gegevens af te stemmen op de informatiebehoefte van de overheid. De meetnetten van het NEM worden gecoördineerd door Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO’s).
De partners in het NEM zijn:
Het NEM wordt aangestuurd door de Stuurgroep NEM, bestaande uit vertegenwoordigers van de NEM-partners. De Stuurgroep wordt ondersteund door het Kernteam NEM.
Voorzittende organisatie Stuurgroep NEM Contactpersoon: Wilmar Remmelts (EL&I, lid Kernteam NEM)
De Nieuwe Kaart van Nederland is een initiatief van het Nirov en het ministerie van I&M. De projectorganisatie van de Nieuwe Kaart is gehuisvest bij het Nirov.
De Nieuwe Kaart van Nederland is hét totaaloverzicht van geplande ruimtelijke ontwikkelingen en functionele veranderingen in Nederland. Het gaat om een integraal overzicht waarin elk thema, te weten: wonen, werken, water, natuur en infrastructuur, gestructureerd ondergebracht wordt.
Projectleider: Jan Kadijk
Het Ozone Monitoring Instrument (OMI) is een satellietinstrument dat sinds 2004 in een baan om de aarde draait en metingen doet m.b.t. de samenstelling van de aardatmosfeer. OMI houdt belangrijke eigenschappen van de atmosfeer in de gaten, zoals de ozonlaag, concentraties van verschillende sporengassen, luchtvervuiling en fijnstof (o.a. vulkaanas). Resultaten van het OMI-project zijn vooral van belang voor klimaatonderzoek en onderzoek naar luchtkwaliteit.
Organisatie: Vele landen en organisaties werken samen aan dit project. De wetenschappelijke leiding en het operationele beheer liggen in handen van het KNMI.
De Lichthinderkaart is een inventarisatie van locaties met onnodig, storend licht. De waarnemingen zijn afkomstig van burgers. Op de kaart staan zeven categorieën lichtbronnen:
Inventarisatieperiode: najaar 2011
Organisatie: Natuur- en Milieufederaties
Met de Punt Transect Tellingen (PTT) worden de aantalsontwikkeling en verspreiding van in ons land doortrekkende en/of overwinterende vogels vastgelegd. Dit kunnen zowel Nederlandse broedvogels zijn als vogels afkomstig uit bijvoorbeeld Scandinavië of Oost-Europa.
Organisatie: SOVON Vogelonderzoek NederlandIn samenwerking met: CBS
Doel van het Realisatieplan Slim Monitoren is het coördineren van de provinciale en landelijke monitoring van bodem en grondwater, zodat er slimmer en beter gewerkt kan worden tegen lagere kosten. Het Realisatieplan is een vervolg van het project Kwali-tijd. Dit project resulteerde in het Handboek voor de provinciale en landelijke meetnetten bodem- en grondwaterkwaliteit. Een belangrijk operationeel doel van Slim Monitoren is het stimuleren en borgen van de uitvoering van dit handboek. Het Realisatieplan Slim Monitoren wordt uitgevoerd door het Platform Meetnetbeheerders, in opdracht van de IPO-Bodem Ontwikkel Groep (BOOG)Contactpersoon:Stef Hoogveld (opdrachtgever namens IPO-BOOG)
PRISMA rapport
Met het Rekenmodel IPOLicht kunnen de effecten op hemelhelderheid en horizonvervuiling van ontwikkelingen of maatregelen kwantitatief worden bepaald. Dit instrument kan worden gebruikt bij ruimtelijke processen als gebiedsontwikkeling en -inrichting, ter ondersteuning van beleidskeuzes en bij vergunningverlening.
Jaar van uitgave:2011
Trefwoorden overig:Lichtvervuiling, donkertebescherming
Download het Rekenmodel IPOLicht
Ga naar de snelstartgids van het Rekenmodel IPOLicht
Achtergronddocumenten:
Ring-MUS is een monitoringprogramma speciaal gericht op het verkrijgen van demografische gegevens van vogels uit het stedelijk milieu. Binnen het project worden gegevens verzameld over reproductie, overleving en conditie van vogels uit het stedelijk milieu middels het vangen en ringen van vogels. Ring-MUS sluit aan bij het Meetnet Urbane Soorten (MUS) van SOVON, en is daarvan de variant voor ringers. Vandaar de naam ring-MUS.
Organisatie: Vogeltrekstation (expertisecentrum op het gebied van vogeldemografie). Ring-MUS is mede mogelijk gemaakt dankzij financiële steun van Vogelbescherming Nederland.
Constant Effort Sites (CES) houdt in dat met een vaste vangstopstelling (mistnetten) vogels worden gevangen en geringd. Van alle vogels worden leeftijd, geslacht en conditie bepaald, ze worden geringd, gemeten en gewogen en vervolgens weer losgelaten.
De risicokaart is een digitaal systeem dat toegankelijk is voor alle burgers. Op deze kaart zijn alle risicosituaties van mobiele en vaste bronnen in kaart gebracht. De kaart wordt periodiek onderhouden door de gemeenten, de brandweer en de provincie.
De project heeft tot doel het ontwikkelen van een theoretisch kader, met praktische vertaalslag naar concrete indicatoren waarin de interacties worden beschreven tussen de meting van duurzaamheid op verschillende schaalniveaus (van bedrijf(sproces) tot aan wereldniveau).
Het project moet o.a. leiden tot een zo consistent mogelijke set indicatoren m.b.t. de verschillende schaalniveaus. Hiermee moet bijvoorbeeld op bedrijfsniveau bepaald kunnen worden wat de bijdrage kan zijn aan wereldwijde doelstellingen (bijv. de Millenium Development Goals). Ook is het de bedoeling dat interacties tussen schaalniveaus kunnen worden bepaald.
Specifieke aandacht zal worden besteed aan duurzaamheidmonitoring voor regio's in Nederland.
Organisatie: LEI (WUR), in opdracht van het ministerie van EL&IContactpersoon: Koen Boone (LEI)Periode: 2010
Het project Shortlist Ecologische Monitoring Wind op Zee (in het kort ‘shortlist’) is een onderzoeksprogramma van een jaar dat voortkomt uit het Masterplan Ecologische Monitoring Wind op Zee. Het onderzoek is opgezet om een aantal prioritaire kennisleemtes, die zeer bepalend zijn voor de vergunningvoorschriften, nader in te vullen. Het shortlistonderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het IDON, en wordt gefinancierd door het ministerie van EL&I en het ministerie van I&M.
Contact via Informatiehuis Marien
Binnen het project 'Slim meten en monitoren' wordt gewerkt aan innovatieve meetmethoden om het inzicht in het watersysteem van de stad Delft te vergroten. Het real-time draadloze sensornetwerk dat in dit project wordt ontwikkeld is zowel gericht op de aanpak van wateroverlast als op het beheer van verontreinigd grondwater. Het moet de beheerders ondersteunen bij het nemen van maatregelen en bestuurders bij het nemen van beleidskeuzes.
Organisatie: Witteveen+Bos, gemeente Delft, Hoogheemraadschap van Delfland, Delft Institute for Applied Mathematics (TU Delft) en Munisense. Het project wordt deels gefinancierd door de EU.
Klik hier om contact op te nemen met 'Slim meten en monitoren'.
INSPIRE, kort voor Infrastructure for Spatial Information in Europe, is een initiatief van de Europese Commissie. Het richt zich op het beschikbaar maken van relevante, op elkaar afgestemde en kwalitatief hoogwaardige geo-informatie. Doel is om de formulering, implementatie, monitoring en evaluatie van Europees beleid met een ruimtelijke dimensie of ruimtelijke gevolgen mogelijk te maken.
Deze infrastructuur is bedoeld voor beleidsmakers, ontwerpers en managers binnen de overheid op lokaal, nationaal en Europees niveau. Ook bedrijven en burgers krijgen straks toegang tot de aangeboden geo-informatie.
Regie: Europese Commissie DG EnvironmentNederlandse vertegenwoordiging: ministerie van I&M. I&M is lid van de Expert Group INSPIRE, een stuurgroep met advieskracht aan de Commissie.
ActueelIn 2010-2011 werkt INSPIRE aan de dataspecificaties voor de thema's onder Annex 2 en 3. Per thema is hiervoor een thematische werkgroep (TWG) opgericht. Vanuit Nederland zijn dertien experts geselecteerd voor deze werkgroepen.
Dit betreft twee gekoppelde projecten:
1. Project Subsidistelsel Natuur en Landschap (SNL) (voorheen Omvorming Programma Beheer)Het project SNL is gericht op het verbeteren van het subsidiestelsel voor het natuurbeheer, het beheer van landschapselementen en het agrarisch natuurbeheer.
Projectleider: Herman Cohen Stuart (IPO)Email: hcohenstuart@ipo.nlTelefoon: 06 - 2890 1253
2. Project SNL Natuurkwaliteit en Monitoring (voorheen Waarborgen Natuurkwaliteit)Het project heeft tot doel de ontwikkeling van een uniform systeem voor de beschrijving van natuurkwaliteit en de monitoring daarvan. Het systeem zal o.a. worden gebruikt voor de monitoring van de natuurkwaliteit in het kader van het ILG. Een bestuurlijk traject maakt onderdeel uit van het project.
Participerende organisaties: IPO, EL&I, I&M, Gegevensautoriteit Natuur, PBL, terreinbeheerders e.a.Projectleider: Peter KouwenhovenTelefoon: 06 - 2890 1280Email: pkouwenhoven@ipo.nl
Stuurgroep en regiegroep SNLDe stuurgroep SNL geeft sturing aan de gecombineerde projecten SNL en Natuurkwaliteit en Monitoring.Participerende organisaties: IPO, EL&I, I&M en PBLVoorzittende organisatie: IPOVoorzitter: Dhr. Beukema (directeur IPO)Secretaris: Herman Cohen Stuart (IPO)Contactpersoon: Herman Cohen Stuart (IPO)Telefoon: 06 - 2890 1253Email: hcohenstuart@ipo.nl
Telmee is het invoerportaal waar vrijwilligers hun natuurwaarnemingen kunnen doorgeven en bekijken. De waarnemingen die worden ingevoerd via Telmee, komen terecht in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de Gegevensautoriteit Natuur.
Telmee is een initiatief van de landelijke Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO's), samenwerkend in de koepelorganisatie VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF).
De PGO's die meewerken aan Telmee.nl zijn:
Op Trektellen.nl worden gegevens verzameld van vogeltrektellingen en ringvangsten door geheel Europa. In Nederland gaat dit in samenwerking met SOVON Vogelonderzoek Nederland.
In het TrendMeetnet Verzuring (TMV) wordt de kwaliteit van het bovenste grondwater onder natuurgebieden op zandgrond in Nederland vastgesteld. Hiertoe wordt op 155 locaties het bovenste grondwater bemonsterd en geanalyseerd.
Het TrendMeetnet Verzuring wordt door het RIVM geëxploiteerd in opdracht van het ministerie van I&M.
Sinds 1978 werken de verantwoordelijke ministeries van Nederland, Denemarken en Duitsland samen aan de bescherming en het behoud van de Waddenzee. Deze samenwerking richt zich met name op het gebied van management, monitoring en onderzoek. Het ‘Trilateral Monitoring and Assessment Program’ (TMAP) is hier een resultaat van. Het doel van TMAP is tweeledig:
Organisatie: de Trilaterale Monitoring en Beoordeling Groep (TMAG) is verantwoordelijk voor de implementatie en coördinatie van TMAP. Deze groep bestaat uit twee tot drie gedelegeerden van de drie betrokken nationale overheden. TMAP wordt uitgevoerd door nationale en regionale overheden. De belangrijkste partners zijn de verantwoordelijke Deense, Duitse en Nederlandse ministeries en het Deense National Environment Research Institute (NERI).
De doelen van het Verspreidingsonderzoek uitheemse rivierkreeften zijn:
Het onderzoek wordt uitgevoerd door vrijwilligers.Jaar: 2010
Opdrachtgever: ministerie van EL&I/Team Invasieve Exoten en de WaterdienstCoördinatie: European Invertebrate Survey Nederland (EIS)Samenwerking: STOWA en Royal Haskoning (voor koppeling met data van de waterschappen) en RAVON (werving vrijwilligers)
Het Waarnemersnet Insectaantastingen is een actief netwerk van 450 waarnemers die observaties van insectenaantastingen doorgeven. De monitoring loopt reeds sinds 1946. De database is een uniek bestand dat nauwkeurig de veranderingen in insectenpopulaties weergeeft. Ook de opkomst van invasieve, zuidelijke soorten kan nauwkeurig worden gevolgd.
Contactpersoon:Leen Moraal (WUR)
Waarneming.nl is een website met centrale database waar amateur waarnemers hun waarnemingen van planten en dieren kunnen invoeren. De gegevens van Waarneming.nl zijn openbaar en voor iedereen raadpleegbaar.
Vanaf juli 2010 wordt gewerkt aan een koppeling tussen Waarneming.nl en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
Waarneming.nl is een product van de Stichting Natuurinformatie.
Het project Wadden Sea Long-Term Ecosystem Research (WaLTER) betreft de ontwikkeling van een geïntegreerd plan voor de monitoring van de Waddenzee. In de huidige situatie worden in de Waddenzee allerlei zaken, van watertemperatuur tot aantallen zeehonden, door een reeks van instanties in de gaten gevolgd. Dat gebeurt echter met te weinig onderlinge samenhang en vaak met weinig aandacht voor de spreiding van de monstername in zowel de tijd als de ruimte. Ook is er nog veel verbetering mogelijk met betrekking tot de betrouwbaarheid van de uitkomsten, o.a. door de meetmethoden te verifiëren en op elkaar af te stemmen.Organisatie: Het project wordt uitgevoerd door een consortium van NIOZ, IMARES, SOVON Vogelonderzoek Nederland, de Radboud Universiteit, de Rijksuniversiteit Groningen en het Common Wadden Sea Secretariat. Ook is er een directe samenwerking met de organisaties en overheden die met monitoring in de Waddenzee te maken hebben, zoals het ministerie van EL&I, NAM, Natuurmonumenten, provincie Friesland, Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer. Projectleider:Dr. Katja Philippart (NIOZ)
Op een website kunnen waarnemingen van geringde scholeksters worden doorgegeven, zodat verspreidingsgegevens beschikbaar komen voor populatie onderzoek en overlevingsberekeningen. Het systeem zal worden uitgebouwd naar een systeem voor alle vogelsoorten.
Het waterinformatieplatform ‘Lizard’ ontsluit gegevens op het gebied van waterbeheer en verbetert zo de informatievoorziening in de watersector. Lizard slaat geen gegevens op, maar maakt elders opgeslagen data zichtbaar en combineerbaar. Het betreft o.a. geografische informatie, neerslaggegevens, waterstanden, afvoergegevens, kwaliteitsmetingen en voorspellingen.
Organisatie: het informatieplatform is een samenwerking tussen Royal Haskoning, Deltares, Fugro en adviesbureau Nelen & Schuurmans.
Het Watervogelmeetnet volgt de aantalsontwikkelingen van watervogels, zowel voor heel Nederland als op de schaal van afzonderlijke gebieden, waaronder bijvoorbeeld Natura2000. Het meetnet geeft tevens (indirect) een beeld van de veranderingen in de ecologische toestand van wetlands.
Organisatie: SOVON Vogelonderzoek NederlandIn samenwerking met: ministerie van EL&I, Rijkswaterstaat en het CBS
Met Web-BVB (Bestand Veehouderij Bedrijven) wordt de milieubelasting van ammoniak en fijnstof en de ontwikkelingsruimte van agrarische bedrijven in beeld gebracht. Het bestand wordt ontsloten via internet en is voor iedereen toegankelijk.
Aan de database is een web-map gekoppeld, waarmee de bedrijven op een kaart in beeld worden gebracht. Naast de locaties van bedrijven, is ook de actueel vergunde situatie van de bedrijven in het bestand aanwezig. Denk hierbij aan dieraantallen, stalsystemen met bijbehorende emissiefactoren voor ammoniak, geur en fijnstof en eventueel gegevens over de emissiepunten.
Inmiddels hebben 5 provincies een gevulde database:
Web-BVB wordt beheerd door de Gemeenschappelijke Beheerorganisatie (GBO) van de provincies.
Contactpersoon: Brigit Bethe (provincie Gelderland)
Monitoringprogramma om de biologische kennis over begroeiïng van scheepswrakken op de Noordzee te vergroten. Tellingen worden uitgevoerd door sportduikers.
De ontwikkeling van het meetnet is gestart in 2010. In de loop van dit jaar wordt het programma voltooid en worden alle Noordzeeduikers uitgenodigd om mee te doen.
Organisatie: Stichting De Noordzee in samenwerking o.a. wrakduikorganisatie Get Wet
Samenvatting:De gemiddelde ammoniakconcentratie in natuurgebieden varieert sterk. In grote natuurgebieden zijn de concentraties lager dan in kleine gebiedjes. De concentratie is namelijk afhankelijk van de afstand van (lokale) agrarische activiteiten tot het gebied, aangezien deze de voornaamste ammoniakbron vormen. De invloed van snelwegen op de aangrenzende natuur blijkt beperkt met een verhoging van 1 tot 2 mug/m3. Dit blijkt uit de eerste drie jaar aan meetresultaten van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden, die zijn gecontroleerd en met behulp van referentiemetingen gekalibreerd.
Met het meetnet wordt de invloed van ammoniakbronnen buiten de natuurgebieden in beeld gebracht. Het is in 2005 opgezet om ammoniakconcentraties in de natuur te volgen en de modelberekeningen van de concentratie te toetsen die standaard worden gebruikt. De metingen vinden plaats in Natura 2000-gebieden die door hun ligging op arme zandgronden kwetsbaar zijn voor bemesting door de atmosferische aanvoer van ammoniak.
Met zogeheten passieve samplers (buisjes), een eenvoudige en goedkope methode, worden maandgemiddelde ammoniakconcentraties in de lucht gemeten in 29 natuurgebieden verspreid over heel Nederland. Om inzicht te krijgen hoe de ammoniakconcentratie varieert binnen een natuurgebied wordt op meerdere locaties in een gebied gemeten.
De ammoniakconcentraties zijn ook berekend met een nieuwe, experimentele versie van het model OPS van het RIVM en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). De berekeningen komen goed overeen met de metingen. Dit bevestigt dat het voormalige verschil tussen berekende en gemeten ammoniakconcentraties, het zogeheten ammoniakgat, door de gemaakte aanpassingen in het model zo goed als verdwenen is. Alleen de gemeten concentraties in de duingebieden zijn, hoewel heel laag, enkele malen hoger dan de berekeningen.
Auteurs:A.P. Stolk, M.C. van Zanten, H. Noordijk, J.A. van Jaarsveld en W.A.J. van Pul Jaar van uitgave:2009
Noord-Holland is een bijzondere provincie voor amfibieën en reptielen. Zo leven er ringslangen onder de rook van Amsterdam en zijn de duinen beroemd om hun zandhagedissenpopulaties. Het meest recente rapport met verspreidingsgegevens dateert uit 1997, maar hoe gaat het nu met de amfibieën en reptielen? Om een antwoord op die vraag te krijgen hebben RAVON, Landschap Noord-Holland en een groot aantal vrijwilligers gewerkt aan de nieuwe verspreidingsatlas.
In de nieuwe atlas komen verspreidingskaarten van alle soorten op km-hok niveau. Dit geeft in een oogopslag inzicht in de verspreiding van een soort in Noord-Holland. Ook wordt aandacht besteed aan herkenning, habitat, de belangrijkste gebieden voor de soort, uitgezette populaties, barrieres en beheer. Verder wordt de betekenis van Noord-Holland voor reptielen en amfibieen op nationaal en internationaal beschreven en bevat de atlas een waarderingskaart die laat zien waar binnen Noord-Holland de belangrijkste gebieden liggen voor reptielen en amfibieen. De atlas is fraai vormgegeven met veel prachtige foto's en kaarten.
De atlas is verkrijgbaar via Stichting RAVON.
Samenvatting:
Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek naar het opzetten van een kennissysteem voor soorten- en gebiedenbeleid voor het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP).
Het kennissysteem richt zich met name op de doelstellingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.Uitgangspunt van een prototype van het kennissysteem is het huidige ecologische kennissysteem van het MNP, waarin graadmeter, meetnetten en modellen een belangrijke rol spelen.
Onderzocht is of het huidige kennissysteem voldoet voor het doen van uitspraken over de VHR, welke knelpunten er zijn en hoe deze opgelost kunnen worden. De verbeteringen vormen in samenhang met het al bestaande instrumentarium het eerste prototype van het kennissysteem voor de VHR. Naast uitleg van de diverse onderdelen van het kennissysteem worden ook voorbeelden van toepassingen van dit kennissysteem beschreven.
Het prototype kennissysteem bevat informatie over (1) waar welke doelen gelden, (2) waar welke soorten en habitats nu voorkomen (gemeten en/of statistisch voorspeld), (3) wat de historische trends in mate van voorkomen van deze soorten zijn (ofwel landelijk gemiddeld of wel gebiedsspecifiek) en (4) hoe het voorkomen van soorten afhangt van ruimte- en/of milieudruk (in beeld gebracht door directe en/of indirecte relaties met modeluitkomsten ofwel via berekening van toelaatbare milieu- en/of ruimtedruk -c.q. "ecologische vereisten"- in termen van minimaal habitatoppervlakte of maximaal toelaatbare kritische depositie).
Daarnaast is een methode ontwikkeld om de invloeden van depositie op VHR-gebieden goed in beeld te brengen.
Auteurs:A. van Hinsberg, D.C.J. van der Hoek, M.L.P. van Esbroek, H. Noordijk, B. de Knegt B, M.P. van Veen, P.J.T.M. van Puijenbroek en O.M. Knol
Rapportnummer:
RIVM Rapport 550018001
Jaar van uitgave:
2004
Door recente data is de kennis over de chemie van de Nederlandse bodem flink toegenomen. Deze kennis is van belang bij het beoordelen van risico's van onder andere aanwezige zware metalen. Deze zware metalen komen deels van nature voor in de bodem maar zij zijn ook het gevolg van menselijk handelen. Door het afleiden van rekenkundige relaties is het mogelijk om het natuurlijke aandeel van de metalen te schatten. Daarnaast kan ingeschat worden welke invloed de mens heeft gehad op de toename van de concentraties. Deze relaties kunnen ook gebruikt worden als basis voor een zogenaamde 'bodemtypecorrectie', een methode uit de Nederlandse bodempraktijk om bodemconcentraties en bodemnormen te standaardiseren op basis van het gehalte aan klei en organische stof in een bodemmonster.
De afgeleide relaties beperken zich tot de zware metalen, arseen en antimoon. Zij zijn gebaseerd op de relatie met de kleimineralogie. Ondanks wat tot nu toe werd aangenomen, heeft het gehalte aan organische stof geen invloed op de variatie van de natuurlijke concentraties van metalen. Voor organische stoffen zoals polycyclische aromaten kunnen ook relaties afgeleid worden maar dit is niet uitgevoerd wegens het ontbreken van data. In deze studie worden het principe en de methodiek achter de rekenkundige relaties uitgelegd. Daarnaast wordt uitgelegd welke rol deze relaties kunnen spelen voor het berekenen van de risico's van stoffen in de bodem en hoe deze kunnen worden toegepast als bodemtypecorrectie.
Auteurs:J. Spijker J, P.L.A. van Vlaardingen en G. Mol
RIVM rapport 711701074
2007
PRISMA rapportSamenvatting:De risico's die deze oude stortplaatsen met zich meebrengen zijn wat beter in kaart gebracht en er is beter inzicht verkregen in de financiële omvang van de problematiek. Dit is gedaan door bundeling van kennis en ervaring van alle provincies in een groot project: Nazorg Voormalige Stortplaatsen (NAVOS).Auteur:NAVOSJaar van uitgave:2005Download (PDF):RapportAchtergronden
Samenvatting:Presentatie van de hoeveelheden afval die in 2009 in Nederland zijn gestort, verbrand, gecomposteerd, vergist of verwerkt bij slibverwerkingsinstallaties. De gegevens over hoeveelheden verwerkt afval en de capaciteiten worden beschreven en geanalyseerd. Bij de analyses zijn de resultaten meegenomen van de voorgaande jaren. Een uitgebreide set gegevens is in de bijlagen in tabelvorm gepresenteerd. Auteur:Agentschap NL, in samenwerking met IPO en Vereniging AfvalbedrijvenRapportnummer:1AFVA1005Jaar van uitgave:2010
Samenvatting:Bezorgde burgers vragen gemeenten regelmatig om de luchtkwaliteit in hun straat of wijk te meten. Naast meten zijn er echter ook andere manieren om de lokale luchtkwaliteit te bepalen. Het ‘Afwegingskader bepalen lokale luchtkwaliteit’ geeft gemeenten inzicht in de verschillende mogelijkheden. Met deze nieuwe publicatie kunnen ook vragen over meten onderbouwd worden behandeld. De publicatie is onderdeel van de serie luchtkwaliteit en verkeer van het kennisprogramma Solve (Snelle oplossingen voor lucht en verkeer) van CROW.
Het kennisprogramma Solve van CROW biedt een samenhangend pakket van direct toepasbare oplossingen op het gebied van verkeer, waarmee gemeenten en provincies de luchtkwaliteit kunnen verbeteren. Met als doel de Europese normen voor fijn stof en stikstofdioxide binnen de gestelde termijnen te halen en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren.
CROW is het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Een not-for-profitorganisatie waarin overheid en bedrijfsleven samenwerken aan het ontwikkelen, verspreiden en beheren van praktisch toepasbare kennis voor beleidsvoorbereiding, planning, ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud.
CROW-publicatie ‘Afwegingskader bepalen lokale luchtkwaliteit, wanneer is meten zinvol ‘ kost €32,- (inclusief BTW en verzendkosten binnen Nederland) en is te bestellen via de website.
Bestellen CROW-publicatie
Jaar van uitgave: 2011
Samenvatting:Dit onderzoek gaat over biodiversiteit en landbouw, de wijze waarop beide elkaar kunnen versterken en de rol die provincies daarbij kunnen spelen. Deel I van het rapport geeft een brede strategische verkenning van biodiversiteit en ecosysteemdiensten en schetst daarmee de context voor het onderzoek in deel II. Deel II doet verslag van de resultaten van een inventarisatie en beoordeling van agrobiodiversiteitmaatregelen in de landbouw en van de wijze waarop provincies invulling geven aan hun rol en instrumenteninzet. In deel III worden samenvattende conclusies en aanbevelingen aan provincies gegeven.
Auteurs:H. ten Holt, J. Hagens en H. Blanken (NovioConsult)
Rapportnummer:3335-HtH/AvS
De concentraties stikstofdioxide en fijn stof in de buitenlucht in Nederland overschrijden momenteel op veel plaatsen de grenswaarden die hier vanuit Europa aan zijn gesteld. Het wegverkeer levert over het algemeen een belangrijke bijdrage aan deze overschrijdingen. Voor het berekenen van deze bijdrage worden emissiefactoren gebruikt, die voor verschillende typen voertuigen en onder verschillende rij-omstandigheden de gemiddelde uitstoot geven per voertuigkilometer. Het Milieu- en Natuurplanbureau stelt jaarlijks een set algemene emissiefactoren vast voor het wegverkeer, die onder meer toegepast wordt in de jaarlijkse update van het CAR-II-model.
In dit rapport wordt beschreven hoe de huidige set algemene emissiefactoren voor het wegverkeer, die maart 2006 is vastgesteld en gepubliceerd, tot stand is gekomen. Deze emissiefactoren zijn omgeven met en zekere mate van onzekerheid, maar op basis van de huidige kennis kan geen kwantitatieve schatting gegeven worden van deze onzekerheid. De wijze waarop de set emissiefactoren wordt afgeleid, beperkt de toepasbaarheid van de emissiefactoren. In dit rapport wordt deze toepasbaarheid verder toegelicht.
Auteur:
G.P. Geilenkirchen
500076004
2006
Nederlandse titel:Ammoniakuitwisselingsmetingen boven een smijmaisveld in Lelystad, Nederland in 2009
Samenvatting:Ammoniak in de buitenlucht is in Nederland voor het merendeel (90%) afkomstig van agrarische activiteiten. Nog niet alle emissieposten zijn helder in beeld. Een van die posten is de emissie van landbouwgewassen die voornamelijk plaatsvindt bij hogere temperaturen en tijdens het afrijpen (afsterven) van het gewas. In dit rapport wordt verslag gedaan van emissiemetingen van ammoniak boven een snijmaïsveld in Lelystad in 2009. Door omstandigheden is een groot deel van de relevante metingen verloren gegaan; in dit rapport wordt daarom voornamelijk de gebruikte techniek uitgelegd. Auteurs:R.J. Wichink Kruit, H. Volten, M. Haaima, D.P.J. Swart, M.C. van Zanten en W.A.J. van Pul
Rapportnummer:RIVM Rapport 680180002
Jaar van uitgave:2010
PRISMA rapportSamenvatting:De actieplannen zijn beleidsdocumenten die zowel het beleid beschrijven voor zover dat strekt tot beperking van de geluidsbelasting, alsmede de extra, in de eerstvolgende vijf jaar te treffen maatregelen. De bronbeheerders zijn, hoewel de naam “actieplan” anders doet vermoeden, niet verplicht om de in het actieplan beschreven maatregelen daadwerkelijk te treffen. Zij spreken wel het voornemen daartoe uit. Bij het vaststellen van de actieplannen moet wel voldoende aannemelijk zijn dat de voorgenomen maatregelen, tenminste in technische en financiële zin, uitvoerbaar zijn. Doel van de maatregelen is om het aantal gehinderden, ernstig gehinderden en slaapgestoorden te verminderen door het verlagen van de geluidsbelasting door wegverkeer. Hierdoor wordt de milieukwaliteit langs de provinciale wegen verbeterd.Auteur:Sight Ruimte en MilieuRapportnummer:P070234-5-090227-296-R-CW-rd eindrapportJaar van uitgave:Februari 2009
De Balans van de Leefomgeving is de opvolger van de Natuurbalans, de Milieubalans en de Monitor Nota Ruimte. De Balans zal voortaan elke twee jaar uitkomen. In deze veelomvattende studie maakt het PBL de balans op van de ontwikkelingen in de afgelopen jaren op het gebied van onder meer verstedelijking, bereikbaarheid, milieu, klimaat en biodiversiteit.
Samenvatting: De kwaliteit van de leefomgeving is de laatste twintig jaar sterk verbeterd, mede dankzij het gevoerde overheidsbeleid. Lucht en oppervlaktewater zijn schoner geworden, de steden zijn aantrekkelijker om te wonen en de natuur krijgt meer ruimte. Tegenover dit goede nieuws staat dat er op het gebied van de leefomgeving nog grote problemen overblijven, zoals de reeds merkbare klimaatverandering, de afnemende biodiversiteit en de teruglopende bereikbaarheid, vooral van de Randstad. Om het tij te keren zijn gerichte beleidsmaatregelen nodig. Dit zal een belangrijke opgave zijn voor het nieuwe kabinet. Op de korte termijn profiteert de leefomgeving nog van de economische neergang: de uitstoot van vervuilende stoffen is lager door de teruggelopen economische activiteit, en de druk op de schaarse ruimte is tijdelijk afgenomen. Daar staat tegenover dat het als gevolg van de crisis moeilijker is om geld beschikbaar te krijgen voor de ontwikkeling van schone technieken. Als investeringen in stedelijke ontwikkeling en in natuur en landschap teruglopen door bezuinigingen, dan zal dit zowel de leefbaarheid in de steden als de kwaliteit van natuur en landschap onder druk zetten. Het op een slimme, doelmatige manier voortzetten van succesvol beleid is cruciaal.
Basisrapport monitoring Drentsche Aa, stand van zaken 2007.
Contactpersoon:Kees FolkertsmaTelefoon: 0592 - 36 58 64
In het ‘Beleidsplan Groen Water en Milieu 2006-2010’ zijn de strategische visie en de ambities voor een aantrekkelijke en duurzame leefomgeving in Zuid-Holland vastgelegd. De rapportage ‘BGWM in Beeld’ brengt de uitgangssituatie van de beleidsonderwerpen uit het BGWM in beeld. Per beleidsprogramma zijn de effecten van het beleid (de ‘outcome’) zichtbaar gemaakt.
M. Hozee
Samenvatting:De aanleiding van de studie is het voornemen van de Minister van VROM de benchmark op te nemen in de Waterleidingwet. Deze verplichte benchmark zal bestaan uit vier onderdelen: waterkwaliteit, dienstverlening, milieu en financiën. De drinkwatersector voert sinds 1999 op vrijwillige basis een benchmark uit. De informatie in de vrijwillige benchmark over de prestaties op het gebied van waterkwaliteit is eenzijdig. Daarom stelt het RIVM voor het onderdeel waterkwaliteit, behalve een verplichte prestatievergelijking (benchmark) ook een beleidstoets voor.
De doelgroep voor de prestatievergelijking zijn alle 'stakeholders' en voor de beleidstoets de rijksoverheid. De waterleidingsector kan de prestatievergelijking zelf uitvoeren. Een onafhankelijke instelling (bijvoorbeeld de Rekenkamer of het RIVM) kan de beleidstoets uitvoeren. Indicatoren voor waterkwaliteit (prestatievergelijking en beleidstoets) en milieu zijn in dit rapport beschreven.
Een van de indicatoren voor de prestatievergelijking is de Waterkwaliteitsindex (WKI). De WKI is een getal, gebaseerd op drinkwaterkwaliteitsgegevens, waarmee op een hoog abstractieniveau de waardering van de drinkwaterkwaliteit tussen de waterleidingbedrijven wordt vergeleken. De WKI die de bedrijfstak gebruikt in de vrijwillige benchmark is geëvalueerd. Het RIVM doet naar aanleiding hiervan voorstellen voor veranderingen van de WKI. Het RIVM heeft samen met de VEWIN de voorstellen uitgewerkt tot een operationele WKI 'nieuwe stijl'.
Voor het onderdeel milieu van de prestatievergelijking is de milieu-Levenscyclusanalyse (m-LCA) goed toepasbaar, maar er mist een goede indicator voor het onderwerp verdroging. Verdroging als gevolg van grondwaterwinning is het belangrijkste onderwerp als het om de milieubelasting van de sector gaat. De milieubelasting van de drinkwatersector vergeleken met andere netwerksectoren is relatief gering. Het belangrijkste onderwerp van de milieubelasting maakt geen deel uit van de m-LCA. Daarom is het de vraag of het zinvol is dit relatief complexe instrument in te zetten voor de verplichte benchmark. Wellicht kan worden volstaan met indicatoren voor de meest relevante onderwerpen namelijk: verdroging/vernatting; energieverbruik; milieuvriendelijke energieverbruik en hergebruik van afvalstoffen. De overige indicatoren voor de prestatievergelijking en de beleidstoetsing zijn in dit rapport op hoofdlijnen weergegeven. Nadere uitwerking zal in een vervolgopdracht plaatsvinden. Auteurs:
J.F.M. Versteegh, B.H. Tangena en J.H.C. Mulschlegel
RIVM rapport 734301023
Samenvatting:Er is een methodiek ontwikkeld, gebaseerd op een stapsgewijze aanpak, om de locatie-specifieke risico's van bodemverontreiniging met asbest te kunnen bepalen. Bovendien is een onderbouwing gegeven voor de interventiewaarde voor asbest, welke recentelijk werd geformaliseerd door het Ministerie van VROM via het Interimbeleid voor asbest in bodem, grond en puin(granulaat).
Risico's voor de mens ten gevolge van inhalatie van asbest vezels zijn het meest kritisch. Daarom is de risico-analyse gebaseerd op de mogelijkheid voor asbestvezels om in de lucht te komen, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen chrysotiel en amfibool asbest, hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest en respirabele en niet-respirabele fractie in de bodem. Omdat het gedrag van asbest in de bodem verschilt van die van andere contaminant is geen gebruik gemaakt van het CSOIL blootstellingsmodel. In plaats hiervan is voor de afleiding van de interventiewaarde gebruik gemaakt van meetresultaten uit de praktijk, te weten asbestconcentraties in de bodem en de lucht. In stap 2 en 3 van de methode om het locatie-specifieke risico te bepalen is gebruik gemaakt van meetmethoden.
Auteurs:F.A. Swartjes, P.C. Tromp en J.M. Wezenbeek
RIVM rapport 711701034
2003
In mei 2002 hebben de ministeries van VROM en VWS het Actieprogramma Gezondheid en Milieu aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Daarin was onder meer een ontwerp van het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu opgenomen. Dit is een instrument waarmee factoren in beeld worden gebracht die een rol spelen bij beleids-beslissingen over milieuproblemen met gezondheidsaspecten. Het gaat dan niet alleen om ernst en omvang van gezondheidseffecten, maar ook om risicoperceptie, kosten-baten analyses en handhavingsaspecten.
In dit rapport wordt aan de hand van een deskundigenconsultatie, een literatuur onderzoek en een tweetal workshops aannemelijk gemaakt dat voor de ontwerpversie de juiste uitgangspunten zijn gekozen. Tevens wordt een vernieuwde versie van het beoordelingskader gepresenteerd, waarin de eerste ervaringen met het gebruik in de praktijk zijn verwerkt.
Auteurs:
Bruggen, M. en T. Fast
RIVM rapport 609026003
Zie ook RIVM rapport 251701047: 'Nuchter omgaan met risico's'
Samenvatting:In Nederland zijn twee modellen in gebruik om op nationale schaal de effecten van milieuveranderingen op de vegetatie in te schatten: DEMNAT en SMART/MOVE. DEMNAT richt zich vooral op de effecten van grondwaterveranderingen op natte en vochtige systemen, terwijl SMART/MOVE zich vooral richt op de gecombineerde effecten van verdroging, verzuring en vermesting van alle ecosystemen. Er is een overlap tussen beide modellen. Daarom is besloten tot verdere afstemming om mogelijk op termijn tot integratie te komen.
Een eerste stap naar afstemming is het gebruik maken van dezelfde basisgegevens. Hiervoor is een grote dataset samengesteld die bestaat uit 170.000 opnamen, waar zowel de responsmodule MOVE van afgeleid werd als de ecotopenindeling van DEMNAT. Dit rapport beschrijft hoe deze gegevens zijn gebruikt om de indeling van soorten in ecologische soortengroepen te verbeteren. De dataset bevat opnamen uit alle delen van het land, maar de dichtheid van opnamen is in sommige delen groter dan in andere delen. De data, waarop een eerste indeling is gebaseerd, zijn vergeleken met literatuurgegevens. Met gevonden inconsistenties tussen indeling en literatuur, die vooral veroorzaakt werden door heterogeniteit van opnamen en het voorkomen van meerdere vegetatielagen in een opname, b.v. oppervlakkig wortelende mossen en diep wortelende struiken, is rekening gehouden bij de analyse. Deze procedure leidde tot een groot aantal aanbevelingen ter verbetering van de indeling in ecologische soortengroepen.
J. Runhaar, M. van 't Zelfde, C.L.G. Groen en J.R.M. Alkemade (eds.)
RIVM rapport 408657009
Jaar van uitgave:2003
Samenvatting:Dit rapport beschrijft de ontwikkeling en een pilot-toepassing van een modelleringsmethode ten behoeve van de bepaling van betrouwbaarheid van verblijftijden van grondwater dat naar grondwateronttrekkingen stroomt. De methode, die van de eindige-elemententechniek gebruik maakt, is opgenomen in het rekenmodule LGMLUC, een aanvullende module van het Landelijk Grondwatermodel LGM, van het RIVM.
De betrouwbaarheid wordt voorgesteld als een band (zone) rondom de verwachtingswaarde van een verblijftijd-isochrone, bijvoorbeeld 25 jaar. De breedte van deze band voor een zekere waarschijnlijkheid van voorkomen (bijvoorbeeld tussen de 97,5 en 2,5 percentielwaarden) neemt toe met een toenemende onzekerheid van modelinvoer parameters. Gebruik is gemaakt van de First-Order Second-Moment (FOSM) methode voor de analyse van de voortplanting van fouten. De resultaten van de FOSM methode zijn vergeleken met die van de Monte Carlo aanpak voor een LGM-model en als een onafhankelijke test een TRIWACO-model. Uit deze vergelijking is geconcludeerd dat de FOSM-methode adequaat en rekentechnisch effectief is voor het analyseren van de betrouwbaarheid van verblijftijden. Aangenomen is dat de kansdichtheidsverdeling van verblijftijden lognormaal verdeeld is.
De methode houdt rekening met de onzekerheid in een aantal modelinvoer parameters, zijnde de factoren die de onzekerheid in verblijftijden tot gevolg hebben. De onzekerheid van de parameters is bepaald door middel van calibratie (invers model) en expert-judgement. De toepasbaarheid van de ontwikkelde methode is aan de hand van een pilot-studie getoond, gebruikmakend van het binnen het LGM bestaande deelmodel Utrecht. De methode kan bij verschillende dichtheid van eindige-elementengrid worden gebruikt, zowel voor problemen op lokale schaal (hoge griddichtheid) als op regionale schaal. De informatie over de betrouwbaarheid van verblijftijden kan worden benut voor beleidsmatige beslissingen, zoals bij onderzoek naar risico's binnen de bestaande grondwaterbeschermingsgebieden.
Auteurs:K. Kovar, A. Leijnse, G. Uffink, M.J.H. Pastoors, J.H.C. Mulschlegel en W.J. Zaadnoordijk
RIVM Rapport 703717013
2005
In de Bio-Monitor staan de laatste trends en jaarcijfers van de biologische sector, zowel in nationaal als internationaal perspectief. De Bio-Monitor verschijnt elk jaar in april.
De Bio-Monitor is een van de producten van Biologica, de Nederlandse organisatie voor biologische voeding en landbouw.
Samenvatting:Het RIVM heeft twaalf stoffen geselecteerd die model staan voor de mate waarin biociden voorkomen in oppervlaktewater. Aanbevolen wordt deze stoffen te meten op locaties waar oppervlaktewater wordt ingenomen voor de drinkwaterproductie. De twaalf stoffen worden als biocide gebruikt. Dit zijn middelen die door de industrie en huishoudens worden gebruikt om schadelijke organismen te bestrijden. Biociden kunnen oppervlaktewater verontreinigen als restanten ervan in het afvalwater komen en onvoldoende worden verwijderd in de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Aanleiding voor dit onderzoek is de wens van het ministerie van VROM om meer inzicht te verkrijgen in de mate waarin biociden in het oppervlaktewater voorkomen. Door de geselecteerde 12 stoffen te gaan meten, kan duidelijk worden of ze de norm voor drinkwater overschrijden. Vooralsnog ontbreken deze meetgegevens. Het RIVM signaleert in het onderzoek eveneens dat er weinig gegevens beschikbaar zijn over de mate waarin biociden gebruikt worden. Deze gegevens zijn nodig om de verwachte concentraties in het oppervlaktewater te berekenen.
Auteur:J. BakkerRapportnummer:RIVM rapport 601712007
Samenvatting:Dit rapport presenteert een test van een samengestelde soorttrendindicator voor Europa ten behoeve van de evaluatie van de 2010 biodiversiteitsdoelstelling, gebruik makend van bestaande data. De indicator integreert trends van verschillende soortgroepen, en kan worden geaggregeerd over habitats en landen. Op deze wijze kan de indicator zowel boodschappen leveren op hoofdlijnen, als gedetailleerde informatie voor diepgaande analyses, gebruik makend van data uit uiteenlopende bronnen, verzameld met uiteenlopende methodes.
Auteurs:M. de Heer, V. Kapos en B.J.E. ten Brink
RIVM rapport 717101001
Wetenschappelijke publicatie
Nederlands titel:Biologische metingen in een landelijk bodemmeetnet
Abstract:In the Netherlands soil biological measurements are undertaken in a nationwide monitoring programme. The measurements are combined in the Biological Indicator of Soil Quality (BISQ). About 300 locations were selected in a random stratified design comprising stringent combinations of land use and soil type. All locations were sampled in a six-year cycle. In this contribution we describe the monitoring network and the BISQ and present average values for biomass, abundances and taxonomic diversity of various soil dwelling organisms derived from 10 years of measurements. We further highlight some results and discuss the possibilities in soil and land management policy frameworks for improving sustainable land management.
Tijdschrift: European Journal of Soil ScienceVol. 60, iss. 5, p. 820-832
Jaar: 2009
Auteurs:M. Rutgers, A.J. Schouten, J. Bloem, N. van Eekeren, R.G.M. de Goede, G. Akkerhuis, A. van der Wal, C. Mulder, L. Brussaard en A.M. Breure
Nederlandse titel:Vogelen voor wetenschap en bescherming: het verklaren van wijzingen van de broedvogeldiversiteit door de tijd in Nederland.
Samenvatting:Dit proefschrift is een bundeling van zes Engelstalige artikelen die eerder in wetenschappelijke tijdschriften verschenen, uitgebreid met onder andere een inleiding, een synthese en een Nederlandse samenvatting. Het centrale thema betreft de veranderingen in de Nederlandse broedvogelbevolking in de afgelopen decennia en de achtergronden daarvan. Hierbij wordt gebruik gemaakt van gegevens die zijn verzameld in het kader van de broedvogelmeetnetten BMP en LSB, de beide broedvogelatlassen en het Oude Tijdreeksenproject. De afzonderlijke hoofdstukken gaan onder andere in op langetermijntrends van moerasvogels in Nederland (onlangs ook verschenen in Ardea), de homogenisering van regionale broedvogelgemeenschappen, de invloed van klimaatverandering en de effecten van natuurontwikkeling langs de Grote Rivieren op broedvogels. Auteur:C.A.M. van TurnhoutRapportnummer:ISBN: 978-90-9025945-1Jaar van uitgave: 2011
Samenvatting:Verslag van de bodemsaneringsoperatie in 2005. De verrichte inventarisatie maakt duidelijk dat de problematiek aanzienlijk is. De bodem in ons dichtbevolkte land is op vele plaatsen verontreinigd. De aanpak daarvan vraagt al jaren grote inzet van middelen en zal dat ook de komende jaren blijven doen. Ten behoeve van de planning en sturing van deze operatie functioneert nu zes jaar een monitoringssystematiek, waarmee inzicht verkregen wordt of en in welke mate belangrijke doelstellingen van het bodemsaneringsbeleid gerealiseerd worden.
Auteur: N. Witte (ed.)
Jaar van uitgave: 2006
Samenvatting:Verslag van de bodemsaneringsoperatie in 2006. De verrichte inventarisatie maakt duidelijk dat de problematiek aanzienlijk is. De bodem in ons dichtbevolkte land is op vele plaatsen verontreinigd. De aanpak daarvan vraagt al jaren grote inzet van middelen en zal dat ook de komende jaren blijven doen. Ten behoeve van de planning en sturing van deze operatie functioneert nu zes jaar een monitoringssystematiek, waarmee inzicht verkregen wordt of en in welke mate belangrijke doelstellingen van het bodemsaneringsbeleid gerealiseerd worden.
Auteur:N. Witte (ed.)
Jaar van uitgave:2007
Samenvatting:Verslag van de bodemsaneringsoperatie in 2007. Dit verslag maakt duidelijk dat de problematiek nog steeds aanzienlijk is. De bodem in ons dichtbevolkte provincie is op vele plaatsen verontreinigd. De aanpak daarvan vraagt al jaren grote inzet van middelen en zal dat ook de komende jaren blijven doen. Ten behoeve van de planning en sturing van de bodemsaneringsoperatie functioneert nu zeven jaar een monitoringssystematiek, waarmee inzicht verkregen wordt of en in welke mate belangrijke doelstellingen van het bodemsaneringsbeleid gerealiseerd worden. Auteur:N. Witte (ed.) Jaar van uitgave:2008
Samenvatting:Verslag van de bodemsaneringsoperatie in 2007. Dit verslag maakt duidelijk dat de problematiek nog steeds aanzienlijk is. De bodem in ons dichtbevolkte provincie is op vele plaatsen verontreinigd. De aanpak daarvan vraagt al jaren grote inzet van middelen en zal dat ook de komende jaren blijven doen. Ten behoeve van de planning en sturing van de bodemsaneringsoperatie functioneert nu zeven jaar een monitoringssystematiek, waarmee inzicht verkregen wordt of en in welke mate belangrijke doelstellingen van het bodemsaneringsbeleid gerealiseerd worden.
Jaar van uitgave:2008
PRISMA rapportSamenvatting:Uit eerder onderzoek is gebleken dat het voor velen, onder andere voor planologen, niet duidelijk is wat het werkveld 'bodem' nu eigenlijk nodig heeft. Een verklarend onderzoek.Auteurs:R. Westerhof, J. Griffioen en H. WerksmaRapportnummer:005.64044Jaar van uitgave:2005
Een beschrijving van de business modellen van zeven grote gegevensproducerende en gegevensbeherende organisaties. Opgesteld in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Auteur:P. Sauer
Harmonisatie van de provinciale en rijksmeetnetten bodem- en grondwaterkwaliteit is belangrijk. Daarom auditten de meetnetbeheerders periodiek elkaars meetnetten. Het auditrapport 2008-2009 is in november 2009 vastgesteld in het Platform Meetnetbeheerders Bodem- en Grondwaterkwaliteit.
Samenvatting:Acht provincies en het RIVM waren bij de audits betrokken. Het merendeel van de werkzaamheden wordt op een goede en professionele wijze uitgevoerd. De meetnetbeheerders konden meerdere observaties onmiddellijk in praktijk brengen. Een aantal observaties is van principiëler aard en vergt aanpassing van het Handboek voor de monitoring of zelfs van (internationale) normbladen.
Meer informatie: Download het rapport in PDF via deze link.
Het rapport beschrijft een softwarepakket dat begin jaren negentig is ontwikkeld om statistische luchtkwaliteitsmodellen te vervaardigen ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt.
Het pakket, Creamod, bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Een werkend model bestaat uit een definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd, statistiekenbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen en de rekenstructuur die Creamod biedt.
Auteur:H. Noordijk
RIVM rapport 725301011
PRISMA rapportVolledige titel:Bodem als RO-planningsfactor in het landelijk gebied. Handreiking voor de werkvelden bodem en planologie.Samenvatting:Resultaten van onderzoek naar het vinden en ontwikkelen van argumenten en instrumenten voor het integreren van duurzaam bodembeheer en ruimtelijke ontwikkeling.Auteurs:R. Westerhof, R. Busink, H. Werksma, H. Puylaert en C. BaldukJaar van uitgave:2003
Oorspronkelijke titel:Dynamics of groundwater and surface water quality. From field-scale processes to catchment-scale models.Samenvatting: Een grote natuurlijke dynamiek in de waterkwaliteit van Nederlandse beken maakt het moeilijk de kwaliteit van het water goed vast te stellen. Hierdoor is het vaak ook niet mogelijk het effect van maatregelen die de waterkwaliteit zouden moeten verbeteren aan te tonen. Daarom heeft ecohydroloog Ype van der Velde gezocht naar nieuwe meettechnieken om de dynamiek in waterkwaliteit te meten en nieuwe modelconcepten geformuleerd die deze dynamiek kunnen beschrijven en voorspellen. Van de Velde laat voor de Hupselse Beek in de Achterhoek zien hoe met een innovatieve combinatie van metingen en modellen de verandering in dynamiek van de waterkwaliteit kan worden gerelateerd aan een afname van de mestgift van de landbouw gedurende de afgelopen 30 jaar. Hiermee draagt het onderzoek bij aan de kennis die nodig is voor duurzaam beheer van de grond-en oppervlaktewater in laaglandstroomgebieden.Auteur:Ype van de Velde
Proefschrift
Samenvatting:Jaarlijkse rapportage in de reeks 'kwaliteit van het drinkwater in Nederland'. Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de meetprogramma's over 2009, die de drinkwaterbedrijven uitvoeren ter controle van de drinkwaterkwaliteit en de gebruikte grondstof.Auteurs:J.F.M. Versteegh en H.H.J. DikRapportnummer:RIVM rapport 703719065/2010Jaar van uitgave:2010
Volledige titel:De kwaliteit van ondiep en middeldiep grondwater in Nederland. In het jaar 2008 en de verandering daarvan in 1984 - 2008.
Samenvatting:In 2008 overschrijden ammonium, totaal-fosfor, nitraat, kalium, nikkel, cadmium, zink, chroom, arseen, sulfaat, chloride, de zuurgraad en aluminium de toetsingswaarde in het ondiepe en middeldiepe grondwater van Nederland. Tussen 1984 en 2008 is de grondwaterkwaliteit over het algemeen weinig veranderd. In zandgebieden is de kwaliteit zowel gedaald als gestegen. Aangetoonde dalingen kunnen het gevolg zijn van minder mestgebruik, minder atmosferische neerslag van metalen en een lagere aanvoer van dierlijke mest. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VROM.In de zandgebieden zijn veel van de toetsingswaarden overschreden. Vooral in het ondiepe grondwater van het zuidwestelijke zandgebied en de Peelhorst en oude rivierterrassen langs de Maas komen veel verhoogde concentraties voor. Waarschijnlijk veroorzaakt de afbraak van organisch materiaal de hoge concentratie totaal-fosfor en ammonium in het rivierengebied. Daarnaast is arseen in dit gebied van nature in hoge mate aanwezig. Als gevolg van invloeden van zee zijn de concentraties van chloride en kalium in de zeeklei- en laagveengebieden hoog. Overeenkomsten tussen het ondiepe en middeldiepe grondwater in polders en droogmakerijen en het zeekleigebied suggereren dat door de afbraak van organische stof ammonium vrijkomt. Brak water in de ondergrond van duinen en strandwallen beïnvloedt de hoge concentraties chloride, sulfaat en kalium in het middeldiepe grondwater aldaar. De afbraak van organisch materaal is de meest voor de handliggende verklaring voor de hoge concentraties ammonium en totaal-fosfor in zowel ondiep als middeldiep grondwater.Auteurs:M.E. van Vliet, A. Vrijhoef, L.J.M. Boumans en E.J.W. Wattel-KoekkoekJaar van uitgave:2010
Brochure ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van het luchtmeetnet van de DCMR Milieudienst Rijnmond. De brochure geeft een overzicht van veertig jaar luchtmetingen en de luchtkwaliteit in het Rijnmondgebied.
Uitgave:DCMR Milieudienst Rijnmond
Nederlandse titel: Ontwikkelingen in het monitoren van de effectiviteit van de Nitraatlijn Actieprogramma's.
Samenvatting:Lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de waterkwaliteit en de effecten van hun mestbeleid daarop te monitoren en hierover te rapporteren aan de Europese Commissie. Uit een internationale workshop blijkt dat landen hun monitoringsverplichting verschillend invullen doordat voorschriften ontbreken. Een andere bevinding is dat de meeste landen de afgelopen zes jaren hebben geïnvesteerd in een uitbreiding van de monitoring van de waterkwaliteit.
Het RIVM heeft de workshop in 2009 met het Deense Milieuonderzoeksinstituut (DMU), de Geologische Dienst voor Denemarken en Groenland (GEUS) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, georganiseerd. Aan deze tweede MonNO3-workshop namen twaalf landen uit Noordwest- en Midden-Europa deel. De workshop richtte zich vooral op de ontwikkelingen sinds 2003, het jaar dat de eerste MonNO3 workshop heeft plaatsgevonden.Auteurs:B. Fraters, K. Kovar, R. Grant, L. Thorling, J.W. Reijs
Rapportnummer:680717019/2011
Samenvatting:Vanaf het begin van de jaren negentig stelt de Werkgroep Uniformering berekening Mest en mineralencijfers (WUM) jaarlijks standaardfactoren vast voor de mestproductie en mineralenuitscheiding per diercategorie. De productie van dierlijke mest en de uitscheiding van stikstof, fosfaat en kalium worden berekend door de standaardfactoren per diercategorie te vermenigvuldigen met het aantal dieren in de landbouwtelling. Dit artikel geeft een kort overzicht van de rekenmethodiek en de uitgangspunten die voor de berekening van de mestproductie en mineralenuitscheiding in 2009 zijn toegepast.
Auteur:Centraal Bureau voor de Statistiek
Rapportnummer:16255201101 / C-72Jaar van uitgave: 2011
Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan wetgeving. Daarom is onderzoek of toetsing noodzakelijk om na te gaan of het plan aan de vereisten voldoet. De uitvoering van toetsen en onderzoeken blijkt in de praktijk complex en tijdrovend. Want toetsen en onderzoeken beïnvloeden elkaar, waardoor onderlinge afstemming en coördinatie ervan zeer bewust moet plaatsvinden. Dit kan een aanzienlijke uitdaging zijn. Het digitaal handboek stroomlijning toetsen biedt de informatie die helpt om onderzoeken en toetsen te stroomlijnen.
Samenvatting:De Natuurplanner versie 2.4 bestaat uit 5 modulen. Elke module bevat een model en een schil eromheen, waarmee het model aanstuurbaar is binnen de NATUURPLANNER. Met versie 2.4 zijn de berekeningen uigevoerd voor de terrestrische natuurkwaliteit in de tweede Natuurverkenning (RIVM, 2002).
In dit rapport worden de technische testen beschreven die zijn uitgevoerd, voordat de Natuurplanner is ingezet in de Natuurverkenning. De testen richten zich op het technisch functioneren van de modellen binnen de Natuurplanner. Inhoudelijk is er voor de verschillende modellen documentatie beschikbaar. De testprocedure voor de modulen is een stapsgewijze aanpak. De eerste stap is een eenvoudige test, indien een module niet door de test komt werd de module teruggelegd bij de ontwikkelaars. Na herstel werd de module opnieuw getest met de eenvoudige test en een uitgebreide test. Tot de module foutloos door de testen heen komt. Deze testprocedure heeft ertoe geleid dat de Natuurverkenning uitgevoerd is met modules die voldoen aan technisch functionele eisen. Dit testrapport en de toepassing in de Natuurverkenning 2 tonen aan dat een test vooraf resulteert in een vrijwel foutloze en efficiënte berekening, zonder dat in de loop van een project extra tijd en inzet nodig zijn.
M. Bakkenes, D.C.J. van der Hoek en J.R.M. Alkemade
RIVM rapport 500002001
PRISMA rapportSamenvatting:De belangrijkste en meest voorkomende gezondheidseffecten van geur zijn hinder en verstoring van activiteiten en gedrag. Stressgerelateerde gezondheidseffecten kunnen ook optreden. Het is echter niet duidelijk welke gezondheidseffecten dit zijn, zodat er geen dosis-effect relatie opgesteld kan worden.De woontevredenheid is geen goede indicator voor de effecten van geur. Over het algemeen leveren andere kenmerken van de woning- of woonomgeving dan de geurbelasting of ernstige geurhinder een belangrijkere bijdrage aan de woontevredenheid.Auteurs:T. Fast en M. Smeets (OpDenKamp Adviesgroep)Rapportnummer:IP-DER-06-40 Jaar van uitgave:2006
PRISMA rapportVolledige titel:Draaiboek voor de organisatie van een evenement gebaseerd op de organisatieprocedure van het MVO-Event 'Duurzaam=Gewoon Doen!' 27 maart 2008 in de Zeelandhallen te GoesSamenvatting:Deze handleiding geeft een stapsgewijs overzicht van de elementen die van belang zijn om in overweging te nemen bij de organisatie van een evenement rondom MVO (Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen). Deze handleiding is geschreven vanuit het perspectief van een overheidsorganisatie, namelijk een provinciale organisatie. Het organiseren van een dergelijk evenement door een provinciale organisatie is geen standaard bezigheid. Deze handleiding is opgesteld om een beeld te geven van datgene wat noodzakelijk is om dit evenement te kunnen organiseren.Auteurs:A. Mol, J. Feijtel en S. JanssenJaar van uitgave:2008
PRISMA rapportVolledige titel:Duurzame wijken in de praktijk. Met de instrumenten van DPL en DKK
Samenvatting:Gebiedsontwikkeling is een belangrijk aanknopingspunt voor gemeenten om daadwerkelijk een duurzaam beleid te realiseren. Enerzijds gebruiken zij het meetinstrument "Duurzaamheidsprofiel van een locatie" (DPL) en anderzijds een instrument dat de mogelijke maatregelen in kaart brengt: het "DuurzaamheidsKansenKompas" (DKK).Auteur:Rogier Wilms (projectleider)Jaar van uitgave:2006
PRISMA rapportVolledige titel:Meten aan duurzaamheid van een wijk. Het duurzaamheidsprofiel - DPL - in de praktijk.Samenvatting:Er is steeds meer vraag naar duurzaamheid bij gebiedsontwikkeling. Het duurzaamheidsprofiel (DPL) is een handzaam instrument om de duurzaamheid van een gebied of wijk te meten.Auteur:Rogier Wilms (projectleider)Jaar van uitgave:2006
PRISMA rapportVolledige titel:Projectbeschrijving Cascadepark Almere WestSamenvatting:Almere als duurzame stad krijgt extra betekenis met het Cascadepark West, het stadspark voor Almere Poort. Het is een belangrijke ambitie om het Cascadepark tot een inspirerend voorbeeld te maken van duurzaamheid in Nederland.Auteur:Rogier Wilms (projectleider)Jaar van uitgave:2006
Samenvatting:Dit rapport presenteert de belangrijkste cijfers voor people, planet en profit voor zeven verschillende primaire landbouwsectoren en voor de land- en tuinbouw als geheel. Er zijn agrarische bedrijven die goed scoren op zowel people, profit als planet. Maar er zijn ook agrariërs die zich nog nauwelijks bezig houden met duurzaamheid, of goed scoren op slechts eén van de drie factoren. Dat betekent dat er op een deel van de bedrijven nog veel mogelijkheden zijn voor duurzaamheidswinst.
Auteurs:J.A. Boone en J.W.H. van der Kolk
Rapportnummer:WOT rapport 105
Samenvatting:Dit rapport behandelt een nieuwe methode voor het berekenen van het ecologische risico in kavelsloten dat wordt veroorzaakt door het gebruik van een groot aantal bestrijdingsmiddelen (261) in Nederland voor het jaar 1998.
De gehele berekening is terug te voeren op een GIS-kaart van het agrarisch landgebruik, waarbij 51 verschillende teelten worden onderscheiden. Hierdoor is het mogelijk om de resultaten in kaartbeelden weer te geven. Door de toepassing van soortengevoeligheidsverdelingen (SSD) en rekenregels voor combinatietoxiciteit, wordt de berekende blootstelling omgerekend naar een risicoschatting voor de aquatische levensgemeenschap die aanwezig hoort te zijn in kavelsloten. Dit risico wordt weergegeven als de fractie van de soorten die wordt geacht enig effect van de blootstelling te ondervinden.
In de samenvatting van de risicokaarten wordt aangetoond dat het merendeel van het voorspelde risico wordt veroorzaakt door het gangbare bestrijdingsmiddelengebruik in de aardappelteelt. Slechts 7 van de 261 bestrijdingsmiddelen zijn verantwoordelijk te stellen voor 95% van het voorspelde risico. Voor alle bestrijdingsmiddelen tezamen is 50% het maximum risico dat is berekend voor enige plek in Nederland. Met behulp van simpele statistische regressie technieken is het berekende risico vergeleken met de door waterkwaliteitsbeheerders gemeten soortensamenstelling in het veld. Deze analyse levert een zwakke indicatie dat de voorspelde aantasting van het ecosysteem ook werkelijk waarneembaar is in het veld. Het geringe aantal beschikbare biologische waarnemingen in kavelsloten tezamen met een grote variabiliteit in de meetgegevens is er echter voor verantwoordelijk dat er geen significante relatie tussen modelvoorspelling en waarnemingen is aan te tonen.
Auteur:D. de Zwart
Rapportnummer:RIVM rapport 500002003
Samenvatting:In dit rapport wordt beschreven wat ecologische kwaliteit van bodem is, en op welke wijze deze gekwantificeerd kan worden. In bodem vinden een groot aantal processen plaats, die van belang zijn voor de mens (nutsfuncties), omdat ze bijdragen aan bijvoorbeeld de voedselvoorziening, het type en de kwaliteit van de natuur en de levering van schoon grondwater (voor de productie van drinkwater). Bodemorganismen spelen een belangrijke rol in die processen. Bij een duurzaam gebruik van de bodem is het van belang, om de bodemorganismen zodanig te gebruiken en te beheren, dat deze processen ook voor de toekomst gewaarborgd zijn. Hierbij moet ook de mogelijkheid beschikbaar blijven om het bodemgebruik te veranderen. Ter onderbouwing van het duurzaamheidsbeleid van de bodem wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een bodembiologische indicator (BoBI) voor gebruik op nationale schaal. Daarvoor worden ecologische gegevens over de soortdiversiteit, het aantal organismen per soort en de activiteit van de organismen verzameld. Ten behoeve van het beleid moet een karakteriseringsysteem van de bodem worden ontwikkeld in de termen van 'goed' en 'slecht'.
In dit rapport worden twee benaderingen beschreven om tot dergelijke kwaliteitscriteria te komen op basis van de tot dusver verzamelde data. 1) De mechanistische of functionele methode. Hierbij wordt nagegaan welke combinatie van nutsfuncties op een bepaalde plek gewenst is en vervolgens wordt de samenstelling van het daarbij behorende 'goede' bodemecosysteem beschreven met behulp van statistische interpretatie van de verzamelde bodemecologische data. 2) De statistische methode. Bij deze methode wordt voor een bepaalde combinatie van grondsoort en bodemgebruik bodemecologische data van een groep van geografische referenties verzameld en op basis daarvan wordt dan aangegeven wat de optimale samenstelling van het bodemecosysteem type is. Bij de toepassing van de indicator zou dan, in beide benaderingen, moeten worden aangegeven, in hoeverre de huidige kwaliteit voldoet aan de criteria van de gewenste kwaliteit.
Vanwege de complexiteit van de materie wordt voorgesteld beide benaderingen onafhankelijk van elkaar te ontwikkelen volgens het principe van multiple lines of evidence. Idealiter zullen beide benaderingen uiteindelijk tot een overeenkomend resultaat leiden. Tenslotte wordt een verdere ontwikkeling van de indicator voor toepassing op internationale en lokale schaal besproken.
A.M. Breure, M. Rutgers, J. Bloem, L. Brussaard, E. Didden, G. Jagers op Akkerhuis, Ch. Mulder, A.J. Schouten en H.J. van Wijnen
RIVM rapport 607604005
Volledige titel:Ecotoxiciteit van toxische mengsels in de bodem. Aanbevelingen voor toepassing in de Nederlandse regelgevingscontext, afgeleid uit een wetenschappelijk overzicht van concepten, modellen en gegevens.
Samenvatting:In dit rapport wordt een methode voorgesteld om de ecotoxicologische risico's van mengsels in de bodem te beoordelen voor diverse risicobeoordelingssituaties. De methode is afgeleid uit een evaluatie van recente wetenschappelijke ontwikkelingen en validatiestudies. Een expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen de mogelijkheden om experimentele resultaten van mengseleffecten in detail te interpreteren en de extrapolatie van deze resultaten naar het veld van risicobeoordeling.
De methode bestaat uit drie stappen, waarbij milieu-chemische, toxicologische en ecologische interacties apart behandeld worden. In de eerste stap wordt blootstelling behandeld. In de tweede stap wordt de "mixed-model approach" toegepast. Hierbij wordt de toxische druk van groepen van stoffen met hetzelfde werkingsmechanisme voorspeld door concentratie additie aan te nemen voor de biologische actieve fracties binnen deze groepen, terwijl de algehele risico's over deze groepen en de overgebleven groepen (met een uniek werkingsmechanisme in het mengsel) voorspeld wordt door response additie aan te nemen voor de biologische actieve fracties. De derde stap is het inschatten van de ecologische interacties. Voor deze laatste stap is de theoretische onderbouwing echter zwak en zijn er nauwelijks -tot geen- gegevens voorhanden. Mogelijkheden voor het toepassen van de voorgestelde methode in de risicobeoordelingspraktijk worden bediscussieerd door de voor- en nadelen op te sommen voor de diverse risicobeoordelingssituaties.
M. Mesman en L. Posthuma
RIVM rapport 711701035
Samenvatting:De uitstoot van de broeikasgassen methaan en lachgas wordt structureel onderschat. Dit is een gevolg van de meetmethodes die men hiervoor hanteert. Dit proefschrift presenteert een innovatieve meetmethode voor lachgas en methaan.
Auteur: P. Kroon (Energieonderzoek Centrum Nederland)
Samenvatting:Een belangrijke drijfveer om te monitoren is de wens of soms ook de verplichting om aan te tonen dat beleid effectief is en dat doelen zijn gehaald. Volgens de WOt-studie ‘Een blik op monitoring van de natuurlijke leefomgeving’ onder redactie van Martin Knotters, is het belangrijk om goed na te denken over de opzet van de monitoring. Te vaak komt het voor dat een monitoringplan achteraf toch niet de gewenste informatie oplevert. Of er is net niet genoeg gemeten, of er zijn net de verkeerde dingen gemeten. Een algemene tekortkoming is dat statistische kennis niet bij het ontwerp van een monitoringplan wordt benut. Data worden volgens steekproefopzetten verzameld die verwerking tot de vereiste informatie in de weg staan.
Auteur:M. Knotters (WUR, WOT Natuur & Milieu)Jaar van uitgave:2008
Samenvatting:Het RIVM heeft een eigen tool ontwikkeld om stedelijke luchtkwaliteitberekeningen uit te voeren. De rekenregels in deze tool zijn exact ontleend aan de wettelijke voorschriften voor standaardrekenmethode-1 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Bestaande berekeningen van de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) monitoringstool en web-based CAR (Calculation of Air pollution from Road traffic), twee tools die de uitstoot van verkeer in steden monitoren, zijn met de nieuwe tool gecontroleerd en in orde bevonden. De met de tool berekende concentraties stikstofdioxide en fijn stof PM10 zijn ook vergeleken met de metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit voor 2008 en 2009. De resultaten blijven binnen de marge tussen berekeningen en metingen die volgens de Europese richtlijn 2008/50/EG is toegestaan (respectievelijk 30 en 50 procent). Hiermee voldoet de nauwkeurigheid van de berekeningen aan de kwaliteitsdoelstellingen van deze Europese richtlijn.
Auteurs:P.L. Nguyen en J.P. WesselingJaar van uitgave:2011
Rapportnummer:680705018
Samenvatting:Met het rapport van het project Kwali-tijd fase 2 hebben de landelijke en provinciale meetnetbeheerders het uitwerkingskader van de harmonisatie van de bodem- en grondwatermeetnetten geformuleerd.
Het project Kwali-tijd behelst een samenwerking van provincies (IPO) en RIVM, verenigd binnen het platform meetnetbeheerders. Het project is een onderdeel van de Strategische Milieuagenda 2005-2008 en het hiermee samenhangende Programma IPO Strategische Milieu Agenda (PRISMA). De ambtelijke opdrachtgever is het IPO-BOOG, die gehoord het advies van de vakgroep bodembescherming, de resultaten van het project voorlegt aan de Stuurgroep Bodem [STUBO], waarin vertegenwoordigd zijn de ministeries van LNV en VROM, EZ, het IPO, de VNG, de Unie van Waterschappen en Bodem+.
Auteur:F. F. Otto
Jaar van uitgave:2005
Samenvatting:In dit rapport wordt een voorstel gedaan voor de monitoring van de emissies van Cd, Zn, Cu, Pb, Hg, Ni en Cr naar de landbouwbodem. Dit voorstel moet bijdragen aan een betere afstemming van de rapportages in de Emissiemonitor en de Milieubalans. Uit onderzoek blijkt dat de beschikbare databronnen niet meer voldoen om de metaalemissies met de huidige methoden te berekenen. Vooral de metaalaanvoer met dierlijke mest geeft problemen. Voor het bepalen van de Ni-, Cr-, Hg- en Pbaanvoer (Milieubalans) wordt uitgegaan van voornamelijk schattingen. Voor het bepalen van de Cu-, Zn- en Cd-aanvoer (Emissiemonitor) wordt hoofdzakelijk uitgegaan van gehalten in veevoer. Enerzijds zijn deze gegevens onvolledig, anderzijds zijn de gegevens onnauwkeurig.
In dit rapport wordt een alternatieve methode voorgesteld waarmee, met de huidige beschikbare gegevens, de emissies van alle metalen berekend kunnen worden. Tevens worden enkele aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de beschikbare gegevens verder te verbeteren. Verder worden in dit rapport aanbevelingen gedaan voor het vergaren van de noodzakelijke basisgegevens voor het gebruik van een meer geavanceerde methode. Daartoe moeten voor het berekenen van de aanvoer met dierlijke mest metaalgehalten in krachtvoer gemeten worden. Voor het berekenen van de aanvoer met de jacht moeten gegevens over de gebruikte hagelsoorten verzameld worden.
Auteurs:Delahaye, R. (CBS), P.K.N. Fong (CBS), M.M. van Eerdt (CBS), K.W. van der Hoek (RIVM), C.S.M. Olsthoorn (CBS)
Samenvatting:De emissies aan cadmium, chroom, kwik, lood en zink van de Nederlandse industrie naar lucht en oppervlaktewater zijn in de afgelopen 20 jaar flink verminderd.
Begin jaren negentig heeft de overheid afspraken gemaakt met de industrie om de emissies van diverse stoffen te reduceren. Hoewel niet voor alle metalen de toen vastgestelde percentages van 70 tot 90% emissiereductie zijn gehaald, zijn de emissies wel aanzienlijk verminderd.
Hierdoor zijn de ook de concentraties cadmium, chroom, kwik, lood en zink in lucht en regenwater in Nederland fors gedaald. De concentraties van deze metalen in de lucht liggen nu onder de milieukwaliteitsnormen. De huidige emissies en concentraties in de lucht hebben geen gevolgen voor de gezondheid van mensen.
Ook de gehalten aan cadmium, chroom, kwik, lood en zink in de Nederlandse oppervlaktewateren zijn flink gedaald, maar behalve voor kwik worden de streefwaarde en milieukwaliteitsnormen op verschillende plaatsen nog overschreden. Dat wordt overigens vooral veroorzaakt door andere bronnen dan de industrie.
Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water moeten de emissies aan zware metalen in de komende jaren verder worden teruggedrongen. Ook zijn er internationale afspraken gemaakt om de emissies van cadmium, lood en kwik naar de lucht te verminderen. Door de bouw van drie nieuwe kolengestookte energiecentrales en de mogelijke bouw van een kolenvergassingsinstallatie, zal de emissie van kwik waarschijnlijk echter toenemen.
Auteurs:M.G. Mennen, W.A.J. van Pul, P.L. Nguyen, E.A. Hogendoorn, E.M. van Putten, M.E. Boshuis-Hilverdink en G.M. de Groot
Rapportnummer:RIVM rapport 609100004
Er bestaan grote verschillen in de manieren waarop Nederlandse beleidskaders de kwaliteit van grondwater toetsen. Desondanks voldoen ze aan de Europese Dochterrichtlijn Grondwater. Dat komt omdat deze richtlijn alleen randvoorwaarden aangeeft en het gebruik van verschillende beoordelingsmethodieken toestaat.
Verontreinigingsbronnen op of in de bodem, zoals afvalstoffen, bestrijdingsmiddelen of mest, kunnen de kwaliteit van het grondwater bedreigen. Voor elk bijbehorend beleidskader bestaan wetten om de verontreinigingsbronnen te reguleren. Doel van het onderzoek was om de verschillen tussen de beoordelingsmethoden voor grondwater op te helderen en vast te stellen of de methoden voldoen aan de eisen die de Europese Dochterrichtlijn Grondwater stelt. Met deze informatie kan de huidige discussie tussen beleidsmakers en wetenschappers, over nut en noodzaak van het harmoniseren van de beoordelingsmethodieken beter gevoerd worden.
De volgende beleidskaders zijn in de rapportage besproken: afvalstoffen, baggerdepots, bestrijdingmiddelen, bodemkwaliteit/ bodemsanering, bouwstoffen, grond en bagger, grootschalige bodemtoepassingen, mestbeleid en stortplaatsen. Voor deze beleidstoepassingen worden doel, de uitgangspunten, het toetscriterium en de gehanteerde rekenmethoden beschreven.
A.J. Verschoor en F.A. Swartjes
RIVM rapport 711701070
2008
PRISMA rapportSamenvatting:De EPL Bedrijventerreinen (EnergiePrestatie op Locatie) als instrument kan bijdragen aan het realiseren van dit potentieel en een goede afweging mogelijk maken tussen het rendement van individuele en collectieve energieopties. Op dit moment ontbreekt het aan een energiemeetlat voor bedrijventerreinen. In opdracht van het IPO (Interprovinciaal Overleg) heeft CE onderzocht of een EPL voor bedrijventerreinen haalbaar is en of een dergelijk instrument uiteindelijk ook in de behoefte van potentiële gebruikers kan voorzien. Daarbij hebben we gekeken naar de behoefte, knelpunten bij de ontwikkeling en mogelijke ontwerpvarianten.
Auteurs:M.J. Blom, F.J. Rooijers en K. SingelsRapportnummer:04.6414.02
Jaar van uitgave:2004
Samenvatting:In het najaar van 2009 werd een evaluatie van het Monitoringportaal uitgevoerd. Het portaal bestond op dat moment één jaar. De evaluatie bestond uit een analyse van bezoekstatistieken en consultatie van opdrachtgevers en uitvoerders. Tevens werden enkele externe deskundigen geïnterviewd. De meerderheid van de opdrachtgevers en uitvoerders noemt de toegevoegde waarde van het portaal neutraal tot (zeer) groot. Uit de evaluatie resulteren vier belangrijke aanbevelingen voor verdere verbetering en door-ontwikkeling van het portaal.
Auteur:Mireille de Heer (De Heer & Co.), in opdracht van IPODe evaluatie werd begeleid door de redactiecommissie van het Monitoringportaal, bestaande uit G. Nienhuis (provincie Overijssel), T. Harmelink (provincie Drenthe), W. van Duijvenbooden (IPO) en A. Busweiler (provincie Noord-Holland).
Samenvatting:De doelstelling van het onderzoek is om de gegevens die zijn verzameld te analyseren en conclusies te trekken over de grondwaterkwaliteit in relatie tot de milieuthema’s verzilting, verzuring, vermesting en verspreiding. In dit rapport, uitgewerkt in een aantal onderzoeksvragen, vindt men:
Auteurs:H. Keijer, C. van der Brink en M. de Jong
Rapportnummer:9R6187
Jaar van uitgave:2006
Samenvating: Het TrendMeetnet Verzuring (TMV) blijkt een geschikt instrument om de effecten aan te tonen van het Nederlandse overheidsbeleid op het gebied van verzuring en luchtverontreiniging op de kwaliteit van het grondwater. Het meetnet registreert de invloed van atmosferische depositie, oftewel de neerslag van verzurende en vermestende stoffen uit de lucht, op de kwaliteit van het grondwater. Verminderde neerslag van deze stoffen is terug te zien in een betere kwaliteit van het grondwater. Zo heeft het meetnet aangetoond dat de nitraatconcentratie in het grondwater significant is afgenomen. Dit blijkt uit een evaluatie van het TMV door het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Het TMV is in 1989 gestart en is in beheer van het RIVM. Het meetnet volgt de kwaliteit van de bovenste meter van het grondwater onder natuurgebieden (bos en heide) op zandgronden. In deze gebieden zijn geen andere noemenswaardige bronnen van verzurende en vermestende stoffen die het grondwater verontreinigen. Bovendien is het vermogen van zandgronden om effecten van verzuring te neutraliseren beperkt. Daarom zijn effecten van atmosferische depositie op de grondwaterkwaliteit het duidelijkst meetbaar in natuurgebieden op zandgrond. In andere meetnetten is de invloed van atmosferische depositie niet te onderscheiden. In landbouwgebieden bijvoorbeeld overschaduwt het effect van bemesting veelal de invloed van andere verontreinigingsbronnen op de kwaliteit van het grondwater. Aanbevolen wordt om TMV-resultaten mee te nemen bij de rapportageverplichtigen van de Kader Richtlijn Water (KRW) over de grondwaterkwaliteit, en de monitoringfrequentie in lijn te brengen met deze rapportages (een cyclus van 6 jaar). De monitorfrequentie binnen het TMV zou dan omlaag kunnen. Om de efficientie van het TMV te vergroten is meer integratie met andere nationale en provinciale monitoringmeetnetten nodig. Bovendien kan meer coördinatie met activiteiten op het gebied van bos- en vegetatiemonitoring en meer uitwisseling van gegevens de meerwaarde van het meetnet vergroten.
Auteurs:A. de Goffau, E.J.W. Wattel-Koekkoek, K.W. van der Hoek en L.J.M. Boumans
Samenvatting:Op verzoek van het ministerie van VROM heeft het RIVM de opzet, uitvoering, nut en noodzaak van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit geevalueerd. Hieruit blijkt dat het meetnet inzicht oplevert in de kwaliteit van de bodem en het bovenste grondwater bij verschillende grondsoorten en typen landgebruik. Het fungeert, in lijn met de Beleidsbrief Bodem, als graadmeter voor de algemene toestand van de bodem. Het vormt daardoor een belangrijk instrument voor beleidsmakers. Auteurs:J. Spijker, A.J. Schouten, K.W. van der Hoek en E.J.W. Wattel-KoekkoekRapportnummer:RIVM rapport 680718002
Jaar van uitgave:2009
Samenvatting:Het RIVM en het LEI hebben de manier waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid ( LMM) is opgezet, geëvalueerd. Op basis hiervan zijn vervolgens drie scenario's opgesteld om het LMM vanaf 2011 vorm te geven. Alle drie de scenario's bieden mogelijkheden om te bezuinigen. De mate waarin dat gebeurt, en de mate waarin wordt voldaan aan de eisen die de ministeries van EL&I en I&M stellen aan het LMM, verschillen per scenario.Rapporten:
Eindrapport van de evaluatie van het LMM. Scenario's voor het programma vanaf 2011 (webpage)Auteurs: A de Klijne, J.W. Reijs, B. Fraters, J. Hoop, T.C. van LeeuwenRapportnummer: 680717012Jaar van uitgave: 2010
Evaluatie van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. Bijlagenrapport (webpage)Auteur: M.E. van VlietRapportnummer: 680717013Jaar van uitgave: 2010
Nederlandse titel: Evaluatie van de representativiteit van het Nederlandse Meetnet Luchtkwaliteit Summary:As a general rule, the Dutch Air Quality Monitoring Network (LML) is representative for the Netherlands. They fulfill the criteria of EU Directive 2008/50/EC for representativeness of measurement sites. However, the Dutch classification of measurement sites, which is a simple classification with only three types of stations, rural, urban background and street, does not always positively correlate to the measurement data. Any interpretation of the measurements of the LML must take this aspect into consideration.A number of rural stations were found to have peak concentrations for one component, for example ammoniac in Vredepeel as a result of agricultural activities in this area, and a number of street stations are actually located on a highway (for example at Breukelen). In addition, rural station in an urbanized area had distinctly higher concentrations than other rural stations, while one station in a suburb of Groningen had lower concentrations than urban stations located in the western industrialized area of the Netherlands. At one measurement station, the flow around the inlet was obstructed by a close building, while at other locations, the flow around the inlet was affected by trees (which have been since pruned). These are the conclusions of the evaluation of the representativeness of the LML which has been performed by the RIVM by request of the Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM). For this study, measurements data of the RIVM from 2007 of nitrogen oxide, nitrogen dioxide, carbon monoxide, particulate matter, ozone, ammoniac and sulfur dioxide were used. The results of this screening were then compared with the screening that used data from 1994; this comparison served as a check of the consistency of the observed results which seems to be good. The effect of pruning overgrown trees at two locations was studied in more detail and in both cases, no effect on the concentration was found. To prevent any obstruction of the air inlet it is recommended to prune trees which grow in close proximity to monitoring stations.Auteurs:P.L. Nguyen, R. Hoogerbrugge, F. van Arkel
Rapportnummer:RIVM rapport 680704010
PRISMA rapportSamenvatting:De EU-richtlijn omgevingslawaai heeft als doelstelling om een eenduidig beeld van de geluidsproblematiek in Europa te krijgen. Provincies hebben hiervoor in 2007 respectievelijk 2008 (zogenaamde eerste tranche) geluidskaarten en actieplannen opgesteld voor de drukste provinciale wegen. Uit evaluaties van deze eerste tranche is gebleken dat er tussen de provincies veel verschillen zijn in aanpak en uitvoering. Inmiddels komt de tweede tranche er aan. Deze handelt over meer wegen dan de eerste tranche, omdat ook minder drukke wegen meegenomen worden. In dit prismaproject is bekeken hoe een meer eenduidige aanpak van de tweede tranche vorm kan krijgen. De resultaten zijn in een aantal documenten vastgelegd, waaronder een “Draaiboek en script”. Het “draaiboek” heeft betrekking op de procesmatige aspecten van het opstellen van kaarten en actieplannen. Het “script” verwijst naar diverse inhoudelijke aspecten die nader uitgewerkt en van voorbeelden voorzien zijn. Met deze documenten worden de provinciale medewerkers ondersteund in een gestructureerde en efficiënte werkwijze. In een tweetal bijeenkomsten zijn het draaiboek en script uitgebreid toegelicht en besproken. Daarnaast is er veel aandacht geweest voor communicatie met burgers en bestuurders.Auteur:Paul DriessenJaar van uitgave:2010
Samenvatting:Dit rapport beschrijft het beleidsondersteunende model FAIR 2.0 (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments). FAIR is een interactief computer model voor het (kwantitatief) evalueren van de milieueffectiviteit en economische kosten van verschillende regimes voor internationale lastenverdeling voor het klimaatbeleid, in overeenstemming met doelstellingen voor bescherming van het klimaat, geformuleerd in Artikel 2 van het internationale Klimaatverdrag UNFCCC, de stabilisatie van de concentraties van broeikasgassen op een 'veilig' niveau.
Het FAIR 2.0 model bevat drie deelmodellen: 1. Een klimaat model voor de evaluatie van de klimaateffecten van een mondiale emissieplafond en de berekening van de regionale bijdrage aan klimaatsveranderingen. 2. Een emissieallocatie model voor het verkennen en evalueren van de herverdeling van toegestane emissieruimte tussen de landen voor verschillende benaderingen voor internationale lastenverdeling-regimes. 3. Een kosten en emissie-handel model voor de berekening van de verdeling van de emissiereducties over de verschillende regio's, gassen en bronnen na de toepassingen van de Kyoto Mechanismen (bijvoorbeeld emissiehandel). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een kosteneffectieve methode op basis van geaggregeerde vraag en aanbod curven, welke zijn afgeleid van deze marginale kosten curven. Dit model berekent ook de wereldwijde prijs op de internationale emissiemarkt, de kopers en verkopers op de markt, de marginale en totale kosten en de voordelen van emissiehandel.
M.G.J. den Elzen en P. Lucas
RIVM rapport 550015001
PRISMA rapportSamenvatting:Dit rapport geeft een overzicht van kaarten die kunnen worden gebruikt in het kader van gebiedsspecifiek beleid. Meer dan honderd provinciale en nationale kaarten, bestaande uit honderdvijftig digitale datasets, werden verzameld. Uit de inventaris kan worden opgemaakt dat drie miljoen hectare van de Nederlandse grond deel uitmaakt van één of meerdere vormen van gebiedsspecifiek provinciaal beleid. Ongeveer zestig procent heeft te maken met slechts één vorm, terwijl vijftien procent te maken heeft met meerdere vormen van beleid.
De kortgeleden geïntroduceerde categorie van SGB-gebieden bestaat uit ongeveer 2.3 miljoen hectare land, terwijl oudere provinciale categorieën substantieel minder gebied omvatten. De resultaten van het onderzoek komen tegemoet aan een behoefte aan een digitaal overzicht van de data, net zoals zijn voorganger. Er is echter nog genoeg werk aan het beschikbaar maken van de data aan al het werk op het gebied van gebiedsspecifiek beleid.
Auteurs: C.G.J. Schotten, W.T. Boersma, J.D. Kunst, M.L.P. van Esbroek en R. de Niet
Volledige titel: Gebiedsgericht grondwaterbeheer in de praktijk: Gebiedsafbakening, aanpak bronzone, procedure voor monitoring, (risicogebaseerde) toetsing grondwaterkwaliteit, kosten-batenanalyse.
Samenvatting:Het beheer van grondwater richt zich op beoordeling van de grondwaterkwaliteit en zonodig sanering. Dit beheer van grondwater is in Nederland vaak om technische, praktische en financiële redenen niet haalbaar. Als uitweg is de tendens gaande om verontreinigingen niet meer individueel maar op grotere schaal, in samenhang te beoordelen en aan te pakken. Dit zogeheten gebiedsgericht grondwaterbeheer maakt het beheer ervan efficiënter en daamee vaak goedkoper. Door de gebiedsgerichte aanpak kan de grondwater kwaliteit binnen het gedefinieerde gebied namelijk minder streng worden beoordeeld ten opzichte van individuele grondwaterverontreinigingen. Bovendien is de organisatie van het beheer van een cluster verontreinigingen eenvoudiger dan voor elke verontreiniging apart op verschillende tijdstippen.
Gebiedsgericht grondwaterbeheer vraagt om een aanpak die is toegespitst op de specifieke omstandigheden van de locatie. Om dit Gebiedsgeicht grondwaterbeheer te faciliteren heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van I&M enkele algemene praktische aanwijzingen opgesteld. Deze zijn gericht op een methode om de afbakening van het beheersgebied te bepalen en om de bronzone voor grondwaterverontreiniging aan te pakken. Ook is een procedure opgesteld om het grondwater te monitoren, wordt de beoordeling van de grondwaterkwaliteit belicht en een kosten-batenanalyse besproken. Deze informatie vult bestaande relevante documenten aan, zoals de Handreiking gebiedsgericht grondwaterbeheer uit 2010 die eveneens in opdracht van I&M werd opgesteld.
Auteurs:Swartjes, F.A., J. Valstar, M.C. Zijp, P. van Beelen, P.F. Otte
Rapportnummer:607050010
PRISMA rapportSamenvatting:In Nederland wordt al enige jaren gediscussieerd over de inzet van alternatieven voor beton en metselzand. Als gevolg hiervan is door diverse organisaties onderzoek verricht naar de mogelijkheden van de verschillende alternatieven. Geconcludeerd is dat het gebruik van fijner zand in beton op korte termijn tot de meest realistische alternatieven behoort. Dit zand is in ruim voldoende voorraad beschikbaar, van primaire oorsprong en zonder belemmeringen binnen de vigerende regelgeving toe te passen. Het VIBO1, een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Verkeer en Waterstaat en de provincies (verenigd in IPO2) heeft echter de indruk dat het gebruik van fijner zand in beton, ondanks de positieve onderzoeksresultaten niet van de grond komt. Het VIBO wil in kwantitatieve en kwalitatieve zin laten onderzoeken welk zand door de betonindustrie wordt verbruikt, waarbij specifieke aandacht besteed moet worden aan het gebruik van fijner zand. In opdracht van VIBO heeft INTRON dit onderzoek uitgevoerd onder de betonmortel- en betonproductenindustrie. Het onderzoek is een aangepaste herhaling van het in 1997 uitgevoerde onderzoeksproject: “Inventarisatie van kwaliteit en kwantiteit van betonzand in de markt”.Auteur:Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en WaterbouwkundeJaar van uitgave:2005
PRISMA rapportSamenvatting:In opdracht van VIBO1 is door INTRON in een verkennende studie onderzoek verricht naar de knelpunten en de kostenconsequenties die spelen rondom het gebruik van fijner zand in beton. Als één van de belangrijkste aanbevelingen uit deze oriëntatiefase kwam het uitvoeren van een of meerdere praktijkprojecten, waarbij de gehele bouwkolom wordt betrokken. Op deze wijze kunnen alle betrokken partijen kennis en ervaring opdoen rondom beton met fijner zand. Het doel van de praktijkprojecten is meer inzicht te verkrijgen in de mogelijke praktische knelpunten en kostenconsequenties die bij het gebruik van fijner zand in beton optreden. In dit rapport wordt de keuze, de organisatie en de uitvoering van praktijkprojecten beschreven. De werkelijke uitvoering van de praktijkprojecten zal later worden gerealiseerd. Voorgesteld wordt de praktijkprojecten gefaseerd uit te voeren: inventarisatie van verwachtingen en kennis, voorbereidende werkzaamheden en de daadwerkelijke uitvoering van het project. Van de praktijkprojecten zal een rapport worden opgesteld die wordt opgenomen in een door de Stichting CUR uit te brengen voorbeeldenboek / handboek “Fijner zand in beton”.Auteur:Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en WaterbouwkundeJaar van uitgave:2005
PRISMA rapportSamenvatting:In Nederland wordt reeds enige jaren gesproken over het gebruik van fijner zand in beton als alternatief voor het gebruik van grof betonzand. De winlocaties waar in Nederland grof betonzand gewonnen wordt nemen af en vergunningen voor nieuwe locaties zijn nog niet afgegeven. Uit technisch onderzoek is gebleken dat het gebruik van fijner zand in beton op korte termijn zeker tot de mogelijkheden behoort. De betonregelgeving werpt geen belemmeringen op tegen het gebruik van fijner zand in beton. Echter, ondanks de dreiging van een tekort aan beton- en metselzand lijken marktpartijen geen actie te ondernemen om fijner zand in beton te gaan gebruiken. In opdracht van VIBO1 is door INTRON onderzoek verricht naar de knelpunten en met name de kostenconsequenties die spelen rondom het gebruik van fijner zand in beton. Tevens is gevraagd aanbevelingen te doen om het gebruik van fijner zand in beton te stimuleren.Auteur:Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en WaterbouwkundeJaar van uitgave:2005
Het geluidmonitoringprogramma bestaat sinds 1999 en registreert ontwikkelingen in omgevingsgeluid door wegverkeer, railverkeer en luchtvaart. Jaarlijks wordt een rapport gepubliceerd.
Organisatie: RIVMDownload de rapporten in PDF:
Samenvatting:De effecten van de snelheidsmaatregel van november 2005 op rijkswegen rond de vier grote steden op de gemiddelde geluidniveaus zijn beperkt tot minder dan 1,5 dBA. Langs de A12 bij Voorburg en de A20 bij Rotterdam werd een afname gemeten van 1 tot 1,3 dBA. Langs het traject bij de A10 West in Amsterdam werd een afname gemeten van 0,5 dBA. Langs de A12 bij Utrecht werd geen afname van het gemiddelde niveau gemeten. Op de locaties bij Rotterdam en Voorburg was de relatieve snelheidsverlaging op de rijstroken met de sterkste geluidemissie groter dan in Amsterdam en Utrecht. Dit verklaart de sterkere afname van geluidniveaus op eerstgenoemde locaties. In Utrecht is de geluidemissie van met name de hoofdrijbanen nauwelijks afgenomen. Dit zou naar verwachting wel het geval zijn indien ook op de hoofdrijbanen de snelheid op 80 kilometer per uur zou worden gehandhaafd. In vergelijking met de gemiddelde geluidniveaus is er bij de maximale geluidniveaus die binnen elk uur zijn gemeten (pieken) een grotere afname gemeten. Bij Rotterdam en Voorburg zijn de maximale geluidniveaus met respectievelijk 2 en 2,5 dBA afgenomen. In Amsterdam en Utrecht was de afname respectievelijk 1 en 1,3 dBA. Direct omwonenden, binnen enkele honderden meters van de trajecten, kunnen de geluidsituatie na de maatregel daardoor als een verbetering ervaren. De sterkere afname van de piekniveaus houdt nauw verband met een gelijkmatiger verkeersstroom die door de trajectcontrole wordt afgedwongen. Het is daarom mogelijk dat een dergelijk effect ook al bij hogere trajectsnelheden zou optreden, mits het gelijkmatige uniforme gedrag van het verkeer behouden blijft.
J. Jabben, C. Potma en S. Lutter
RIVM rapport 680350001
PRISMA rapportVolledige titel:Geluidproductieplafonds voor provinciale wegen. Een GIS studie naar kosten en milieuopbrengstSamenvatting:Door VROM en V&W wordt nieuwe geluidswetgeving ontwikkeld, de geluidsproductieplafonds (GPP's). Deze nieuwe wetgeving heeft als voornaamste doel het tegengaan van de groei van geluid tengevolge van de groei van het verkeer. Het verst gevorderd is de wetgeving voor de rijksinfrastructuur. Om de mogelijkheden voor de toepassing van GPP’s op de provinciale infrastructuur te onderzoeken, is het interprovinciale PRISMA-project ‘Geluidproductieplafonds provinciale wegen en spoorwegen’ opgestart. Het onderzoek is uitgevoerd door dBvision met een begeleidingsgroep vanuit de provincies Zuid-Holland, Utrecht, Flevoland, Gelderland en Noord-Brabant. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een GIS-studie, die de milieueffecten en de kosten in beeld brengt die samenhangen met verschillende varianten van geluidsproductieplafonds. De GIS-berekeningen zijn gebaseerd op het gehele wegennet van de provincies Zuid-Holland en Utrecht. De resultaten van de twee provincies zijn geëxtrapoleerd naar heel Nederland (inclusief de wegen van waterschappen) om een landelijk beeld te krijgen.
Auteurs:A.A. van Lier en E.H. WatermanRapportnummer:MIL 01415/2007
Samenvatting:Berekeningen met de Nederlandse standaardrekenmethode voor luchtkwaliteit in binnenstedelijke straten geven in 38 Amsterdamse straten gemiddeld lagere concentraties stikstofdioxide (NO2) aan dan metingen op deze locaties. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en de GGD Amsterdam, waarin deze standaardrekenmethode is vergeleken met metingen van de GGD Amsterdam. Het verschil bedraagt gemiddeld 11 %. Op meetlocaties van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, verspreid over Nederland, laat de rekenmethode geen significante onderschatting zien. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van VROM uitgevoerd.In de onderzochte straten worden de concentraties voor een belangrijk deel bepaald door de emissies van het wegverkeer in de straat. De metingen zijn gedurende dertien meetperioden van elk vier weken, uitgevoerd met zogenoemde Palmes diffusiebuisjes. Deze metingen zijn geijkt aan de Europese referentiemethode op de vaste meetstations van het Luchtmeetnet Amsterdam.De berekeningen zijn uitgevoerd met de wegkenmerken en verkeersgegevens op de plaats van de meetpunten. Een deel van de gevonden verschillen in Amsterdam kan verklaard worden,doordat locaties buiten het toepassingsgebied van de standaardrekenmethode vallen. Behalve het lokale wegverkeer dragen andere bronnen, zoals scheepvaart, bij aan de concentraties in drukke straten in Amsterdam. De andere bronnen vormen samen de achtergrondconcentratie. Het is denkbaar dat sommige bronnen, die niet in detail in de berekening van de achtergrondconcentratie zijn opgenomen, de concentraties op specifieke locaties sterker beïnvloeden dan nu wordt aangenomen. In 2010 zal dit verder onderzocht worden.
Auteurs:J. Wesseling, S. van der Zee en L. NguyenJaar van uitgave:2010
In het vakblad Geo-Info worden artikelen, verslagen, columns, opinies en berichten gepubliceerd over het gehele terrein van de geo-informatie, inclusief de toepassingen in andere vakgebieden die een verbinding met geo-informatie hebben.
Voor niet-abonnees zijn de gepubliceerde artikelen na drie maanden beschikbaar op de site van de vereniging Geo-informatie Nederland (GIN).
Organisatie: Geo-Info is een uitgave van GIN
Voedselveiligheid, uitspoeling van contaminanten, normstelling voor bodemkwaliteit. Het is slechts een kleine greep uit de vraagstukken waarbij de Geochemische atlas van Nederland een essentiële rol kan spelen. De atlas bevat gegevens over 36 chemische elementen, zowel boven- als ondergronds, die worden gepresenteerd in kaarten, tabellen en frequentieverdelingen.
De atlas is tot stand gekomen door een samenwerking tussen Deltares, RIVM en Alterra en is deels gefinancierd door het ministerie van EL&I via het programma BIS 2014. Met deze actualisering van het Bodemkundig Informatie Systeem kunnen overheid en bedrijven hun bodembeleid verbeteren.
In dit rapport wordt het GeoPEARL model gepresenteerd. GeoPEARL is een ruimtelijk verdeeld model, dat het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het bodem - plant systeem beschrijft. Het model berekent de drainage naar het lokale oppervlaktewater en de uitspoeling naar het diepe grondwater. Met GeoPEARL kunnen stoffen met sterk uiteenlopende eigenschappen worden gesimuleerd, waaronder vluchtige stoffen en stoffen die bodemafhankelijke sorptie- en omzettingsconstanten hebben.
Het model zal worden ingezet voor de evaluatie van nationale beleidsplannen, zoals het 'Meerjarenplan Gewasbescherming' en het plan 'Duurzame Gewasbescherming'. Het rapport bevat een aantal voorbeeldberekeningen voor stoffen met verschillende eigenschappen. De resultaten laten zien dat de gemiddelde belasting van het oppervlaktewater een orde groter is dan de gemiddelde belasting van het grondwater. Snelle afvoermechanismen, zoals buisdrainage, zijn hierbij dominant. Bestrijdingsmiddelen die op een dergelijke wijze worden afgevoerd kunnen direct het oppervlaktewater belasten. GeoPEARL is ook gebruikt om de huidige toelatingsprocedure voor bestrijdingsmiddelen te verifiëren. In de huidige procedure wordt begonnen met de toepassing van PEARL op een enkele locatie. Deze locatie wordt verondersteld representatief te zijn voor kwetsbare gebieden. Resultaten van GeoPEARL laten echter zien dat, afhankelijk van het beschouwde middel, de maximum uitspoeling in verschillende gebieden plaats vindt. Dit duidt erop dat bij toepassing van het model op een locatie niet noodzakelijkerwijs de meest kwetsbare situatie gesimuleerd wordt. Om dit te bereiken moeten aanvullende voorwaarden gesteld worden. Om discussies over deze voorwaarden te voorkomen is directe toepassing van GeoPEARL te prefereren.
A. Tiktak, A.M.A. van der Linden en J.J.T.I. Boesten
RIVM rapport 716601007
Samenvatting:Nederland heeft sinds kort een nieuwe beslisboom om het risico van uitspoeling van bestrijdingsmiddelen naar het grondwater te kunnen beoordelen. In deze beslisboom wordt beoordeeld of de concentratie van bestrijdingsmiddelen in het grondwater de EU drinkwaternorm van 0,1 mu/L zal overschrijden. De nieuwe beslisboom houdt expliciet rekening met het oppervlak waarop het middel wordt toegepast. Een middel kan uitsluitend worden toegelaten indien de concentratie in het grondwater over een lange periode lager is dan 0,1 mu/L, onder tenminste 90% van het oppervlak waarop het middel zal worden verbruikt. Om dit criterium te kunnen toetsen is het model GeoPEARL ontwikkeld. Dit model zal een centrale rol gaan spelen in het nieuwe toelatingsbeleid. Dit rapport bevat een handleiding van het model, met nadruk op de nieuwe registratieprocedure.
Auteurs:A. Tiktak, A.M.A. van der Linden, J.J.T.I. Boesten, R. Kruijne en D. van Kraalingen
RIVM rapport 716601008. Het rapport dient te worden gebruikt in combinatie met rapport 601450019 (klik hier voor de PDF). Dit rapport de nieuwe beslisboom beschrijft.
Samenvatting:Metingen van concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in het Nederlandse oppervlaktewater worden met een geostatistische methode opgeschaald naar landelijke waarden. De methode maakt gebruik van ruimte-tijd regressie-kriging, waarbij zowel informatie in de metingen zelf als in landsdekkende kaarten van gecorreleerde omgevingsvariabelen wordt benut. De methode berekent eveneens de onzekerheid in de opgeschaalde waarde zodat ook de statistische significantie van temporele trends in landelijke waarden kan worden bepaald.
Toepassing van de methode op metribuzin en carbendazim voor de periode 1997-2006 geeft plausibele resultaten die voor metribuzin in alle jaren rond 12 ng/liter liggen en voor carbendazim een dalende trend van 170 ng/liter in 1997 naar 100 ng/liter in 2006 laat zien. De methode is bewerkelijk en stelt hoge eisen aan de beschikbaarheid van data. Belangrijke aandachtspunten voor toekomstig onderzoek zijn statistische validatie van modeluitkomsten, analyse van de gevoeligheid van het model voor gemaakte aannames en de verbeterde verwerking van metingen beneden de kwantificeringslimiet.Auteurs:G.B.M. Heuvelink, R. Kruijne en C.J.M. MustersJaar van uitgave:2011
Samenvatting:Rapport over de randvoorwaarden waaraan monitoringprogramma’s moeten voldoen voor onderbouwing van het beleid op het terrein van milieu en gezondheid.
Het rapport bevat de resultaten van een onderzoek uitgevoerd door een commissie aangesteld door de Gezondheidsraad. Dit in opdracht van de ministeries van VROM en VWS.
Auteurs:De Gezondheidsraad, Prof. dr. J.A. Knottnerus
PRISMA rapportVolledige titel:Gezondheid en Milieu: welkom in de provincie Bovenrijn. Uw provincie werkt aan een gezonde leefomgevingSamenvatting:In 2005 startte het IPO met het project Gezondheid en Milieu, een project dat deel uitmaakt van het Programma IPO Strategisch Milieu Agenda (Prisma). Doel van het project is milieuproblemen en de bijbehorende gezondheidseffecten te inventariseren en te rangschikken om zo prioriteiten voor het beleid te kunnen vaststellen. Centraal staan vier veroorzakers van gezondheidsproblemen bij burgers: luchtverontreiniging, geurhinder, geluid en externe veiligheid. Voor elke provincie is onderzocht hoeveel mensen last hebben van deze problemen en in welke mate. In ‘Werken en leven in Bovenrijn’ leest u meer over de relatie milieubelasting en gezondheid en maakt u via de provincie Bovenrijn op speelse wijze kennis met de mogelijkheden van de Gezondheidseffectscreening (GES), een wetenschappelijk onderbouwde methode die zicht geeft op de gezondheidskundige knelpunten veroorzaakt door milieuproblemen in een gebied.Auteur:IPOJaar van uitgave:2009Bijlagen:PowerPoint presentatie (PPT)GES applicatie (ZIP)
Samenvatting:Rapport naar aanleiding van een onderzoek naar de effecten van luchtverontreiniging door fijnstof op de gezondheid van de inwoners van de gemeenten Beverwijk, Castricum, Heemskerk, Uitgeest en Velsen. Het onderzoek werd uitgevoerd door de GGD Kennemerland, op verzoek van de betrokken gemeenten.
Auteurs:A. Oosterlee en R.H. Keuken, met medewerking van L. Staal
Samenvatting:Dit rapport gaat in op toepassingsmogelijkheden van integrale geluidindicatoren Gden en Gnight bij monitoring en handhaving van de geluidbelasting rondom luchthavens. Gden en Gnight zijn eengetalsgeluidmaten die de gezamenlijke geluidbelasting van een populatie uitdrukken voor respectievelijk het gehele etmaal en specifiek de nachtperiode. Er wordt ingegaan op de relatie met geluidsschade, hinderbeleving en slaapverstoring binnen de populatie. Tevens is gekeken naar de te verwachten jaarlijkse variaties afhankelijk van wisselende verkeerssituaties. Gebleken is dat Gden en Gnight goede correlatie vertonen met geluidsschade, hinderbeleving en slaapverstoring. Een nauwkeurige prognose op basis van Gden/Gnight van deze laatste aspecten die geheel overeenstemt met daarvoor bekende dosis-responsrelaties is echter niet mogelijk. Jaarlijkse variaties in de groepsgeluidbelasting Gden en Gnight onder gelijkblijvende verkeersaantallen zijn relatief beperkt. Daarmee lijken deze indicatoren minder gevoelig voor wisselende meteorologische omstandigheden en bieden mogelijk ook aanknopingspunten in het kader van een transparant handhavingsbeleid rondom luchthavens. Auteurs:J. Jabben, E. Verheijen en E. Schreurs
Rapportnummer:RIVM briefrapport 680555004
Jaar van uitgave: 2010
Samenvatting:Het grondwater bevindt zich in Nederland doorgaans op geringe diepte en is daardoor een belangrijke factor bij allerlei vraagstukken met betrekking tot de inrichting, het beheer en de kwaliteit van het landelijk gebied. De beschikbaarheid van actuele informatie over de grondwaterstand is dan ook van groot belang. Om een ruimtelijk beeld te kunnen krijgen in de vorm van kaarten met informatie over het grondwaterstandsverloop is een karakterisering van tijdreeksgegevens van grondwaterstanden in kengetallen noodzakelijk.
In dit rapport worden de laatste grondwatertrappenkaarten toegelicht, opgesteld door Alterra in opdracht van het STOWA. Hierbij is een methode gebruikt die landsdekkend beschikbaar is en een directe koppeling heeft met bodemkundige informatie. Dankzij deze directe koppeling geeft de karteerbare kenmerken Gt-kaart een redelijk goed beeld van het actuele grondwaterregime.
Auteurs:J.W.J. van der Gaast, H.R.J. Vroon en H. Th. L. Massop
Rapportnummer:STOWA 2010-41
Volledige titel:Grootschalige stikstofdepositie in Nederland. Herkomst en ontwikkeling in de tijd.
Samenvatting:Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in samenwerking met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) kaarten gemaakt van de stikstofdepositie in Nederland (GDN-kaarten genoemd). Deze kaarten geven een beeld van de grootschalige stikstofdepositie in Nederland, zowel voor het verleden als de toekomst (tot en met 2030). Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) gebruikt deze kaarten onder andere voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De kaarten zijn gelijktijdig, met hetzelfde rekeninstrumentarium en op basis van dezelfde emissiescenario’s, gemaakt als de grootschalige concentratiekaarten Nederland (GCN-kaarten). Dit rapport beschrijft hoe de kaarten worden gemaakt en geeft een analyse van de herkomst en ontwikkeling in de tijd van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De totale depositie is de som van natte en droge depositie en van bijdragen uit Nederland en het buitenland. De Nederlandse landbouw draagt voor ongeveer 40 procent bij aan de stikstofdepositie gemiddeld in Nederland, en de landbouw in het buitenland voor ongeveer 10 procent. Verder draagt het wegverkeer in Nederland en het buitenland samen ongeveer 10 procent bij aan de stikstofdepositie, ongeveer evenveel als de industrie. De onzekerheid in de berekende stikstofdepositie is gemiddeld voor Nederland 30 procent en lokaal 70 procent (1 sigma). De gebruiker van deze kaarten moet met deze onzekerheid rekening houden. De natuur in Nederland wordt op veel plaatsen negatief beïnvloed door een hoge depositie van stikstof. Te hoge depositie heeft negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. De hoeveelheid stikstof die vanuit de lucht op de bodem terechtkomt, berekend met de in dit rapport beschreven methoden, blijkt bijna 20 procent lager te zijn dan eerder werd gedacht. Met deze verbeterde inzichten heeft 61 procent van de natuur een overschrijding van de kritische depositiewaarden. Voorheen werd berekend dat het om 65 procent van de natuur ging. De grootschalige depositiekaarten van stikstof zijn online beschikbaar op www.pbl.nl/gcn.
Auteurs:G.J.M. Velders (PBL), J.M.M. Aben (PBL), J.A. van Jaarsveld (PBL), W.A.J. van Pul (RIVM), W.J. de Vries (PBL) en M.C. van Zanten (RIVM)
Rapportnummer:RIVM rapport 500088007
Samenvatting:De Europese autoriteit voor voedselveiligheid EFSA heeft een richtlijn opgesteld voor de monitoring van mogelijke milieu-effecten van de teelt van genetisch gemodificeerde (GM) gewassen nadat deze zijn toegelaten op de markt. De monitoring van de effcten voor de volksgezondheid en het milieu is een onderdeel van de Europese toelating voor genetisch gemodificeerde gewassen. De monitoring na toelating van een genetisch gemodificeerd gewas kent twee onderdelen. Er is een algemeen deel dat altijd dient te worden toegepast. Het richt zich op behoud van flora en fauna, de bodemkwaliteit en de duurzaamheid van agro-ecosystemen. Daarnaast is er een specifieke monitoring wanneer de EFSA bepaalde risico's of onzekerheden rond een teelt heeft geïdentificeerd.
Auteurs:European Food Safety AuthorityRapportnummer: EFSA Journal 2011;9(8):2316
GWM in Beeld is een tweejaarlijkse, digitale monitoringrapportage over de effecten van het groen-, water-en milieubeleid van de provincie Zuid-Holland. De volgende rapportage wordt april 2010 verwacht; momenteel is de rapportage van 2008 te bekijken op de website.
Contactpersoon:J. SebusTelefoon: 070 - 441 60 72
PRISMA rapportSamenvatting:Het IPO heeft Royal Haskoning en DLV-adviesgroep gevraagd een pilotstudie te verrichten naar gebiedsgerichte maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit als gevolg van de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De studie richt zich op maatregelen die in de landbouwsector genomen kunnen worden om de doelen van de KRW te behalen. Bijdragen uit andere bronnen worden niet meegenomen. Deze studie heeft een globaal, verkennend karakter.Auteurs:Dhr. P. van Boheemen, Dhr. E. Zigterman, Dhr. M. Arts, Dhr. A. OtteRapportnummer:9P3787.A0Jaar van uitgave:2004
Het handboek Gezondheidseffectscreening Stad en Milieu is een instrument voor een gezonde inrichting van de woonomgeving. Met het handboek kan de invloed van milieufactoren op de gezondheid van bewoners eenvoudig, integraal en gestandaardiseerd beoordeeld worden.
Auteurs:Tilly Fast en Rik van de Weerdt
PRISMA rapportSamenvatting:Het 'Handboek licht/donker: beleid en uitvoeringsinstrumenten voor provincies' is het resultaat van het PRISMA project 'Lichtvervuiling en donkertebescherming' uit 2009. Doel van het handboek is expertise en ervaring op het gebied van lichtvervuiling, donkertebescherming en lichthinder te delen met alle provincies, om zo het beleid op dit gebied te verbeteren.
Auteurs: Beatrijs Oerlemans en Daaf de Kok / de Kok & partners
PRISMA rapportSamenvatting:Voor het volgen van de bodemsaneringsoperatie richting de doelstellingen uit het derde Nationaal MilieubeleidsPlan zijn goede indicatoren nodig. Zowel voor de uitvoerende bodemoverheden zelf als voor het landelijk beeld is het noodzakelijk te weten of we op de goede weg zijn of dat we moeten bijsturen. Voor het landelijke totaalbeeld is het nodig de voortgangsresultaten van de verschillende bodemoverheden naast elkaar te kunnen leggen.Om de gegevens over bodemonderzoek en -sanering vervolgens op een betrouwbare manier te kunnen vergelijken en aggregeren is het van groot belang dat de gehanteerde indicatoren eenduidig en goed vergelijkbaar zijn. Dit handboek geeft hiervoor de basis.
Auteurs:Quintens advies & management, Tauw BV en RIVM (versie 1, oktober 2001) en Royal Haskoning (versie 2, februari 2003)
Dit handboek biedt gemeenten een praktische methodiek aan voor het maken van een voetafdruk met betrekking tot de broeikasgasemissies voor het gemeentelijk grondgebied. Iedereen die met dit handboek werkt zal dezelfde afbakening en databronnen hanteren, waardoor voetafdrukken transparanter en vergelijkbaarder worden.
Auteurs:Beco, in samenwerking met DHVOpdrachtgever: ministerie van I&M
Contactpersoon:Sacha Tensen (Beco)
PRISMA rapportSamenvatting:Het 'Handboek voor de provinciale en landelijke meetnetten bodem- en grondwaterkwaliteit' is gerealiseerd om de monitoring van de meetnetten bodem- en grondwaterkwaliteit op meetpunt niveau te harmoniseren alsmede de kwaliteit van de uitvoering te borgen. Het handboek is samengesteld door het Platform meetnetbeheerders bodem- en grondwaterkwaliteit.
Het handboek is het kader voor de monitoring van de diffuse bodem- en grondwaterkwaliteit in Nederland, en houdt rekening met Europese Guidances. Het handboek is het eindresultaat van het project Kwali-Tijd.Auteur:F.F. OttoJaar van uitgave:2008
Samenvatting:In de Handleiding voor de landelijke meetnetten voor vlinders en libellen wordt precies beschreven hoe de tellingen van vlinders en libellen verricht moeten worden. Met de meetnetten voor deze soortgroepen verzamelt de Vlinderstichting samen met het CBS actuele informatie over de veranderingen in de vlinder- en libellenstand in Nederland.
Auteurs:Swaay, C. van, T. Termaat en C. Plate
Rapportnummer:VS2011.001
Samenvatting:Dit rapport informeert het netwerk van National Focal Centra (NFCs) over de vereisten van methodologieën voor de gevolgtijdelijke (dynamische) modellering van geochemische processen, vooral in bodems. Deze informatie is nodig om het Europese luchtbeleid te kunnen ondersteunen met kennis over tijdsvertragingen van ecosysteemherstel of -schade als gevolg van veranderingen, in de tijd, van verzurende depositie.
Het is geschreven op verzoek van werkgroepen onder de Conventie van Grootschalige Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging (CLRTAP). Dit ter ondersteuning van de uitbreiding met dynamische model parameters van de Europese databank die momenteel uitsluitend kritische waarden voor verzurende en vermestende deposities bevat. Een Very Simple Dynamic (VSD) model wordt beschreven teneinde NFCs aan te moedigen om te voldoen aan minimale databehoeften bij de uitbreiding van nationale databanken van kritische waarden.
De handleiding kan worden geraadpleegd in combinatie met het gebruik van een geïmplementeerde versie van het VSD dat beschikbaar is op www.rivm.nl/cce. De handleiding geeft ook een overzicht van bestaande dynamische modellen die doorgaans meer complexe databehoeften hebben. Tenslotte verschaft het rapport een eerste beschrijving van mogelijke verbindingen tussen resultaten van dynamische modellering en geïntegreerde modellen voor de analyse en ondersteuning van luchtbeleid. Deze zijn in de nabije toekomst nodig voor de ondersteuning van de beleidsmatige evaluatie van het 1999 CLRTAP Protocol voor de bestrijding van verzuring, vermesting en troposferische ozon (het Gotenburg protocol) en de EU-richtlijn 2001/81/EG van het Europese Parlement (2001) inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC directive).
Posch, M.B., J-P. Hettelingh en J. Slootweg
RIVM rapport 259101012
Samenvatting: Het is niet altijd even makkelijk om 's avonds na de avondschemer nog op stap te moeten om met een zaklamp poelen af te speuren. Maar het resultaat van het inventariseren van amfibieën is vaak de moeite waard. Het zien van baltsende salamanders, het horen van een kakofonie van kikkerkoren of het ontdekken van die ene zeldzame soort op een nieuwe vindplaats kan veel voldoening geven. Deze handleiding beschrijft de inventarisatiemethode voor het monitoren van amfibieën.
Auteurs:Groenveld, A., G. Smit en E. Goverse
PRISMA rapportVolledige titel: Ontwikkeling Landelijk Uitvoeringsprogramma Aardkundige Waarden (PRISMA project 0607 OLUAW). Handreiking behoud en bescherming van het aardkundig erfgoed op provinciaal niveau.Samenvatting:Dit onderzoeksrapport is het resultaat van een brede inventarisatie in Nederland rond het the-ma aardkundige waarden, uitgevoerd door Syncera B.V., TBWI consult en Alterra, in opdracht van de IPO werkgroep aardkundige waarden. Aan de orde komen wat aardkundige waarden zijn, hoe provincies, en andere overheden, er mee om gaan en hoe men dit in de toekomst wil doen, om ze te behouden en wat mogelijke bedreigingen zijn en wat dan de risico’s daarvan zijn. Het resultaat is stand van zaken anno 2006, waarvan de kern wordt weergegeven in de handreiking, de overige resultaten zijn uitgewerkt in deelrapporten. Deze zijn gebundeld in een map, waarin ook een cd-rom is opgenomen waarop alle gegevens digitaal worden aangereikt. Het betreft zaken aangaande het beleid (middels onderzoek en een enquête), de karteringsme-thoden, de kaarten die zijn samengesteld op basis van de door de provincies aangereikte data, gebiedsbeschrijvingen en voorbeeldprojecten. De resultaten hebben tot een groot aantal aan-bevelingen geleid, waarvan hier in de samenvatting een top-5 wordt weergegeven, voor de ove-rige wordt u verwezen naar hoofdstuk 5 van de handreiking.Auteurs:Syncera B.V. i.s.m. TBWI consult en AlterraJaar van uitgave:2007
Samenvatting:Er bestaan verschillende methoden om te bepalen hoeveel mensen op een locatie geluidshinder als gevolg van wegverkeer ervaren. Met vragenlijsten kan het percentage gehinderden worden gemeten. Daarnaast kan het percentage gehinderden worden berekend met de geluidbelasting en een internationaal erkende 'blootstelling-responsrelatie' uit 2001.
Het RIVM heeft een handreiking opgesteld die aandachtspunten beschrijft bij onderzoek naar geluidshinder, de interpretatie van hindercijfers en de invloed van leeftijd en andere persoonlijke en contextuele factoren. Cijfers vaak niet goed vergelijkbaar. De handreiking vloeit voort uit een vraag van de GGD-en naar de oorzaak van het verschil tussen berekende en gemeten geluidshinder. Zoekende naar een verklaring bleek dat cijfers uit verschillende onderzoeken vaak niet goed vergelijkbaar zijn, doordat zij gebruikmaken van uiteenlopende vraagstellingen en analysemethoden. Ook zitten zowel rondom gemeten als berekende cijfers onzekerheidsmarges, waardoor het niet zinvol is alleen de gemiddelde uitkomsten te vergelijken. Verder bleek dat een blootstelling-responsrelatie uit 2009 hinderpercentages berekent die in het algemeen meer in de buurt liggen van de gemeten cijfers.
Hinderpercentage bepalen met de meest geschikte methode. Los van het feit dat de blootstelling-respons relatie dus mogelijk verbeterd zou kunnen worden, is in een bestaande situatie een vragenlijst de meest geschikte methode om het percentage gehinderden te bepalen. Als metingen met dezelfde vragenlijst meerdere keren worden herhaald, zijn veranderingen in de tijd bovendien goed te volgen. Voor nog niet bestaande situaties of scenarioberekeningen zijn berekeningen met blootstelling-responsrelaties een goede methode om zicht te krijgen op te verwachten percentages gehinderden.
Auteurs:Dusseldorp, A., D. Houthuijs, A. van Overveld, I. van Kamp en M. Marra
Rapportnummer:609300020
PRISMA rapportSamenvatting:Het IPO wil de beleidsthema’s ”Milieukwaliteit” en ”Water en watersystemen” voor de ISV-programma’s en projecten operationeel maken, zodat provincies met betrokken gemeenten duidelijke afspraken kunnen maken over de aanpak van deze beleidsthema’s. Voorliggende handreiking concretiseert de nationale en provinciale milieudoelen waaraan de stedelijke vernieuwing kan bijdragen.Auteur:IPOJaar van uitgave:2004
Samenvatting:De Handreiking Rekenen aan luchtkwaliteit (hierna: Handreiking) is opgesteld als hulpmiddel bij het berekenen van concentraties van luchtverontreinigende stoffen bij wegen (snelwegen en andere wegen) en inrichtingen. Het gaat daarbij om de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn vastgelegd in Bijlage 2 bij de Wet milieubeheer (hierna: Wm).
Uitgangspunt voor het berekenen van de concentraties is de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: Rbl 2007). In de Rbl 2007 zijn regels vastgelegd over het meten en berekenen van concentraties van luchtverontreinigende stoffen. Zo worden in deze regeling drie standaardrekenmethoden voorgeschreven voor het berekenen van concentraties nabij wegen en inrichtingen. Daarnaast is vastgelegd dat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (hierna: IenM) jaarlijks generieke invoergegevens voor de berekeningen ter beschikking stelt, zoals gegevens over de grootschalige achtergrondconcentraties en emissiefactoren voor het wegverkeer.
Bij de voorbereiding en uitvoering van berekeningen van de concentraties van luchtverontreinigende stoffen laat de Rbl 2007 in verschillende situaties ruimte voor een nadere invulling.
Deze Handreiking biedt houvast bij het geven van die nadere invulling door middel van een aantal aanbevelingen om, wat betreft het onderdeel luchtkwaliteit, tot een gedegen onderbouwing te komen, voor het nemen van een concreet besluit of toepassing van een wettelijk voorschrift.
Samenvatting:Stad & Milieu werkt, zo blijkt uit de experimenten die 25 gemeenten in de afgelopen jaren hebben uitgevoerd. Door in complexe ruimtelijke projecten milieu tijdig en op een slimme wijze mee te nemen, is telkens een optimale leefomgevingskwaliteit bereikt. Het succes van de Stad & Milieubenadering ligt in de integrale en gebiedsgerichte aanpak. Daardoor bleek het uiteindelijk slechts in enkele gevallen nodig af te wijken van wettelijke milieunormen.
Auteur:IPOJaar van uitgave:2005
Samenvatting:De berekende concentratie van ammoniak in de buitenlucht was de afgelopen jaren ongeveer 25% lager dan de gemeten concentraties uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM. Dit verschil werd het ammoniakgat genoemd. Op basis van recent onderzoek door het RIVM in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Wageningen Universiteit (WUR) en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) is het rekenmodel aangepast en kon worden vastgesteld dat er geen significant verschil meer is tussen de gemeten en de berekende concentraties van ammoniak. Dit betekent dat een grote onzekerheid die er was rond de hoogte van de ammoniakemissies en het bereiken van de ammoniakemissiedoelstelling in de National Emission Ceiling Directive (NECD) van de EU in 2010 voor Nederland is afgenomen.
In dit onderzoek zijn de drie gebieden waar de mogelijke oorzaken van het ammoniakgat zaten verder uitgewerkt: a) in de metingen van ammoniak in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, b) in de berekeningswijze van het verspreidingsmodel OPS van PBL/RIVM en c) in de ammoniakemissies.
De metingen van ammoniak in de buitenlucht blijken een onzekerheid van circa 7% te hebben. Op basis van recente literatuur en nieuwe metingen door RIVM/WUR kon de conclusie getrokken worden dat de snelheid waarmee ammoniak uit de atmosfeer verwijderd wordt, tengevolge van opname door vegetatie en bodem, aanzienlijk lager is dan werd aangenomen in het OPS-model. Hierdoor werd de ammoniakconcentratie in de buitenlucht ongeveer 15% te laag berekend. Hiermee werd het ammoniakgat verkleind naar 10%. Daarnaast blijken er nog emissies van ammoniak te zijn vanaf gewassen, met name tijdens afrijping, die niet in de nationale emissies meegenomen worden. Dit zou circa 4% van de nationale emissies kunnen bedragen. Als deze emissies meegenomen worden, verkleint het ammoniakgat verder naar circa 5%.
Aangezien zowel de metingen als de berekeningen van de ammoniakconcentratie nog onzekerheden bevatten, kan gesteld worden dat het huidige verschil tussen de gemeten en de berekende ammoniakconcentratie niet significant meer is.
Auteurs:Pul, W.A.J. van, M.M.P. van den Broek MMP,H. Volten, A. van der Meulen, A.J.C. Berkhout, K.W. van der Hoek, Wichink Kruit, J.F.M. Huijsmans, J.A. van Jaarsveld, B.J. de Haan en R.B.A. Koelemeijer
Rapportnummer:RIVM rapport 680150002
Oorspronkelijke titel:The European environment - state and outlook 2010: synthesisSamenvatting:Het milieubeleid in de Europese Unie en de omringende landen heeft gezorgd voor aanzienlijke verbeteringen in de toestand van het milieu. Er blijven echter nog grote milieu-uitdagingen over, met grote gevolgen voor Europa indien ze niet worden aangepakt. Auteurs:Martin, J. en T. Henrichs (Europees Milieuagentschap, Kopenhagen)
Naar schatting zijn 3,7 miljoen Nederlanders van 16 jaar en ouder (29%) ernstig gehinderd door het geluid van wegverkeer. Na wegverkeer veroorzaken vliegverkeer en buren het vaakst ernstige hinder (beide 12%). Bromfietsen staan met 19% ernstige hinder op de eerste plaats in de top tien van meest hinderlijke geluidbronnen. Op de tweede en derde plaats volgen motoren (11% ernstige hinder) en vrachtauto's (10% ernstige hinder). Ernstige hinder door het geluid van bromfietsen, snelwegen en bouw- en sloopterreinen vertoont vanaf 1993 een stijgende trend. Voor militaire vliegtuigen, personenauto's en bussen is er sprake van een dalende trend. Brommers zijn naast geluidhinder ook de belangrijkste bron van slaapverstoring. Bij 7% van de respondenten wordt de slaap ernstig verstoord door het geluid van brommers. Naast geluid blijkt met name het (roekeloos en luidruchtig) gedrag van bromfietsrijders een belangrijke hinderbron.
Dit zijn enkele bevindingen uit een periodiek landelijk onderzoek naar de verstoringen van de leefomgeving. Er is ook gevraagd naar de tevredenheid met de woonomgeving. Nederlanders zijn in het algemeen tevreden met hun woning en woonomgeving. Deze wordt beoordeeld met een gemiddelde van 7,7 op een schaal van 0-10. Het meest ontevreden is men over de parkeergelegenheden in de buurt (18%), het openbaar vervoer (16%) en de ruimte voor speelgelegenheid in de buurt (12%). Ten opzichte van de vorige peiling in 1998 is de tevredenheid over de woning en de woonomgeving toegenomen.
Franssen, E.A.M., J.E.F. van Dongen, J.M.H. Ruysbroek, H, Vos en R. Stellato
RIVM rapport 815120001
Samenvatting:De Inventarisatie Verstoringen is een 5-jaarlijkse nationale inventarisatie van hinder door geluid, geur, trillingen en licht. Opmerkelijk aan deze inventarisatie zijn de lagere (ernstige) hinderpercentages voor de meeste van de onderzochte bronnen van geluid, geur en trilling ten opzichte van vijf jaar geleden, terwijl de blootstellingniveaus niet tot nauwelijks zijn gedaald. Waarschijnlijk is de gewijzigde vraagstelling, gewijzigd ten behoeve van internationale harmonisering, hier debet aan.
De woontevredenheid is de afgelopen jaren toegenomen. Toch is er nog steeds sprake van ernstige hinder in de leefomgeving, ondanks de inspanningen van de overheid om dit te verminderen. Omgevingsgeluid, geur, trillingen en licht zijn belangrijke veroorzakers van ernstige hinder en slaapverstoring. Geluid van wegverkeer is de grootste bron van ernstige geluidhinder. Bezorgdheid over de eigen veiligheid door wonen in of in de buurt van een onveilige woonsituatie neemt af. De ernstige bezorgdheid hierover neemt echter wel toe. Eén op de drie burgers is bezorgd over wonen op of in de buurt van een locatie met bodemverontreiniging. In het algemeen is men zowel tevreden over de woning als over de woonomgeving.
Over het openbaar vervoer in de buurt is men het minst tevreden hoewel de ontevredenheid hierover de afgelopen jaren het meest is afgenomen. Het groen in buurt wordt zeer gewaardeerd en de kwaliteit ervan wordt goed bevonden. Veel mensen vinden dat ze in een groene buurt wonen en zijn hier ook tevreden over. Vooral de mogelijkheid die groenvoorzieningen bieden om te recreëren wordt zeer gewaardeerd. Ongeveer de helft van de inwoners in Nederland vindt zijn eigen buurt niet stil. Eén op de acht vindt dit ook geen belangrijk aspect van de woonomgeving. Voor één op de zes inwoners hoeft de wijk niet stiller, voor ongeveer één op de negen inwoners is de buurt niet stil genoeg.
Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit de zesde nationale 'Inventarisatie Verstoringen' die het ministerie van I&M heeft laten uitvoeren. Het onderzoek werd eind 2008 uitgevoerd door het centrum voor Milieu, Gezondheid en Omgevings-kwaliteit (MGO) van het RIVM. Ruim 1200 inwoners van Nederland deden mee aan het mondelinge vragenlijstonderzoek.
Auteurs:Poll, H.F.P.M. van, O.R.P. Breugelmans en J.L.A. Devilee
Rapportnummer:RIVM rapport 630741001
Samenvatting:In opdracht van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is door een consortium van ARCADIS, ReGister en Bureau 3B een onderzoek uitgevoerd, dat de eerste stap zet in de richting van de identificatie van de ‘daadwerkelijke’ spoedlocaties in Nederland. Het consortium was daarbij faciliterend aan de leden van het IPO. Doel van het totale project is het ontwikkelen en toepassen van een methode waarmee de potentiële spoedlocaties uit de databestanden kunnen worden geselecteerd die bij de provincies beschikbaar zijn. Tevens moet het mogelijk zijn hieruit weer een nadere selectie te maken van de locaties waar daadwerkelijk veldwerk moet worden uitgevoerd en moet aan de locaties of groepen van locaties een inschatting van de saneringskosten worden verbonden.In dit deelrapport wordt de selectie en beoordeling van spoedlocaties beschreven. Aan dit deelrapport ligt een eerder rapport met de gehanteerde bovenstaande electiemethode ten grondslag.Auteur:IPOJaar van uitgave:2007
Samenvatting:De Nederlandse drinkwaterlaboratoria beschikken over net voldoende capaciteit om tijdens een nucleaire ramp radiologische analyses uit te voeren. Een radioactieve besmetting van het oppervlaktewater kan van invloed zijn op de drinkwaterkwaliteit. Om de stralingsdosis voor de bevolking in te kunnen schatten, moeten er in een korte tijd veel monsters worden geanalyseerd. In zo'n situatie analyseren drinkwaterbedrijven vaker monsters op radioactiviteit dan normaal. De monsters worden op meerdere plaatsen in het drinkwaterzuiveringsproces genomen.
Om een goed beeld te krijgen van de bemonsterings- en meetstrategieën van ruw- en reinwater heeft het RIVM een aantal gegevens over de bedrijfsvoering van drinkwaterbedrijven verzameld. De gegevens hebben betrekking op het geschatte aantal monsters, de bestaande meet- en analysecapaciteit en de capaciteit die tijdens een kernongeval nodig is.
Maatregelen om de drinkwaterzuivering aan te passen tijdens een nucleair ongeval zijn beperkt. De belangrijkste mogelijkheden op korte termijn zijn het besmette ruwe water door te laten stromen naar zee en de beluchting tijdens het zuiveringsproces te minimaliseren. Door recente fusieontwikkelingen in de drinkwaterwereld is de capaciteit van enkele laboratoria gecentraliseerd. De krappe capaciteit op het gebied van radio-activiteitsmetingen is een factor om in de toekomst rekening mee te houden.
Auteurs:Kwakman, P.J.M. en H.A.J.M. Reinen
RIVM rapport 703719021
PRISMA rapportSamenvatting:Op 10 december 2009 vond een bijzondere IPO-werkconferentie plaats in het belevingscentrum SMAAK in de Utrechtse Galgenwaard. Provinciale professionals vanuit milieu, water en ruimtelijke disciplines kwamen bijeen om gezamenlijk te proeven van de praktijk van integrale gebiedsontwikkeling. Tijdens deze startbijeenkomst van de strategische IPO Werkgroep Milieu in Omgevingsbeleid stond de vraag centraal hoe de provincie een duurzame gebiedsontwikkeling kan regisseren, stimuleren en faciliteren. Biedt meer samen optrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen kansen voor kwaliteitsverbetering?Auteur:Rob Rothengatter, RLoC AmsterdamJaar van uitgave:2009
Volledige titel:Increasing species richness of the macrozoobenthic fauna on tidal flats of the Wadden Sea by local range expansion and invasion of exotic species
Samenvatting:A 40-y series of consistently collected samples (15 fixed sampling sites, constant sampled area of 15 × 0.95 m2, annual sampling only in late-winter/early-spring seasons, and consistent sieving and sorting procedures; restriction to 50 easily recognizable species) of macrozoobenthos on Balgzand, a tidal flat area in the westernmost part of the Wadden Sea (The Netherlands), revealed significantly increasing trends of species richness. Total numbers of species annually encountered increased from ~28 to ~38. Mean species density (number of species found per sampling site) increased from ~13 to ~18 per 0.95 m2. During the 40 years of the 1970–2009 period of observation, 4 exotic species invaded the area: (in order of first appearance) Ensis directus, Marenzelleria viridis, Crassostrea gigas, and Hemigrapsus takanoi. Another 5 species recently moved to Balgzand from nearby (subtidal) locations. Together, these 9 new species on the tidal flats explained by far most of the increase in total species numbers, but accounted for only one-third of the observed increase in species density (as a consequence of the restricted distribution of most of them). Species density increased particularly by a substantial number of species that showed increasing trends in the numbers of tidal flat sites they occupied. Most of these wider-spreading species were found to suffer from cold winters. During the 40-y period of observation, winter temperatures rose by about 2°C and cold winters became less frequent. The mean number of cold-sensitive species found per site significantly increased by almost 2 per 0.95 m2. Among the other species (not sensitive to low winter temperatures), 6 showed a rising and 2 a declining trend in number of occupied sites, resulting in a net long-term increase in species density amounting to another gain of 1.6 per 0.95 m2. Half of the 50 studied species did not show such long-term trend, nor were invaders. Thus, each of 3 groups (local or alien invaders/winter-sensitive species/other increasing species) contributed to a roughly similar extent to the overall increase in species density.
Auteurs:Beukema, J. J. en R. Dekker
Het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) werkt op basis van natuurtypen en beheertypen. De typen zijn gebaseerd op een landelijke uniforme 'natuurtaal' die is ontwikkeld door natuurbeheerorganisaties, agrarische en particuliere organisaties en overheden. Deze natuurtaal ligt vast in de Index Natuur en Landschap en vormt de basis voor het natuurbeheerplan van de provincies. De Index beschrijft welke typen natuur, agrarische natuur en landschap er zijn in Nederland.
De onderdelen van de Index (in PDF):
Op verzoek van de staatssecretaris zijn ten behoeve van de Duurzaamheidsverkenning (DV) indicatoren voorgesteld voor duurzaamheid. In deze bijlage wordt verantwoording afgelegd over de keuze van indicatoren in deel 1 van de DV. Tevens passeren enkele algemene methodologische aspecten rond indicatoren de revue, waaronder de vraag wat het doel is van indicatoren en welke eisen aan indicatoren gesteld mogen worden.
D. Nagelhout
RIVM rapport 550031003 44
Samenvatting:De informatie over de toestand van watersystemen is vrij goed op orde. Jaarrapportages, mede ter ondersteuning van het VBTB-proces, zijn hiermee goed op te stellen. Voor grote delen van die informatie bestaan goed functionerende systemen voor inwinning. Scherper formuleren van beleidsdoelen en een nadere vaststelling over welke beleidsdoelen jaarlijks in VBTB-kader wordt gerapporteerd, leidt tot een betere evalueerbaarheid en een efficiënter systeem van inwinning.
Op enkele onderdelen is momenteel geen informatie beschikbaar of wordt die niet centraal ingewonnen. Dit betreft met name informatie over waterkwantiteit, infrastructuur en inrichting. Hiervoor zijn nadere afspraken nodig, met name met de (water)beheerders. Het waterbeheer ondergaat grote veranderingen, vooral als gevolg van de EU-Kaderrichtlijn Water en de implementatie van het Waterbeleid 21e eeuw. Procesinformatie over de voortgang van deze veranderingen is niet centraal beschikbaar. Voor toekomstige evaluaties is informatie nodig uit aanpalende beleidsterreinen (Milieu, Ruimtelijke Ordening, Landbouw, Natuur). De informatievoorziening zal ook op deze beleidsterreinen moeten aansluiten.
Auteurs:Maaskant, J.F.N., R.J. Leewis en A.H.M. Bresser (eds)
Rapportnummer:RIVM rapport 500799001
Samenvatting:Dit rapport beschrijft de betekenis en consequenties voor provincies van de EU-Kaderrichtlijn INSPIRE (Infrastructure for Spatial Information in Europe). INSPIRE heeft tot doel de harmonisatie van geo-informatie tussen en binnen lidstaten.
Het rapport behandelt eerst INSPIRE als logische stap in de steeds verdergaande samenwerking tussen overheden op het gebied van geo-informatie. Vervolgens worden de gevolgen voor provincies beschreven, alsmede de consequentes op ICT-gebied. Het rapport eindigt met concrete aanbevelingen voor provincies voor het omgaan met INSPIRE-verplichtingen.
Opdrachtgever: Interprovinciale OverlegGroep GEO (IOG GEO)
Auteurs:Hoogwout, M., R. Peters en B. Woudenberg
Volledige titel:Integratie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid: Een verkenning van opties
Samenvatting:Het is mogelijk het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) te integreren, om de beschikbaarheid van data en de efficiency te vergroten. Het LMB onderzoekt de samenstelling van de bodem in Nederland voor tien combinaties van grondsoort en grondgebruik (categorieën), vooral op landbouwbedrijven. Het LMM onderzoekt de kwaliteit van het bovenste grondwater op landbouwbedrijven. Voorafgaand aan een beslissing over integratie moet echter een keuze gemaakt worden tussen de oorspronkelijke doelstellingen van het LMB. De ene is veranderingen in de bodemkwaliteit in de tijd volgen. De andere is verschillen in de bodemkwaliteit tussen categorieën onderzoeken en zo mogelijk verklaren. Alleen wanneer wordt gekozen voor de laatste doelstelling is het zinvol om de meetnetten samen te voegen. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM met het LEI heeft verricht op verzoek van het ministerie van I&M.
Als de eerste doelstelling, het volgen van veranderingen in de tijd, als belangrijkste wordt gezien, wordt geadviseerd de meetnetten niet samen te voegen en daadwerkelijk op vaste plekken te bemonsteren. Veranderingen in de bedrijfsvoering worden dan niet meegenomen. De opzet van het meetnet dat daarvoor nodig is strookt namelijk niet met een systeem van vaste meetpunten. Uit het onderzoek is eveneens gebleken dat diverse landbouwbedrijven uit het LMB de afgelopen jaren zijn afgevallen en vervangen door een soortgelijk bedrijf. Ook zijn bedrijven binnen het LMB in de tijd veranderd van bedrijfsopzet en bedrijfsoppervlak. Daarnaast is de oorspronkelijke overlap met het LMM en het BIN afgenomen. Het BIN is het Bedrijven Informatie Net van het LEI dat actuele gegevens over de bedrijfsvoering levert.
Rapportnummer:68071900
Auteurs:Buis, E., E.J.W. Wattel-Koekkoek, T.C. van Leeuwen, J.W. Reijs, B. Fraters, M. Rutgers, L.J.M. Boumans en K.W. van der Hoek
PRISMA rapportSamenvatting:De rapportage heeft als doel integraal inzicht te geven in wat in 2002 in interprovinciaal verband en door de provincies afzonderlijk is gepresteerd.
De doelgroep van de rapportage is primair de bestuurlijke IPO-adviescommissie Milieu, Water, Landbouw en Natuur (IPO-MWLN). In het verlengde daarvan richt de rapportage zich op de colleges van Gedeputeerde Staten, Provinciale Staten en het (inter)provinciaal management. In verband met in het DUIV-overleg afgesproken rapportageverplichtingen worden ook de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Inspectie Milieuhygiëne tot de primaire doelgroepen gerekend.
De rapportage wordt daarnaast ook voorgelegd aan de Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Verkeer en Waterstaat, de besturen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen en landelijk opererende belangenorganisaties, zoals de Stichting Natuur en Milieu en het Verbond van Nederlandse Ondernemingen.
Auteurs:Projectgroep BEM1
Samenvatting:Het RIVM heeft een handleiding opgesteld voor de rapportage over de hoeveelheid nitraat in oppervlaktewater en de bovenste grondwaterlaag. Nederland moet daarover, net als alle andere EU-lidstaten, elke vier jaar verslag uitbrengen, conform de Europese Nitraatrichtlijn. De volgende rapportage vindt in 2008 plaats. In de handleiding staan de taken en acties beschreven die betrokken partijen moeten uitvoeren om de beschikbare informatie tijdig aan te leveren, af te stemmen en tot een geheel te smeden. Het doel is een snel en efficiënt rapportagetraject mogelijk te maken.
Auteurs:Fraters, B., J. Doze, P.H. Hotsma, V.T. Langenberg, C.T. van Leeuwen, C.S.M. Olsthoorn, W.J. Willems en M.H. Zwart
Rapportnummer:Briefrapport id: 680716001
RIVM briefrapport 680716001
PRISMA rapportSamenvatting:Op dit moment bestaat er nog geen landelijk dekkend netwerk voor alternatieve transportbrandstoffen. Rekening houdend met de initiatieven voor aardgas die nog moeten worden gerealiseerd is een landelijk dekkend netwerk voor aardgas het dichtst bij. Voor alle brandstoffen geldt dat met name in de steden, en aan de toegangs- en uitvalswegen van steden vulstations voor alternatieve transportbrandstoffen gewenst zijn. In Drenthe, Groningen, Flevoland, Overijssel en Limburg is het aantal gerealiseerde en geplande vulstations relatief laag. Uit de inventarisatie komt naar voren dat daar waar provincies een duidelijke beleidsdoelstelling uitspreken en actief hiernaar handelen er meer vulstations gerealiseerd worden. Deze ontwikkeling, die essentieel is voor de marktintroductie van duurzame transportbrandstoffen, gaat niet vanzelf. Initiatief en ondersteuning vanuit de overheid is nodig. De provincies hebben hierbij een belangrijke rol maar kunnen en doen het niet alleen. Het rijk en ook de gemeenten hebben een belangrijke rol. Het rijk kan met duidelijk, ondersteunend en ambitieus beleid voor nu én de middellange termijn een stabiel investeringsklimaat creëren. Dit is noodzakelijk voor ondernemers om te investeren in een nieuwe markt en innovatieve technologieën. De gemeenten staan dicht bij de ondernemers en bedrijven. Zij hebben een sleutelpositie als het gaat om het bij elkaar brengen van partijen, de keuze voor een locatie, communicatie en bewustwording. De provincies verkleinen de afstand van rijk naar gemeenten door hun kennis van de locale markt en het overstijgen van de gemeentegrenzen.Auteur:IPORapportnummer:NN-MI20071265Jaar van uitgave:2007Bijlagen:
PRISMA rapportSamenvatting:Toetsing van de Europese richtlijn SMB OK.Auteur:DHVJaar van uitgave:2005
PRISMA rapportSamenvatting:De afgelopen jaren wordt door de provincies beleid gevoerd om de kwaliteit van bedrijventerreinen een duurzaam karakter te geven. In elke provincie en in vele gemeenten zijn activiteiten gaande om dit gestalte te geven. De gezamenlijke provincies (verenigd in het Interprovinciaal Overleg, IPO) hebben het initiatief genomen om de uiteenlopende initiatieven op dit terrein meer te stroomlijnen middelseen monitoringssyteem. Op dit moment worden namelijk verschillende definities en criteria gehanteerd voor duurzame bedrijventerreinen. Ook de initiatieven om te komen tot het meten van prestaties verschillen.
Auteurs:Essen, H.P. van, I. de Keizer, K.J. Noorman en G. WiersmaJaar van uitgave:2004
IPO Milieuwerk is een gedrukte uitgave met milieunieuws uit de provincies. De uitgave verschijnt viermaal per jaar.
2011
2010
2009
IPO Milieuwerk 4, december
PRISMA rapportSamenvatting:De milieuproblematiek in Nederland wordt voor een belangrijk deel bepaald door de stikstofbelasting, Afkomstig van de landbouw, verkeer en industrie. Hierbij gaat het om de omzetting van onschadelijk stikstof in een reactieve vorm (gereduceerd of geoxideerd), waarna het in het milieu kan leiden tot schadelijke effecten. Een nadere beschouwing van de stikstofproblematiek toont aan dat er een groot verschil is tussen het terugdringen van de emissie van reactief stikstof naar het milieu en het terugdringen van de totaal hoeveelheid geproduceerde reactief stikstof. Maatregelen die alleen zijn gericht op het terugdringen van de emissie zien de kern van het probleem over het hoofd. De overmaat aan reactief stikstof in Nederland zou uitgangspunt voor het beleid moeten zijn.
PRISMA rapportSamenvatting:De monitoring en rapportage over de uitvoering van de vergunningverlening en handhaving van de Wet milieubeheer door de provincies is deels een wettelijk verplichte monitoring, deels gaat het ook om gegevens op basis van EU-regelgeving en uiteraard zijn het monitoringsgegevens die de provincies zelf van belang vinden. De rapportage beschrijft de uitvoering van de vergunningverlening en de handhaving van de Wet milieubeheer, en meer in het bijzonder de uitvoering bij inrichtingen waarvoor de provincie het bevoegd gezag is. Aan de hand van een aantal afgesproken indicatoren wordt melding gemaakt van de provinciale uitvoering. Van de indicatoren wordt een landelijk beeld gegeven, op sommige aspecten worden de provincies in de rapportage ook met elkaar vergeleken. Ten opzichte van de rapportage van voorgaande jaren zijn nauwelijks wijzigingen aangebracht. De zevende, achtste en negende rapportage laten zich dan ook goed vergelijken.Door de lange tijd waarin - en zeker met betrekking tot de hoofdtaken - eenzelfde format wordt gebruikt om gegevens aan te leveren door de provincies, is de rapportage een longitudinaal instrument geworden waaruit trends en ontwikkelingen in de provinciale uitvoering van de Wm zichtbaar worden.
Auteur:Rings, A.F. en A.D. KleinRapportnummer:P-05-03-008Jaar van uitgave:2005
PRISMA rapportSamenvatting:De elfde interprovinciale rapportage vergunningverlening en handhaving beschrijft de uitvoering van de Wet milieubeheer bij inrichtingen waarvoor de provincie het bevoegd gezag is. Aan de hand van een aantal indicatoren wordt de provinciale uitvoering in beeld gebracht en wordt het landelijk beeld van de gezamenlijke provincies gegeven. Op sommige aspecten worden de provincies in de rapportage ook met elkaar vergeleken.
Auteur:KplusV organisatie-adviesRapportnummer:P-06-21-004\lri\bdiJaar van uitgave:2008
PRISMA rapportSamenvatting:Dit is de twaalfde Interprovinciale Rapportage vergunningverlening en handhaving. Het is een rapportage over de uitvoering door de provincie op deze Wm-beleidstaken en de resultaten die daarmee zijn behaald in het jaar 2007. De monitoring en rapportage over de uitvoering van de vergunningverlening en handhaving van de Wet milieubeheer door de provincie is deels een wettelijk verplichte monitoring, deels gaat het ook om gegevens op basis van EU-regelgeving en uiteraard zijn het monitoringsgegevens die de provincies zelf van belang vinden.Auteur:KplusV organisatieadviesJaar van uitgave:2009
Samenvatting:Op basis van metingen en modelberekeningen wordt een samenvattend beeld gegeven van de luchtkwaliteit en de belasting van bodem en oppervlaktewater door atmosferische depositie in Nederland in 2002. Het rapport bestaat uit hoofdstukken over mondiale, fotochemische, verzurende en vermestende, deeltjesvormige en lokale luchtverontreiniging.
Auteurs:E. Buijsman
ISSN: 1574-4930
RIVM Rapport 500037004
In Nederland zijn tussen 2003 en 2006 Europese normen voor de luchtkwaliteit overschreden. Dit geldt in het bijzonder voor stikstofdioxide, fijn stof en ozon. Vooral in 2003 was het aantal overschrijdingen hoog, mede vanwege weersomstandigheden als langdurige droge periodes. Dit blijkt uit meetresultaten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM.
Vooral in de jaren 2003 en 2006 waren er enkele dagen met ernstige smog door ozon (concentraties boven de Europese alarmdrempel). Deze overschrijdingen traden vooral op tijdens hittegolven. Op ongeveer de helft van de meetlocaties in straten waar het verkeer in hoge mate bijdraagt aan de stikstofdioxideconcentratie, ligt de gemiddelde concentratie per jaar boven het gestelde maximum. De concentraties stikstofdioxide op plattelandslocaties zijn de afgelopen vier jaar relatief weinig veranderd en liggen onder de norm.
De fijnstofconcentraties zijn de afgelopen drie jaar relatief constant geweest, na een piek in 2003. Voor fijn stof geldt een norm voor lang- en kortdurende blootstelling van de bevolking. Dit is een jaargemiddelde en een daggemiddelde dat slechts een aantal keer per jaar mag worden overschreden. In 2006 is op diverse locaties het maximum aantal dagen van de norm voor de kortdurende blootstelling overschreden. De jaargemiddelden van 2003 tot en met 2006 liggen onder de norm voor langdurende blootstelling. Gemeten over een langere termijn, vijftien en veertien jaar, vertonen zowel stikstofdioxide als fijn stof een duidelijke daling in de jaargemiddelde concentraties. Voor de afgelopen zeven jaar is niet te bepalen of deze trend nog steeds opgaat.
Acteurs:
Beijk, R., D. Mooibroek en R. Hoogerbrugge
RIVM rapport 680704002
Samenvatting:De concentraties van de stoffen die het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) in Nederland in de lucht meet zijn in 2009 weinig veranderd ten opzichte van voorgaande jaren. Dit komt mede doordat de weersomstandigheden, die van invloed zijn op de luchtkwaliteit, niet substantieel afweken van eerdere jaren. Incidenteel deden zich wel hoge concentraties voor. Dit blijkt uit de meetresultaten over 2009 van het LML, dat het RIVM beheert. De afgelopen jaren is een fors deel van de het LML vernieuwd. Daarnaast is ook de samenwerking met andere meetinstanties geintensiveerd. De meetresultaten van het LML en andere meetinstanties staan weergegeven in het Jaaroverzicht Luchtkwaliteit, dat een overzicht geeft van de gemeten en deels berekende luchtkwaliteit. De stikstofdioxideconcentraties blijven de laatste jaren nagenoeg constant. Op het merendeel van de meetlocaties in straten waar het verkeer in hoge mate bijdraagt aan deze concentratie, ligt de jaargemiddelde concentratie boven de EU-norm. In voorgaande jaren was dat ook het geval. De EUnormen voor fijnstofconcentraties zijn op geen enkele LML-meetlokatie in 2009 overschreden. De fijnstofconcentraties (PM10) zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren maar vertonen over een langere periode een dalende tendens. In 2009 waren er geen dagen met ernstige smog door ozon, oftewel er waren geen concentraties boven de Europese alarmdrempel.Auteurs:Mooibroek, D., R. Beijk en R. HoogerbruggeJaar van uitgave:2010
Samenvatting:De concentraties van stoffen die door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) in Nederland gemeten worden zijn in 2010 weinig veranderd ten opzichte van voorgaande jaren. Dit komt mede doordat de gemiddelde weersomstandigheden, die van invloed zijn op de luchtkwaliteit, niet substantieel afweken van voorgaande jaren. Incidenteel kwamen wel hoge concentraties voor, zoals verhoogde fijnstofconcentraties als gevolg van een stofwolk in Drenthe in mei 2010. De uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajökull in 2010 heeft de uitstoot van sulfaat en fluoride in Nederlands slechts in beperkte mate verhoogd. Metingen 2010. De Europese normen voor fijnstofconcentraties zijn op geen enkele LMLmeetlokatie in 2010 overschreden. De Europese normen voor stikstofdioxideconcentraties worden volgens de metingen, net als voorgaande jaren, op het merendeel van de verkeersbelaste meetlocaties wel overschreden. Verkeer levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdioxideconcentratie.
In 2010 zijn diverse ozonwaarschuwingen voor matige smog op basis van modelberekeningen uitgegeven. Hierdoor werden mensen voor wie die informatie relevant is (zoals sporters, ouderen en mensen met luchtwegenklachten) eerder gewaarschuwd. Er kwamen geen dagen met ernstige smog door ozon voor, wat betekent dat er geen concentraties boven de Europese alarmdrempel waren.
Trendanalyses tot 2015. De samenwerking met GGD Amsterdam en DCMR Milieudienst Rijnmond is geïntensiveerd, om gegevens beter te kunnen vergelijken en tot gezamenlijk analyses te komen. Uit een gezamenlijke trendanalyse voor gemeten fijnstof- en stikstofdioxideconcentraties bleek dat de fijnstofconcentratie over een langere periode daalt. Ook voor stikstofdioxide is een gestage daling zichtbaar. Als de dalende trend met dezelfde snelheid aanhoudt, is het niet zeker dat in 2015 op alle meetlocaties aan de stikstofdioxide grenswaarde wordt voldaan. Daarvoor is een sterkere afname nodig.
Auteurs:Mooibroek, D., J.P.J. Berkhout en R. Hoogerbrugge
Rapportnummer:68070401
Samenvatting:Voor het broedseizoen 2009 zijn alle vogelwerkgroepen die regelmatig nestkasten controleren benaderd om gegevens in te leveren. Dat kon, per legsel, via het Digitale Nestkaart project van Sovon Vogelonderzoek Nederland maar, om laagdrempelig te beginnen, ook via een zogenaamd verzamelformulier waar per gebied alle gegevens per soort bij elkaar ingestuurd konden worden. Uit de respons bleek dat er in Nederland zo’n 20.000 nestkasten met regelmaat gecontroleerd worden in werkgroepverband en dat we voor 2009 resultaten van ongeveer 15.000 nestkasten konden verwachten.Auteurs:R. Beskers, H. Bouwmeester, L. Ballering, H. van der Jeugd, C. van TurnhoutOrganisatie:Dit rapport is het eerste landelijke verslag van NESTKAST (NEtwerk voor STudies aan nestKASTbroeders). Dit is het netwerk waarin amateur nestkastonderzoekers (controleurs en ringers), professionele nestkastonderzoekers (NIOO-KNAW, Nederlands Instituut voor Ecologie), het Vogeltrekstation (VT) en SOVON Vogelonderzoek Nederland bij elkaar komen voor het verzamelen en uitwisselen van gegevens, wetenswaardigheden en ervaringen op het gebied van nestkastenonderzoek.Jaar van uitgave:2009
PRISMA rapportVolledige titel:Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2004. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.Samenvatting:Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van I&M over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2004.
Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG.Jaar van uitgave:2005
PRISMA rapportVolledige titel:Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2005. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.Samenvatting:Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van VROM over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2005.
Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van VROM, IPO, LIB en VNG.Jaar van uitgave:2006
Volledige titel:Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2006. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.Samenvatting:Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van I&M over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2006.
Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG.Jaar van uitgave:2007
PRISMA rapportVolledige titel:Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2007. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.Samenvatting:Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van I&M over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2007.
Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG.Jaar van uitgave:2008
PRISMA rapportVolledig titel:Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2008. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.Samenvatting:Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van I&M over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2007.
Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG.
PRISMA rapportVolledige titel: Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2009. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.Samenvatting:Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van I&M over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2009.
PRISMA rapportSamenvatting:Klimaatverandering daagt uit tot maatregelen die de nadelen ervan tegengaan en die ervoor zorgen dat er wordt geprofiteerd van de positieve gevolgen. Om deze maatregelen goed te kunnen onderbouwen, zijn de effecten van klimaatverandering in Nederland in kaart gebracht. Er wordt ondere andere ingegaan op de effecten van klimaatverandering op natuur, ruimtelijke ordening, water en landbouw.
Auteurs:Interprovinciaal Overleg en een consortium van kennisinstellingen Jaar van uitgave:2009
Samenvatting:Drenthe heeft sinds 1991 een korstmossenmeetnet. Dit meetnet heeft tot doel de ammoniakproblematiek te volgen. Dit rapport bevat de resultaten van de tweede integrale herhalingsronde in 2004. Uit de verandering van de korstmossensamenstelling tussen 1998 en 2004 kan opgemaakt worden dat de invloed van ammoniak in Drenthe gemiddeld afgenomen is. Regionaal zijn er echter sterke verschillen.
Auteur:C.M. van HerkJaar van uitgave:2005
PRISMA rapportSamenvatting:Dit rapport schetst op landelijk niveau een beeld van de kosten van de operationele doelstelling 'realisatie EHS en VHR, inclusief watercondities'. De totale gebiedsgerichte kosten voor het realiseren van de gewenste milieucondities in de EHS worden geschat op 4,3 miljard euro. Er is nog geen zicht op de kosten van het aanpakken van de vermestingsproblematiek in oppervlaktewateren.Auteur:Stuurgroep Milieutekorten, bestaande uit IPO, VROM, V&W, LNV en UVW
Samenvatting:De implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en Grondwaterrichtlijn (GWR) in de Nederlandse wetgeving geschiedt door regelingen voor monitoring en rapportage aan de Europese Unie in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vast te leggen. Op grond van artikel 5 en bijlage IV van de GWR moeten de lidstaten van de Europese unie rapporteren over trend en trendomkering van de grondwaterkwaliteit. De teksten van de GWR zijn ongeschikt als tekst voor een AMvB.
Dit rapport geeft de benodigde procedures waarnaar in de AMvB kan worden verwezen. De procedures zijn ontleend aan het Technical report nr.1 'The EU Water Framework Directive: statistical aspects of the identification of groundwater pollution trends and aggregation of monitoring results'.
In de EU zijn discussies over procedures voor trend en trendomkering nog steeds gaande; deze kunnen leiden tot een herziening van dit rapport.
Auteurs:Boumans, L.J.M., H.F.R. Reijnders en W. Verweij
RIVM rapport 607300006
Samenvatting:De in 2007-2009 ontworpen biologische maatlat voor de chemische kwaliteit van sedimenten in zoete getijdenwatern (watertype R8) kan mogelijk worden verbeterd door soorten met een zwakke indicatiewaarde anders of niet mee te wegen.
De Europese Kader Richtlijn Water (KRW) schrijft het gebruik voor van biologische methoden om te toetsen of een watersysteem een goede ecologische toestand heeft. De ecologische toestand is niet optimaal als de samenstelling van de dier- en plantensoorten afwijkt van de referentie. Dergelijke referenties verschillen per watertypen. De aard van de afwijkingen geeft inzicht in de oorzaak van de verandering in soortensamenstelling: er verdwijnen soorten die gevoelig zijn voor een bepaalde verstoring, of er verschijnen juist soorten die hiervoor ongevoelig zijn. Een ecosysteem wordt echter beïnvloed door een verscheidenheid aan verstoringen, waarvan de effecten slechts gedeeltelijk verschillend zijn.
Om de chemische kwaliteit van sedimenten in zoete getijdewateren (watertype R8) te beoordelen is in de periode 2007-2009 in opdracht van Rijkswaterstaat een biologische methode ontwikkeld. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze methode kan worden verbeterd door soorten met een geringe indicatiewaarde voor verontreiniging anders of niet mee te wegen. Dit onderzoek is in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd, om de R8-maatlat te verbeteren en het vertrouwen in de uitkomsten van de maatlat te vergroten. Indertijd is bij het afleiden van deze methode uitgegaan van de levensgemeenschap van soorten als geheel. Ook zijn de concentraties van individuele giftige stoffen in de sedimenten betrokken. Bij de nu uitgevoerde analyse van dezelfde meetgegevens is de reactie van individuele soorten bekeken in relatie tot enkele uiteenlopende milieufactoren en een kwantitatieve waarde voor de mate waarin het mengsel toxicanten in de betrokken sedimenten schadelijk is (toxische druk). Dit maakt het mogelijk om met grotere zekerheid de indicatiewaarde van de individuele soorten voor de aanwezigheid van toxiciteit te bepalen.
Auteurs:Posthuma, L., D. de Zwart, J. Postma en B. Reeze
Rapportnummer:607080001
PRISMA rapportSamenvatting:Sinds de jaren ‘90 zijn provincies begonnen met het opzetten van thematische meetnetten, waaronder bodem- en of grondwaterkwaliteitsmeetnetten. Door periodieke meetronden uit te voeren, worden meetnetgegevens verzameld waarmee temporale en ruimtelijke veranderingen in de bodem- en grondwaterkwaliteit, die het gevolg zijn van diffuse verontreiniging, te monitoren zijn.Om met een trendanalyse betrouwbare conclusies te kunnen trekken over de toestand van de bodem en het grondwater, moeten de meetnetgegevens aan kwaliteitseisen voldoen. Echter, gebleken is dat de kwaliteit van meetnetgegevens soms te wensen overlaat. Zo ontbreekt in veel gevallen de meta- informatie, nodig voor een betrouwbare verificatie en interpretatie van de meetnetgegevens, en worden kwaliteitscontroles niet systematisch uitgevoerd. Daarnaast en mede als gevolg van het verschil in kwaliteit, zijn meetnetgegevens provinciebreed niet of slechts met veel inspanning vergelijkbaar en uitwisselbaar.
Voor de hoofdtekst zie onderstaande link. Klik hier voor de bijlage.
Samenvatting:Als gevolg van de Europese Nitraatrichtlijn is het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw tussen 1992 en 2007 afgenomen met bijna 40 procent. Dit is een van de conclusies. Dit rapport geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de waterkwaliteit ten opzichte van Nederlandse maatregelen in de landbouw om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te verbeteren.
Het nitraatgehalte in het grondwater onder landbouwpercelen is in de periode van 1992 tot 2007 sterk gedaald, vooral in de zandregio's. Daar daalde de gemiddelde concentratie van 140 mg/l naar 75 mg/l. Ook in de kleiregio's zijn de gehaltes gedaald en lagen ze in deze periode ruim onder de norm van 50 mg/l. In de veenregio's is altijd weinig nitraat in het grondwater aanwezig geweest. Sinds 1992 is de chlorofyl-a concentratie (een indicator voor mate waarin het water eutrofieert) in regionale oppervlaktewateren die door de landbouw worden beinvloed constant gedaald. De gemiddelde nitraatconcentratie in de winterperiode in het zoete oppervlaktewater vertoont een afname sinds 1998. Zowel nitraatgehaltes in, als de eutrofiering van het water neemt af. Het duurt echter enkele jaren voordat effecten van beleidsmaatregelen door boeren in de waterkwaliteit waarneembaar zijn. Verwacht wordt dat de effecten van de recente beleidsmaatregelen uit het huidige actieprogramma (2004-2009) pas over een aantal jaren te zien zullen zijn in de waterkwaliteit. Het is daarom te verwachten dat de waterkwaliteit pas in de periode 2010-2015 verder verbeterd.
Auteurs:Zwart, M.H., A.E.J. Hooijboer, B. Fraters, M. Kotte, R.N.M. Duin, C.H.G. Daatselaar, C.S.M. Olsthoorn en J.N. BosmaRapportnummer:
RIVM rapport 680716003
Volledige titel:Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor de derogatie. Beschrijving van de meetnetopzet voor de periode 2006-2009 en de inhoud van de rapportages vanaf 2008.Samenvatting:Het RIVM en het LEI hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet dat de gevolgen meet als landbouwbedrijven mogen afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet volgt driehonderd landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het legt de gevolgen vast voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit. In dit rapport is de opzet van het monitoringnetwerk beschreven, evenals de wijze waarop vanaf 2008 over de resultaten zal worden gerapporteerd. Het rapport geeft onder andere aan wanneer welke cijfers beschikbaar zijn, en welke rekenmethoden gebruikt zullen worden om onder andere de bemesting en gewasopbrengst te berekenen.
De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het stikstofgebruik via dierlijke mest te beperken tot maximaal 170 kg per hectare. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen hiervan onder voorwaarden af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om vanaf 2006 tot en met 2009 onder voorwaarden af te mogen wijken van de gestelde norm. Dit betekent dat landbouwbedrijven 250 kilo stikstof per hectare mogen toedienen via dierlijke mest afkomstig van graasdieren (vooral koeien). Een van die voorwaarden is dat minimaal 70 procent van het totale areaal grasland is. Daarnaast is de Nederlandse overheid verplicht een monitoringnetwerk in te richten en de Commissie over de resultaten daarvan te rapporteren. De driehonderd deelnemers die worden gevolgd, zijn een steekproef van de circa 27.000 Nederlandse landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het netwerk is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).
Auteurs:Fraters, B., T.C. van Leeuwen, J. Reijs, L.J.M. Boumans, H.F.M Aarts, G.H.G. Daatselaar, G.J. Doornewaard, D.W. Hoop, J.J. Schroder, G.L. Velthof en M.H. Zwart
Rapportnummer:RIVM rapport 680717001.
Volledige titel: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie: Resultaten meetjaar 2008 in het derogatiemeetnet
Samenvatting:Dit rapport biedt een overzicht van mestpraktijken in 2008 en van de waterkwaliteit in 2008 en 2009 van graslandbouwbedrijven die boven de gestelde EU limiet mochten mesten.
Auteurs:Zwart, M.H., C.H.G. Daatselaar, L.J.M. Boumans en G.J. Doornewaard
Samenvatting:Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2009 en de waterkwaliteit in 2009 en 2010 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in de EU-Nitraatrichtlijn is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2009 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2008, het derde jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2010 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2009.
De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg N/ha). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd tot en met 2013. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 275 graslandbedrijven is de bedrijfsvoering gemonitord en van 285 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven achteraf geen derogatie toepasten of toegekend kregen en komt ook door bedrijfswisselingen in het meetnet.
Rapportnummer:680717022
Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als doelstelling het beschrijven en verklaren van de huidige bodemkwaliteit en veranderingen daarvan in het landelijk gebied van Nederland onder invloed van diffuse belasting. De eerste meetronde is in 1993 gestart en beëindigd in 1997. De tweede meetronde vindt van 1999 t/m 2003 plaats. In dit rapport worden de resultaten van de eerste meetronde samengevat. Het blijkt dat voor zware metalen en PAK in de bodem van het landelijk gebied relatief weinig streefwaardeoverschrijdingen voorkomen. De gehalten aan (inmiddels verboden) persistente bestrijdingsmiddelen als DDT, HCH en drins in de bodem zijn nog op grote schaal fors hoger dan de streefwaarde. In het bovenste grondwater wordt de streefwaarde voor zware metalen vaak overschreden. Onder bos op zand in Zuid-Nederland wordt soms de interventiewaarde voor zware metalen in het grondwater overschreden. De bronnen van de gevonden streefwaardeoverschrijdingen liggen voor een belangrijk deel in het verleden: de zinkindustrie in Zuid-Nederland, de toemaakdekken in het veenweidegebied, de overstromingen van rivierkleigronden, de looddepositie door verkeer en de bemesting in de landbouw. Anno 2000 speelt van deze historische bronnen alleen de landbouw nog een grote rol.
In de meeste landbouwgronden treedt momenteel accumulatie van zink, lood, koper en cadmium op, vooral door bemesting. Op een termijn van enkele tot tientallen jaren zal vooral bij koper en cadmium het oppervlak met overschrijding van de streefwaarde toenemen. Op kleine schaal hebben de huidige gehalten aan zware metalen in landbouwbodems tot gevolg dat gewaskwaliteitsnormen overschreden kunnen worden. In de komende decennia zal, als gevolg van de voortgaande accumulatie, het oppervlak met overschrijding van gewaskwaliteitsnormen verder toenemen. In sommige akkerbouwpercelen liggen de gehalten aan lindaan, DDT en drins momenteel nog boven de LAC-signaalwaarde. Omdat deze middelen niet meer gebruikt worden, zullen de gehalten in de bodem (langzaam) dalen.
Auteurs:Bronswijk, J.J.B., M.S.M. Groot, P.M.J. Fest en T.C. van Leeuwen
Rapportnummer:RIVM rapport 714801031
Samenvatting:De hoeveelheid organische stof en zware metalen in de bodem van landbouwgrond en bos is tussen 1993 en 2003 niet aantoonbaar veranderd. Waargenomen verschillen vallen binnen de variatie van de meetresultaten. Dit blijkt uit een vergelijking van twee cycli van metingen van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB), dat door het RIVM wordt beheerd. Zware metalen en organische stof zitten van nature in de bodem. Daarnaast komen zware metalen in landbouwgronden terecht via kunst- en dierlijke mest, en in bosgronden via de lucht. In de onderzochte periode zijn per saldo te weinig zware metalen aan de bodem toegevoegd om dat in deze meetperiode terug te zien in de bodemanalyses. Het LMB is een meerjarig meetprogramma met circa tweehonderd locaties, voornamelijk op landbouwgrond. De metingen worden elke zes jaar uitgevoerd op tien combinaties van grondgebruik en grondsoort. De eerste cyclus vond plaats tussen 1993 en 1997, de tweede tussen 1999 en 2003. In de eerste meetronde zijn de bodemlagen van 0 tot 10 en 30 tot 50 cm en het bovenste grondwater bemonsterd. Analyses zijn uitgevoerd op organische stof, zware metalen en organische microverbindingen. In de tweede meetronde is alleen de bodemlaag van 0 tot 10 cm bemonsterd en geanalyseerd op organische stof en zware metalen. In deze ronde namen voor de eerste keer landbouwbedrijven op lössgrond deel. Van hen is ook de bodemlaag 30 tot 50 cm bemonsterd en zijn analyses op organische microverbindingen uitgevoerd. Landbouwbedrijven op zand en zeeklei bleken over het algemeen lagere gehalten aan zware metalen te hebben. Bedrijven op veen, rivierklei en löss hebben daarentegen hogere gehalten aan zware metalen, maar de interventiewaarden hiervoor worden op geen enkel bedrijf overschreden. Ook in de ‘strooisellaag’ in de bossen, de bovenste bodemlaag, zijn hogere gehalten gemeten. De zandbodemlaag in de bossen heeft veel lagere gehalten aan zware metalen dan de strooisellaag, omdat de metalen daar niet doorheen komen.
Auteurs:de Jong, C.J., en K.W. van der HoekRapportnummer:RIVM rapport 680718001 Jaar van uitgave:2009
Samenvatting:Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling het nagaan van trendmatige veranderingen in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. Het object van onderzoek is de toplaag van de bodem (0-10 cm); daarnaast wordt ook een diepere bodemlaag en het bovenste grondwater onderzocht.
Het LMB wordt in samenwerking met LEI-DLO en Alterra uitgevoerd. Jaarlijks wordt een 2-tal combinaties van bodemgebruik en grondsoort bemonsterd, bestaande uit ca. 20 locaties per combinatie. De categorieën die in 1997 zijn onderzocht, zijn graslandbedrijven op zeeklei en tuinbouw- en bollenbedrijven op klei en zand. Naast algemene kwaliteitsparameters zijn parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Voor beide categorieen geldt dat de categoriegemiddelde metaalgehalten in de bodem beneden de streefwaarde liggen. In het grondwater geldt dat in de categorie grasland op zeeklei de categoriegemiddelde metaalconcentraties beneden de streefwaarden liggen, in de categorie tuinbouw liggen de categoriegemiddelde concentraties van enkele metalen boven de streefwaarden. Voor een groot aantal individuele PAK liggen in beide categorieën de locatiegemiddelde gehalten boven de streefwaarde. Voor de categorie grasland liggen de categoriegemiddelde gehalten aan HCB in de bodem boven de streefwaarde. Voor de categorie tuinbouw geldt dit voor HCB, beta-endosulfan en de som-DDT, op de bollenbedrijven geldt dit voor HCB en dieldrin. Op de graslandbedrijven liggen de categoriegemiddelde concentraties aan orthofosfaat, chloride, sulfaat en kalium in het bovenste grondwater boven de normen, op de tuinbouwbedrijven geldt dit voor orthofosfaat, nitraat, sulfaat en kalium, op de bollenbedrijven geldt dit voor totaal- en orthofosfaat, ammonium, chloride, sulfaat en kalium. Het overschot aan N is op de bemonsterde graslandbedrijven vergelijkbaar met het gemiddelde graslandbedrijf, het P-overschot is lager. Uit het zware metalen-overschot verminderd met de berekende uitspoeling op basis van de categoriegemiddelde concentraties aan zware metalen in het grondwater blijkt dat op de grasland- en bollenbedrijven sprake is van accumulatie van cadmium, koper, zink en lood in de bodem. In het rapport is beschreven in hoeverre er correlaties bestaan tussen de huidige belasting (zware metalen) en gehalten in bodem en grondwater. In de categorie grasland wordt alleen voor koper een positieve correlatie gevonden tussen belasting en bodemgehalten en in de categorie bollenteelt wordt alleen voor lood een positieve correlatie gevonden tussen belasting en concentraties in grondwater.
Auteurs:Groot, M.S.M., J.J.B. Bronswijk en T.C. van Leeuwen
Rapportnummer:RIVM rapport 714801029
Samenvatting:Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk en de waterkwaliteit in 2006 op graslandbedrijven die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven. De waterkwaliteit gemeten in 2006 is het gevolg van de bemestingspraktijk in eerdere jaren en geeft dus nog niet de gevolgen weer van de praktijk in 2006.
De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenaamde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). In dit rapport worden de resultaten voor 2006, het eerste meetjaar, gepresenteerd. Voor 293 bedrijven waren gegevens over bemesting beschikbaar. De waterkwaliteitsmetingen zijn uitgevoerd op 202 bedrijven.
Auteurs:Fraters, B., J.W. Reijs, T.C. van Teeuwen en L.J.M. Boumans
Rapportnummer:RIVM rapport 680717004
Samenvatting:In deze publicatie doet het CBS in opdracht van de Gegevensautoriteit Natuur verslag over de kwaliteit van het Verspreidingsonderzoek aan flora en fauna bij particuliere gegevensbeherende organisaties. Het gaat hierbij om beleidsmatig relevante soorten weekdieren, kevers, libellen, vlinders, beek- en poldervissen, amfibieën, reptielen, landzoogdieren en planten. In het rapport wordt met name beoordeeld in hoeverre de gestelde meetdoelen bereikt kunnen worden en in welke mate de gegevensinwinning gestandaardiseerd is. Het rapport geeft tevens aanknopingspunten voor de toekomstige inrichting van het verspreidingsonderzoek.
Rapportnummer: ISBN 978-90-357-1752-7
Samenvatting: Dit jaarrapport doet verslag van de stand van zaken in 2008 van de meetnetten die onder het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) vallen. Dit is inmiddels het elfde jaarrapport. Ook in dit rapport is weer speciale aandacht voor de monitoring ten behoeve van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Voor elk NEM-meetnet is er een contract tussen de opdrachtnemer (vaak een PGO) en één of meer opdrachtgevers (LNV, PBL/VROM, Rijkswaterstaat, Vogelbescherming Nederland). In dit rapport wordt beschreven in hoeverre de afspraken in de contracten zijn nagekomen en in hoeverre de kwaliteit van elk meetnet zich ontwikkelt in relatie tot de meetdoelen van het NEM. Per meetnet bestaat er een opdrachtgeverscommissie die de voortgang van het meetnet bewaakt. De oordelen van deze commissies zijn in dit rapport verwerkt. Ook het CBS nam deel aan de opdrachtgeverscommissies, in de rol van kwaliteitsbewaker van de meetnetten. Al betreft dit rapport het jaar 2008, dat wil nog niet zeggen dat alle informatie van het veldwerk in 2008 hierin is verwerkt; de meeste veldgegevens van 2008 komen namelijk pas in de eerste helft van 2009 voorhanden. De Natuurstatistieken van het CBS worden sinds begin 2006 mede gefinancierd door het Ministerie van LNV.
Rapportnummer:Kengetal: J-67 ISBN: 978-90-357-1668-1
Samenvatting:Doel van deze inventarisatie is om een beeld te krijgen van wat er bij de twaalf provincies speelt op het gebied van donkertebescherming en lichtvervuiling. Het gaat dan om onder andere doelstellingen, beschikbare instrumenten, betrokken beleidsterreinen- en afdelingen en er wordt gezocht naar inspirerende voorbeelden zodat provincies van elkaar kunnen leren. Tevens wil men zicht krijgen op de vragen die er leven bij de provincies inzake lichtvervuiling en donkertebescherming. De resultaten van deze inventarisatie zij ook gebruikt als input bij de totstandkoming van het 'Handboek licht/donker' uit 2010.
Auteurs: De Kok / de Kok & partners
Het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg heeft een serie verspreidingsatlassen uitgebracht:
De verkoopgegevens van alle verspreidingsatlassen zijn onder het menu-onderdeel Publicaties te vinden op de site van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg.
Samenvatting:Dit rapport beschrijft de tweede fase in het praktijkonderzoek naar de bruikbaarheid van de TRIADE-benadering voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling. In deze tweede fase werd gekozen voor een uitbreiding van de ecologische veldwaarnemingen en werd gestreefd naar een betere locale referenties voor verontreinigde percelen. Het is een volgende stap in de ontwikkeling van een beslissingsondersteunende methodiek, die op termijn de huidige urgentie-systematiek voor bodemverontreiniging zou kunnen aanvullen of vervangen. De verontreinigingsgraad was op twee van de drie locaties (te) hoog door de aanwezigheid van een cocktail aan stoffen.
De monsters van de vloeivelden Tilburg voldeden het best aan de doelstelling om een uitgebreide TRIADE-beoordeling uit te voeren langs een gradiënt van matig verontreinigde gronden. De methodiek gaf ook hier een gradatie in effecten weer. Er zijn een groot aantal bodemecologische metingen uitgeprobeerd. De meeste gaven onderscheid tussen de monsters. De waargenomen effecten waren kleiner dan op grond van het TRIADE-onderdeel chemie verwacht zou worden. De keuze van een goede referentie blijkt een belangrijk en kritisch aspect in de beoordelingsmethodiek.
Auteurs:Schouten, A.J., J.J. Bogte, E.M. Dirven-van Breemen, M. Rutgers, R. Baerselman, P. van Beelen, J. Bloem, H. Keidel en M. Wouterse
Rapportnummer:RIVM rapport 711701032
Jaarverslag en tabellenboeken (jaarlijks) van de meetwaarden van de luchtkwaliteit in de regio Rijnmond.
ContactpersoonPeter van BreugelTelefoon: 010 - 246 80 38
Samenvatting:Het Rijnmondgebied is met veel industrie en een grote concentratie van verkeer en mensen een bijzondere locatie. De DCMR exploiteert al meer dan 40 jaar in opdracht van de provincie Zuid-Holland een luchtmeetnet. De meetlocaties zijn een aanvulling op het landelijk RIVM meetnet. Dit rapport geeft een overzicht van de gemeten concentraties in 2010. Per stof zijn de belangrijkste eigenschappen, bronnen, gezondheidsaspecten en gemeten concentraties be-schreven. Alle componenten zijn, indien relevant, getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer (Wm). Stoffen waar geen Wm-normen voor zijn opgesteld, zijn getoetst aan oude normen of het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR-norm). Dit hoofdstuk is een samenvatting van de toetsing. De conclusies in dit rapport hebben betrekking op de meetstations. Op andere locaties in het Rijnmondgebied kunnen (soms veel) hogere of lagere concentraties voorkomen. Dit rapport geeft een redelijk beeld van de luchtkwaliteit waaraan de bevolking in de Rijnmond blootstaat. In veel gevallen zal die nog iets gunstiger zijn dan de resultaten die op de stations wordt vastgesteld.
Stikstofdioxide (NO2) Op de stations Overschie, Ridderkerk, Statenweg en Pleinweg is de grenswaarde voor het jaargemiddelde overschreden. De grenswaarde voor het uurgemiddelde is op geen van de stations overschreden.
Fijn stof (PM10) Op geen van de stations is de grenswaarde voor het jaargemiddelde overschreden.
Zwaveldioxide (SO2) Op geen van de meetstations zijn de grenswaarden overschreden.
Ozon (O3) Op 5 juni en 9 juli is op een aantal stations de informatiedrempel overschreden. De alarm-drempel en de richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid zijn niet overschreden.
SmogOp 20 dagen is matige smog waargenomen. Er was dit jaar geen sprake van ernstige smog.
Benzeen (C6H6) Op geen van de meetstations is de grenswaarde overschreden.
Koolmonoxide (CO) Op geen van de meetstations is de grenswaarde overschreden.
Totaal stof (TSP) In 2010 is het TSP jaargemiddelde uitgekomen op 28 μg/m3.
Zware metalen De grenswaarden voor lood, cadmium, nikkel en arseen zijn niet overschreden.
Zwarte rook De concentraties voldoen aan de oude grenswaarden.
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) De richtwaarde voor benzo(a)pyreen is niet overschreden.
Fluoride De MTR-norm voor fluoride in lucht is niet overschreden. Het Rijnmondgemiddelde voor fluori-de in gras voldoet aan de normen.
Samenvatting:In dit rapport staan de datagegevens van de meetpunten van de Provincie Noord-Holland en Corus Staal B.V. binnen het meetnet IJmond. Dit rapport geeft de immissiegegevens weer zoals die gemeten zijn in het jaar 2007. Het datarapport heeft een technisch karakter en is primair bedoeld voor uitwisseling van de meetgegevens binnen Corus, PNH, en met derden, bijv. RIVM, andere meetdiensten en belangstellenden. Het meetnet heeft vier doelen:
In dit rapport vindt men achtereenvolgens de meetlocaties, pollutierozen met gemeten concentraties, windrichtingen en windsnelheden, immissietrends, kentallen, statistieken, meeten rekenmethoden, normen en verklaringen.
Auteur: Drs. Ing. D. de JongeRapportnummer:GGD/LO 08-116Jaar van uitgave:2007
Samenvatting:Rapport over maatregelen die binnen maar vooral ook buiten het bodembeleidsveld genomen kunnen worden in de transitie naar een duurzaam bodembeheer.
Auteurs:Westerhof, R., M. Luitwieler en C. van den BrinkRapportnummer: IPO 9VO371Jaar van uitgave:Augustus 2010
PRISMA rapportSamenvatting:In opdracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat hebben de gezamenlijke overheden in het kader van het Tienjarenscenario Waterbodems (TJS) begin 2002 geïnventariseerd hoe groot de baggeropgave in Nederland is en is geconcludeerd dat er een baggerachterstand is. Daarnaast zijn de kosten ingeschat van het wegwerken van de achterstand en het saneren van verontreinigde baggerlocaties. Naar aanleiding van het Bestuurlijk advies en het Basisdocument TJS heeft het kabinet in 2002 het onderstaande standpunt geformuleerd over de benodigde intensivering van de baggeropgave.Auteur:Advies en Kenniscentrum Waterbodems (AKWA)Rapportnummer:AKWA 04.010Jaar van uitgave:2004
Samenvatting:De EU-Kaderrichtlijn Water (KRW) biedt de mogelijkheid milieu-onderzoek en monitoring opnieuw te bezien. Dit document bespreekt maritieme monitoring en milieu-onderzoek in het licht van grote beleidsinitiatieven als de KRW. Dat gebeurt aan de hand van voorbeelden uit Nederland en, in mindere mate, het Verenigd Koninkrijk.
Auteurs:de Jonge, V.N., M. Elliott en V.S. BrauerJaar van uitgave:2006
PRISMA rapportSamenvatting:Dit is een Engelstalige samenvatting van het Nederlandstalige rapport 'Maatregelen en instrumenten voor de bodem in prioritaire gebieden'. Het draait om maatregelen die binnen maar vooral ook buiten het bodembeleidsveld genomen kunnen worden in de transitie naar een duurzaam bodembeheer.Auteurs:Interprovinciaal Overleg en Royal Haskoning
Rapportnummer: 9V0371Jaar van uitgave:2010
Samenvatting:Dit jaarrapport doet verslag van de stand van zaken in 2010 van de meetprogramma’s die onder het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) vallen. Dan gaat het bijvoorbeeld om hoe de kwaliteit van elk meetprogramma zich ontwikkelt in relatie tot de meetdoelen van het NEM. Ten opzichte van de vorige verslagen zijn overigens enkele veranderingen doorgevoerd. De twee belangrijkste veranderingen zijn de herziening van de meetdoelen en de verregaande integratie van de meetprogramma’s voor aantalsmonitoring en verspreiding. Een direct zichtbaar gevolg van deze integratie is dat de kwaliteitsrapportage voor de beide typen gegevensinwinning in dit rapport voor het eerst zijn samengevoegd.
Auteur:Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
Rapportnummer:60223 201101 J-69
Samenvatting:Er zit veel variatie in de meetfrequentie en het aantal bestrijdingsmiddelen in de meetprogramma's van drinkwaterbedrijven. Het algemene beeld is dat de waterbedrijven voldoende monitoren. In het Waterleidingbesluit is een norm voor bestrijdingsmiddelen geformuleerd, maar er is niet gespecificeerd welke bestrijdingsmiddelen gemeten moeten worden. Om tot een meer geharmoniseerde invulling te komen zijn in dit rapport twee meetprotocollen opgenomen aan de hand waarvan de waterbedrijven hun meetstrategie kunnen beschrijven.
De resultaten van het onderzoek geven een beeld van de huidige motieven die drinkwaterbedrijven hanteren voor het opzetten van hun meetprogramma bestrijdingsmiddelen. Aspecten die keuze van het bestrijdingsmiddelenpakket beïnvloeden zijn onder meer: kennis over gebruik van middelen in de omgeving, de kwetsbaarheid van de winning, het analyse-aanbod van het waterlaboratorium en meetfrequenties die tussen VEWIN en VROM zijn afgesproken. Aan de hand van deze uitkomsten zijn voor grondwater en oppervlaktewater twee aparte protocollen opgesteld. Hierin zijn de volgende aspecten opgenomen: - beschrijving ruwwater bron; - kwetsbaarheidanalyse van de winning; - inventariseren van relevante middelen; - meetfrequentie; - analysetechniek.
De eenduidigheid en inzichtelijkheid in de keuze van middelen, de meetfrequenties en de achterliggende strategieën worden door het volgen van een protocol vergroot. Dit vereenvoudigt tevens de jaarlijkse controle op die meetprogramma's door de VROM-Inspectie.
Auteurs:Morgenstern, P.P. en J.F.M. Versteegh Rapportnummer:RIVM rapport 703719011 Jaar van uitgave:2006
Auteurs:Morgenstern, P.P. en J.F.M. Versteegh
Rapportnummer:RIVM rapport 703719011
In dit methoderapport wordt de operationalisering van de in de Duurzaamheidsverkenning gebruikte methode ('DV-methode') beschreven en bediscussieerd. Het rapport signaleert mogelijke verbeterpunten en identificeert gebieden waarop vervolgonderzoek wenselijk is. Er wordt gebruik gemaakt van de ervaringen opgedaan tijdens de productie van de DV. Het methoderapport is bestemd voor wetenschappers en beoogt de doorgaande methodologische discussie over duurzaamheidsverkenningen te faciliteren.
Auteurs:Peterse,n A.C., T.G. Aalbers, N.D. van Egmond ND, B. Eickhout, J.C.M. Farla, A.H. Hanemaaijer, H.A.R.M. van den Heiligenberg, P.S.C. Heuberger, P.H.M. Janssen, R.J.M. Maas, J.M. Melse, D. Nagelhout, H. Visser, H.J.M. de Vries en H. van Zeijts
Rapportnummer:RIVM rapport 550031001
Samenvatting:Bestaande natuurgraadmeters voor sloten en beken gaan uit van de aan- of afwezigheid van zeldzame natuurdoelsoorten. Bij reguliere monitoring worden doelsoorten echter weinig aangetroffen. In dit rapport worden twee sets van goed te meten indicatoren voorgesteld die het voorkomen van een groep van algemenere, kenmerkende, functionele of gevoelige soorten als maat gebruiken. Voor zowel de beken als voor de sloten is er nu een prototype beschikbaar dat verder nog verfijnd moet worden voordat de graadmeter echt gebruikt kan worden voor signalering, beleidsevaluatie en verkenningen.
Auteurs:Verdonschot, R.C.M. en P.F.M. Verdonschot
Rapportnummer:WOT rapport 113
Samenvatting:Er komt minder radioactief radongas (Rn-222) in nieuwbouwwoningen voor dan op basis van eerdere radonsurveys werd aangenomen. De oude radondetectoren blijken na onderzoek ook gevoelig voor radioactief thoron (Rn-220), waarvan meer aanwezig is dan werd gedacht. Dit volgt uit een nader onderzoek aan deze detectoren, dat plaatsvond naar aanleiding van een landelijke survey naar de stralingsbelasting in Nederlandse woningen die tussen 1994 en 2003 zijn gebouwd.Detectoren die voor internationale vergelijkingsstudies naar radon worden gebruikt, zijn tot nu alleen op dit edelgas ingesteld. Dat sommige typen detector behalve radon ook thoron meten, valt dan niet op. Net als in Nederland is er internationaal een toegenomen aandacht voor thoron vanwege survey-resultaten die sterk door thoron bleken te zijn beinvloed.Het thoron lijkt afkomstig van een (veel voorkomend) bouwmateriaal met verhoogde thoronuitstoot, mogelijk een afwerkmateriaal. Inmiddels is gebleken dat er gedurende een aantal jaar in Nederland stucmateriaal is toegepast dat door het ingredient fosfogips meer thoron bevatte. Mogelijk geven echter ook andere afwerkmaterialen aanleiding tot een verhoging.Een groot deel van de dosis straling die mensen binnenshuis ontvangen, is het gevolg van het inademen van de radioactieve vervalproducten van radon en thoron. Radon en thoron worden van nature gevormd in bodem- en bouwmaterialen. Een deel daarvan komt in de woning terecht, omdat ze gasvormig zijn. Blootstelling aan straling in de woning is verantwoordelijk voor ruwweg de helft van de stralingsbelasting die Nederlandse burgers gemiddeld door het jaar heen oplopen.Auteur:R.O. BlaauboerJaar van uitgave:2010
PRISMA rapportVolledige titel:Milieu in ruimtelijke plannen: gemeente. Juridische mogelijkheden onder de Wet Ruimtelijke OrdeningSamenvatting:Kwaliteit is belangrijk bij de vormgeving van onze omgeving. De ruimte is schaars, en de investeringen daarin dienen toekomstwaarde te hebben. De ruimtelijke behoeften van wonen, werken, recreëren, mobiliteit, water en natuur verdienen een samenhangende benadering. De overheid moet in de ruimtelijke besluitvorming nota nemen van de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en economische, culturele en sociale gevolgen. Het Rijk wil een ruimtelijk beleid dat niet alleen ordent, maar ook richting geeft aan de ruimtelijke dynamiek van ons land. Duurzame ruimtelijke ontwikkelingen moeten daarmee worden bevorderd. De Wet ruimtelijke ordening kiest daarom voor plannen en besluiten op het bestuurlijk niveau dat het dichtst bij mensen en hun leefomgeving staat.Auteurs:Rothengatter, R. en R. MathijsenJaar van uitgave:2008
PRISMA rapportVolledige titel: Milieu in ruimtelijke plannen: provincie. Juridische mogelijkheden onder de Wet Ruimtelijke Ordening Samenvatting:Kwaliteit is belangrijk bij de vormgeving van onze omgeving. De ruimte is schaars, en de investeringen daarin dienen toekomstwaarde te hebben. De ruimtelijke behoeften van wonen, werken, recreëren, mobiliteit, water en natuur verdienen een samenhangende benadering. De overheid moet in de ruimtelijke besluitvorming nota nemen van de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en economische, culturele en sociale gevolgen. Het Rijk wil een ruimtelijk beleid dat niet alleen ordent, maar ook richting geeft aan de ruimtelijke dynamiek van ons land. Duurzame ruimtelijke ontwikkelingen moeten daarmee worden bevorderd. De Wet ruimtelijke ordening kiest daarom voor plannen en besluiten op het bestuurlijk niveau dat het dichtst bij mensen en hun leefomgeving staat.Auteurs:Rothengatter, R. en R. MathijsenJaar van uitgave:2008
Samenvatting:In dit rapport wordt de validatie van blootstellings- en verspreidingsmodellen voor bodem, grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van de milieurisicobeoordeling bij de registratie van diergeneesmiddelen onderzocht. De functionele validatie met (oxy)tetracycline en sulfonamiden geven een indicatie dat het onmogelijk is de bijdrage van elke afzonderlijke modelparameter aan de variabiliteit in de modelvoorspellingen te bepalen op basis van willekeurige veldbemonstering.
Geconcludeerd moet worden dat de beschikbare veldgegevens niet voldoende zijn om de parameter selectie in de modellen te valideren of te verwerpen. Een lysimeter studie met sulfachloropyridazine is gebruikt om de functionele validatie van het grondwatermodel PEARL uit te voeren. Een simulatiefout van 0,02 werd bepaald, hetgeen betekent dat de berekende waarden een factor 50 verschillen van de gemeten waarden. In deze studie worden twee factoren voor onzekerheid in de simulatie onderscheiden. Ten eerste, het voortijdig beëindigen van de studie belemmert de volledige expressie van het neerwaartse transport. Ten tweede, de onzekerheid in de adsorptieprocessen en -parameter is van groot belang voor een betrouwbare simulatie. Ondanks de tekortkomingen van de casus is de potentiële bruikbaarheid van uitspoelingsmodellen voor gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen en van PEARL in het bijzonder aangetoond. Auteurs:Montforts, M.H.M.M. en A.J. Verschoor
Rapportnummer:RIVM rapport 601450016
Samenvatting:Het Landelijk Meetnet Flora Milieu- en Natuurkwaliteit (LMF M&N, kortweg LMF, onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring) volgt op, naar planning, 10.000 permanente kwadraten de vegetatie in Nederland. Doel van het LMF is ten eerste de effecten van milieudruk op de Nederlandse vegetatie te volgen en, ten tweede, om de veranderingen in de ecologische kwaliteit van de vegetaties te volgen, veelal gerelateerd aan de soortsamenstelling.
De vraagstelling in dit rapport is hoe effecten van milieudruk op de vegetatie in indicatoren uitgedrukt kunnen worden. Daartoe is langs een drietal lijnen de indicatiewaarde van de vegetatie onderzocht: Hoe verschillen de huidige indicatiewaarden met een historische vergelijking uit de periode 1900-1950?; doel is om de huidige vegetaties en hun indicatiewaarden in context te zetten; Hoe veranderen de indicatiewaarden van de vegetatie over de huidige stikstof depositiegradiënt? Hoe verandert de biomassa van de vegetatielagen over de huidige depositiegradiënt?
Uit de ontwikkelde indicatoren blijkt dat in de recente situatie de omvang van de vegetatielagen een gevoelige parameter in de hier onderzochte systemen is (het zijn alle relatief arme systemen op zandgronden). De toename van een vegetatielaag hangt direct samen met een toename van de biomassa van die laag, een effect dat gelieerd is aan de voedselverrijking door stikstofdepositie. De geringe veranderingen in Ellenberg-indicatie over de depositiegradiënt laat zien dat veranderingen in soortsamenstelling (sturende factor achter de verandering van Ellenberg-indicatie) minder gevoelig zijn. De analyse van veranderingen ten opzichte van een historische situatie laat wel degelijk veranderingen in soortsamenstelling zien. Op de arme zandgronden van de open duinen en op de heide zijn twee trends te zien, ten eerste een toename van soorten van voedselrijkere standplaatsen en ten tweede een toename van soorten met een bredere tolerantie voor zuur. Daarbij zijn de soorten met een brede zuurtolerantie ook soorten die bevoordeeld worden door voedselverrijking, namelijk grassen als pijpestrootje en duinriet.
Auteurs:van Veen, M.P., S. van Tol, M.L.P. van Esbroek, H. Noordijk, B. de Knegt en A. van Hinsberg
Rapportnummer:RIVM rapport 718101003
Samenvatting:Veel woningen in stedelijke gebieden in Nederland ondervinden milieuproblemen. Met name de grote steden hebben last van geluidsoverlast en vervuilde lucht. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM. Dit rapport biedt een globaal overzicht van de milieuproblemen in stedelijk gebied.
In opdracht van het ministerie van VROM inventariseerde het RIVM de milieubelasting in stedelijke gebieden. Hierbij werd gekeken naar luchtkwaliteit, geluid, bodem en externe veiligheid. Bij de inventarisatie is naar stedelijke postcodegebieden gekeken waarin zich woningen met een kritieke milieubelasting bevinden.
Uit de inventarisatie blijkt dat veel woningen in stedelijke gebieden een overschrijding van kritische grenswaarden voor milieubelasting ondervinden. De overschrijding wordt vaak veroorzaakt door luchtvervuiling, in de vorm van hoge concentraties fijn stof en stikstofdioxide, en lawaai van weg- en railverkeer. Vooral in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Noord-Brabant spelen deze problemen.
Deelkaarten in dit rapport geven per postcodegebied aan welke milieuproblemen zich ter plaatse voordoen en hoe ernstig deze zijn. De kaarten bieden beleidsmakers en planologen een overzicht van de gebieden die in milieutechnisch opzicht aandacht vragen.
Auteurs:Jabben, J., C. Potma en S. Lutter
Rapportnummer:RIVM rapport 680300003
In de Milieubalans 1999 wordt de balans opgemaakt van actuele ontwikkelingen in de milieudruk (emissies en afval) en milieukwaliteit (water, bodem, lucht) tegen de achtergrond van het gevoerde milieubeleid en maatschappelijke ontwikkelingen.
De eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van de Milieubalans 1999 ligt bij het RIVM.
Klik hier voor het hele rapport (pdf).
In de Milieubalans 2000 is te lezen hoe de kwaliteit van het Nederlandse milieu er anno 2000 voor staat, waardoor dit komt en wat de effecten zijn op mens en natuur. De cijfermatige onderbouwing staat in het Milieucompendium, een gezamenlijke uitgave van het CBS en het Milieu- en Natuurplanbureau (nu PBL).
In de Milieubalans 2001 is te lezen hoe de kwaliteit van het Nederlandse milieu er anno 2001 voor staat, welke factoren gezondheid en ecosystemen bedreigen en wat het milieubeleid beoogt en bereikt.
Naast de bekende milieuthema's en de beschouwingen over de mondiale, continentale, landelijke en lokale milieuzaken wordt dit jaar bijzondere aandacht besteed aan risico's, veiligheid en duurzame ontwikkeling.
..
De Milieubalans 2002 van het Milieu- en Natuurplanbureau geeft inzicht in de recente ontwikkelingen in het milieu en de effecten van het milieubeleid.
Het milieu in Nederland verbetert langzaam maar zeker. Het nieuwe kabinet wil die verbetering vasthouden. Het verleden laat zien dat daarvoor Europese milieuregels van groot belang zijn. Die zijn effectiever gebleken dan vrijwillige afspraken en financiële prikkels.
De Nederlandse situatie met een hoge bevolkingsdichtheid en intensieve industrie, landbouw en verkeer maakt het nakomen van internationale milieuverplichtingen moeilijk.
De Milieubalans 2003 besteedt bijzondere aandacht aan het Nederlandse milieu(beleid) in Europese context. Meer dan 80% van het milieuen natuurbeleid in Nederland wordt door Brussel voorgeschreven. De uitvoering daarvan leidt soms tot conflicten met Nederlands beleid, zoals bij de Nitraatrichtlijn.
Toch pakken gemeenschappelijke Europese milieuregels vaak gunstig uit. Nederland kan milieukosten besparen door goed en vroeg te kiezen welk beleid Nederland moet maken en welk de Europese Unie.
Klik hier voor het rapport Milieubalans 2003.
Jaarlijkse publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Samenvatting editie 2004:De implementatie van Europese richtlijnen in Nederland en de ingezette decentralisatie en integratie van het milieubeleid leidt tot spanningen, zowel in Nederland zelf als tussen Den Haag en Brussel. Er ligt op rijksniveau nog een uitdaging om een duidelijke strategie te formuleren over de interactie tussen het Rijk en de EU en over de invulling van de scharnierfunctie tussen de EU en de regio.
Samenvatting editie 2005:
Europese milieueisen maken aanvullend Nederlands beleid noodzakelijk. Het uitvoeren van de Europese emissie-eisen leidt tot forse vermindering van uitstoot van vervuilende stoffen in Nederland. Maar door de specifieke situatie in Nederland is dat niet genoeg om te voldoen aan de milieukwaliteitseisen die de Europese Unie stelt.
Samenvatting editie 2006:
De milieudruk in Nederland is de laatste jaren steeds verder afgenomen, ondanks de groei van de economie (Bruto Binnenlands Product). Voor de periode tot 2010 wordt geraamd dat de ontkoppeling tussen milieudruk en economische groei doorzet. Dit neemt niet weg dat Nederland moeite heeft om met het vastgestelde beleid aan de EU-eisen te voldoen, ondanks aanvullend nationaal beleid boven op het EU-bronbeleid.
Jaarlijkse publicatie door het Planbureau voor de Leefomgeving.
Samenvatting editie 2007:De afgelopen jaren is veel vooruitgang geboekt op milieugebied, vooral door technologische maatregelen. Veranderingen in het gedrag van consumenten hebben amper een rol gespeeld. Door een toename in reizen en het gebruik van elektrische apparaten nam het energiegebruik door consumenten toe. Consumenten zijn zich hier echter wel meer van bewust en zijn bereid financieel bij te dragen, mits de lasten verdeeld worden.
Samenvatting editie 2008: Nederland heeft veel baat bij Europees milieubeleid; het is vaak effectiever en goedkoper dan nationaal beleid. Maar omdat Nederland een dichtbevolkt en laaggelegen land is, zijn alleen Europese maatregelen vaak ontoereikend om de beleidsdoelen te halen. Voor de benodigde aanvullende nationale maatregelen is de speelruimte beperkt vanwege de randvoorwaarden die Brussel hieraan stelt.
Samenvatting edtite 2009:Milieu-innovaties en milieuvriendelijke consumptie zijn cruciaal voor slagen van het milieubeleid. Door de economische recessie zijn belangrijke stimulansen voor milieu-innovatie weggevallen. De overheid moet daarvoor nieuwe impulsen ontwikkelen.
Eens in de vier jaar brengt de provincie Flevoland de Milieubalans uit. Deze laat zien hoe het milieu in de provincie ervoor staat. De Milieubalans vergelijkt de actuele milieukwaliteit met de doelen die hiervoor zijn geformuleerd.
Telefoon: 0320 – 26 54 34Contactpersoon: Rogier Wilms
Onder 1.000 Overijsselaars is een telefonische enquete uitgevoerd naar hinder in de woonomgeving en is gevraagd naar de beleving van groen, water, landschap.
Om deze informatie te bekijken gaat u naar het tabblad milieu.
Het Milieubelevingsonderzoek (MBO) onderzoek wordt sinds 1988 elke twee jaar uitgevoerd in 12 zogenoemde knelpuntlocaties in Zuid-Holland die dicht bij grote industrieën liggen. Dit zijn Rijnmond-Noord (5 locaties), Rijnmond-Zuid (3 locaties), Zwijndrecht-Zuid, Dordrecht-Noord/West, Delft Centrum/Oost en Gouda-Zuid. In 2005 zijn er drie locaties toegevoegd: Delft/Rijswijk, Zoeterwoude en Middelharnis. Hellevoetsluis en Barendrecht dienen in het onderzoek sinds 1988 als referentie voor locaties met weinig of geen milieubelasting.
Doel van het onderzoek is na te gaan hoe inwoners van de onderzochte locaties milieuhinder van industrie en verkeer (geurhinder, stofhinder, geluidsoverlast en gevoelens van onveiligheid) ervaren. Het gaat dus om de beleving van burgers, niet om feitelijke informatie over de milieusituatie in Zuid-Holland.
Contactpersoon:J. van Vliet Telefoon: 070 - 441 72 61
Dit rapport beschrijft een methode die de effecten schat van Nederlandse emissies van prioritaire stoffen op de volksgezondheid en ecosystemen. Prioritaire stoffen vormen een dusdanig gevaar voor het milieu, dat met voorrang emissiereducerende maatregelen zijn getroffen om dat gevaar te verminderen. De methode berekent zogenaamde MilieuEffectIndicatoren (MEI) en is ontwikkeld om te toetsen of de doelstellingen van het Nederlandse milieubeleid gehaald zijn.
De eerste milieueffectindicator, de MEI/eco, schat het verlies van soorten organismen in het Nederlandse oppervlaktewater als gevolg van emissies van prioritaire stoffen. Uit een toetsing blijkt dat het effect van prioritaire stoffen op de soortensamenstelling in de periode 1990-2003 ongeveer is gehalveerd. Op basis van de Nederlandse emissies wordt het verlies van soorten in 1990 geschat op 3,2% en in 2003 op 1,8%. De MEI/eco wordt berekend op basis van geschatte blootstelling, de gevoeligheid van soorten voor bepaalde stoffen en de giftigheid van bepaalde stofmengsels. De tweede milieueffectindicator, de MEI/vgz, schat het effect van emissies van prioritaire stoffen op de volksgezondheid. Uit een analyse van de situatie in Nederland blijkt dat de impact van de prioritaire stoffen op de volksgezondheid met ongeveer eenderde is afgenomen. Het effect wordt uitgedrukt in het verlies aan DALY's (Disability Adjusted Life Years), ofwel het aantal gezonde levensjaren dat een populatie verliest door ziekten of voortijdig overlijden. Het effect van de Nederlandse emissies wordt geschat op een verlies van 59.000 DALY in 1990 en 42.000 DALY in 2003. De MEI/vgz wordt berekend op basis van geschatte blootstelling, de ziekteverwekkende eigenschappen van bepaalde stoffen en epidemiologische gegevens.
Auteurs:de Zwart, D., H.A. den Hollander, L. Geelen en M.A.J. Huijbregts
Rapportnummer:RIVM rapport 607880006
Samenvatting:Wat waren de gevolgen van de financiële en economische crisis op het milieu? Hoe groot is het aandeel van de ‘groene’ economie? Is de ‘CO2-voetafdruk’ van Nederland groter geworden in de tijd? Vervuilen huishoudens met een hoger inkomen meer dan huishoudens met een lager inkomen? Vindt er ontkoppeling plaats tussen enerzijds energieverbruik, water verbruik, emissies naar lucht en water en anderzijds economische groei ? Is het mogelijk om CO2 emissies op kwartaalbasis te bepalen?
Deze en vele andere vragen worden beantwoord in de publicatie ‘Environmental Accounts of the Netherlands 2009’. De milieurekeningen brengen economische informatie en milieu informatie samen in een consistent systeem waardoor het mogelijk wordt de bijdrage van het milieu aan de economie en de impact van de economie op het milieu in beeld te brengen. Deze jaarlijkse publicatie, voor het eerst in het Engels, richt zich op een breed publiek van statistici, beleidsmakers en onderzoekers geïnteresseerd in duurzame ontwikkeling, welvaartsmeting, materiaalstromen, de productiviteit van natuurlijke hulpbronnen en klimaatverandering.
Auteur:CBSRapportnummer:c-174 / ISBN: 978-90-357-2099-2Jaar van uitgave:2010
Samenvatting:In dit rapport worden meneralenbalansen en stroomschema's gepresenteerd voor fosfor, stikstof en kalium in de Nederlandse landbouw voor de jaren 1970, 1975, 1980, 1983, 1986, 1987, 1988, 1989 en 1990. Voor 1970 en 1975 is de set gegevens echter niet helemaal compleet en voor 1990 is voor een deel gebruik gemaakt van schattingen. Voor de overzichtelijkheid is het grootste deel van de balansgegevens samengevat in stroomschema's. In deze schema's zijn de aanvoer- en afvoerstromen van mineralen in de landbouw gekwantificeerd. Voor elk van de jaren van onderzoek zijn de mineralenoverschotten berekend. Tevens wordt de ontwikkeling van deze overschotten gedurende de afgelopen twintig jaren geschetst en geanalyseerd.
In het eerste gedeelte van de publicatie wordt een verantwoording gegeven van de berekening van elke post op de balans voor elk der drie mineralen. De berekeningsmethoden voor fosfor, stikstof en kalium verlopen goeddeels langs dezelfde lijnen. Zonodig zijn voor een bepaald mineraal specifieke problemen apart behandeld.
Door de toepassing van balansberekeningen is de nauwkeurigheid van diverse posten geanalyseerd. Van de deelbalans veehouderij en de deelbalans voedingsmiddelenindustrie worden alle posten min of meer onafhankelijk berekend. De balansen moeten in theorie sluitend zijn. In de praktijk is het resulterende balansverschil een maat voor de nauwkeurigheid van de posten op de balans. Uit de analyses blijkt dat de balans van de veehouderij vrijwel sluitend is. De relatieve balansverschillen, berekend op basis van de hoeveelheid aangevoerde mineralen, variëren van 1% tot 5%. Tussen de mineralen onderling worden geen significante verschillen geconstateerd.
De relatieve verschillen op de balans van de voedingsmiddelenindustrie zijn aanzienlijk groter. De verschillen tussen inkomende en uitgaande stroom als percentage van de inkomende stroom bedraagt voor fofor -5% tot 3%, voor stikstof -3% tot 5% en voor kalium -5% tot 10%. Deze relatieve verschillen zijn van een orde van grootte die voor dit soort berekeningen verwacht kan worden. Echter, voor 1989 zijn de balansverschillen voor alle mineralen veel groter dan voor de overige jaren. Voorraadmutaties of statistische fouen liggen waarschijnlijk ten grondslag aan deze verschillen. De conclusie is wel dat de gegevens voor 1989 met enige voorzichtigheid moeten worden gebruikt.
De volgens de balansmethode berekende mineralenoverschotten in de landbouw laten tussen 1970 en 1989 een stijging zien, die het grootst is voor stikstof en kalium (ca. 50%) en veel geringer voor fosfor (ca. 15%). De toename van de overschotten weerspiegelt de aanzienlijke groei van de veestapel tot aan het midden van de jaren tachtig. Hierdoor is zowel het krachtvoergebruik als het ruwvoergebruik, gestimuleerd door een toename van het gebruik van stikstofkunstmest, sterk gestegen. Omdat de efficiëntie van de dierlijke productie in deze periode nagenoeg onveranderd is gebleven, is ook de hoeveelheid mineralen in de dierlijke mest navenant toegenomen (tussen 1970 en 1986 voor fosfor met 45% en voor stikstof met 65%).
Het feit dat de overdosering van fosfor in krachtvoer vanaf het midden van de jaren zeventig is verminderd, blijkt uit één van de belangrijkste oorzaken van de minder ongunstige ontwikkeling van het fosforoverschot. In het midden van de jaren zeventig is namelijk reeds begonnen met de matiging van de toevoeging van voederfosfaat aan mengvoeders. Hryt stikstof- en kaliumgehalte van krachtvoer is echter tot 1986 nog enigszins toegenomen.
Verder is tussen 1970 en 1982 ook het gebruik van fofaatmeststoffen afgenomen. Het gebruik van stikstofkunstmest daarentegen is tot 1987 juist aanzienlijk gestegen, waardoor behalve de productie ook het stikstofgehalte van graslandproducten is toegenomen. In mindere mate geldt hetzelfde voor kalium.
De overschotten in de landbouw bedroegen in 1990 75-80 mln kg P, 660-680 mln kg N en 175-180 mln kg K. De overschotten zijn gedaald ten opzichte van een aantal voorafgaande jaren. Het jaar met de grootste overschotten is vooralsnog 1986, met een overschot van ca. 95 mln kg P, ca. 810 mln kg N en ca 195 mln. kg K. De relatieve daling ten opzichten van 1986 was het grootst voor stikstof en fosfor (ca. 18%) en bedroeg voor kalium ca 12%. Het fosforoverschot was in 1990 gedaald tot onder het niveau van het overschot in 1970. Daarentegen lag zowel het stikstof- als het kaliumoverschot in 1990 nog 35-30% boven dat van 1970. Omdat, net als bij de dierlijke productie, de efficiëntie van de plantaardige productie voor stikstof en kalium niet en voor fosfor slechts weinig is verbeterd, was de aanvoer van stikstof en fosfor nog altijd ca. 2,5 maal groter en van kalium ca 1.4 maal groter dan de afvoer: deze overmaat verschilt nog nauwelijks van die in 1970.
De daling van de mineralenoverschotten na 1986 kan voor een belangrijk deel worden verklaard met de volgende factoren: afname van de rundveestapel ten gevolge van de 'Beschikking superheffing', een afname van het aantal dieren in de intensieve veehouderij ten opzichte van 1986, verdergaande daling van fosforgehalten van krachtvoer, een aanzienlijke daling van het gebruik van stikstofmeststoffen (in 1989/90 18% ten opzichte van 1986) en een lichte daling van het gebruik van fosfor en kalium in kunstmest.
Auteur:CBS
Jaar van uitgave:1992
Samenvatting:De Nederlandse landbouw heeft al jaren te maken met grote mineralenoverschotten. Deze vinden hun oorsprong in het grootschalige gebruik van kunstmest en (grotendeels geïmporteerde) veevoedergrondstoffen. Hiermee worden veel meer mineralen op landbouwgrond aangevoerd dan er met landbouwproducten worden afgevoerd. Met name de stikstof- en fosforoverschotten uit de landbouw dragen in belangrijke mate bij aan de vermesting en verzuring van het milieu.
In 2009 bedroegen de mineralenoverschotten in de landbouw 375 mln kg stikstof, 14 mln kg fosfor en 40 mln kg kalium. Dit is een sterke daling ten opzichte van het topjaar 1986: van stikstof met 54 procent, van fosfor met 86 procent en van kalium met 80 procent. Het CBS heeft voor diverse jaren de stikstof-, fosfor- en kaliumoverschotten in de landbouw vastgesteld en gepubliceerd. De methodiek is beschreven in de publicatie 'Mineralen in de landbouw, 1970-1990' (CBS, 1992).
Auteur:Norma Fong (CBS)
Om het energiebesparingsgedrag van bedrijven in kaart te brengen en te kwantificeren heeft het RIVM in samenwerking met de Universiteit van Utrecht en de Vrije Universiteit Amsterdam het Model Effectiviteit Instrumenten - Energie (MEI-Energie) ontwikkeld. Het model beoogt een raamwerk te bieden voor consistente en methodische analyses van historische en toekomstige energiebesparing, met speciale aandacht voor de doorwerking en effectiviteit van het overheidsbeleid. MEI-Energie simuleert het besluitvormingsproces binnen industriële sectoren om al dan niet te investeren in energiebesparende technieken. Het rapport beschrijft de structuur en de algoritmes van het model, en gaat tevens in op de resultaten van een eerste validatie. Daartoe is voor een drietal industriële sectoren de ontwikkeling van de besparing op het finale energiegebruik in de periode 1990 tot 1999 gesimuleerd; de resultaten zijn vervolgens vergeleken met cijfers die gebaseerd zijn op waarneming.
Auteurs:Elzenga, H.E., L.G. Wesselink, J.P.M. Ros, R.F.J.M. Engelen, H. Booij, K. Blok en H.L.F. de Groot
Rapportnummer:RIVM rapport 550000001
Samenvatting:Het Landelijk Grondwatermodel (LGM) en een een-dimensionaal model van de hydrologie van de onverzadigde zone (SWAP) zijn gekoppeld. Met dit gecombineerde model kunnen de waterstromen in het bodem- en grondwatersysteem, alsmede de stromingen vanuit het grondwater naar het oppervlaktewater, berekend worden. Het model kan zodoende de hydrologische invoer leveren voor studies naar de belasting van grond- en oppervlaktewater met nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. Een andere mogelijke toepassing van het model is de voorspelling van de variatie van de grondwaterstand in de tijd. Om de seizoensdynamiek correct te kunnen berekenen, worden zowel LGM als SWAP dynamisch toegepast.
Het model kan op verschillende schalen worden toegepast. De prestaties van het model zijn getoetst in een studie in het Beerze Reusel gebied. In het algemeen bleek dat de overeenkomst tussen de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met SWAP, goed overeenkwam met de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met LGM. Het bleek echter ook dat de seizoensdynamiek onderschat werd door LGM. Nadere studie leerde dat dit veroorzaakt werd doordat de zogenaamde freatische bergingscoëfficiënt onjuist van SWAP naar LGM werd overgedragen. Nadat dit hersteld was, was er een nagenoeg perfecte overeenkomst tussen de grondwaterstand berekend door SWAP en de grondwaterstand berekend door LGM. Een aanvullende studie moet aantonen in hoeverre de berekende grondwaterpeilen overeenkomen met de gemeten grondwaterpeilen. Deze studie moet aangeven of het gecombineerde model de hydrologische basis kan leveren voor verdrogingstudies en waterkwaliteitsberekeningen, zoals door het Milieu- en Natuurplanbureau worden uitgevoerd.
Auteurs:Stoppelenburg, F.J., K. Kovar, M.J.H. Pastoors en A. Tiktak
Rapoprtnummer:RIVM rapport 500026001
Samenvatting:Vanaf de Tweede Wereldoorlog is het gemiddelde inkomen, de gezondheid en het opleidingsniveau in Nederland aanzienlijk toegenomen. Bovendien hebben Nederlanders een grote mate van vertrouwen in hun medeburgers en de instituties. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid is er aandacht nodig voor arbeid en vergrijzing, kennis en sociale samenhang. De grootste ‘zorgen voor morgen’ spelen echter op milieugebied. Vooral de problemen op het vlak van klimaatverandering en biodiversiteit zijn weerbarstig doordat de oplossingen een internationale aanpak vereisen.
Auteurs:Boelhouwer, J., A. Hanemaaijer, R. Hoekstra, J.P. Smits, H. Stolwijk, R. Euwals, A. Nieuwenhuis en D. van Vuuren
Samenvatting:Nederlanders zijn welvarend, voelen zich veilig en gezond en hebben veel sociale contacten. Zij hebben vertrouwen in andere mensen en in de maatschappelijke instituties, zoals de Tweede Kamer, de politie en de rechterlijke macht. Die welvaart en dat welzijn gaan wel ten koste gaat van de welvaart en het welzijn van onze kinderen en kleinkinderen, en van mensen in ontwikkelingslanden. Zo legt de huidige generatie een groot beslag op natuurlijke hulpbronnen, mineralen en landbouwgrond in Nederland én in het buitenland. Ook zijn er zorgen over het milieu en de natuur.
Dit blijkt uit de Monitor Duurzaam Nederland 2011, een publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Centraal Planbureau, het Planbureau voor de Leefomgeving en het Sociaal en Cultureel Planbureau.
Rapportnummer:ISBN 978-90-357-1690-2
Het CBS presenteert in de 'Monitor Mineralen en Mestwetgeving 2004' tijdreeksen over de uitvoering en resultaten van het mineralen- en ammoniakbeleid. De monitor is gemaakt in opdracht van het ministerie van LNV ten behoeve van de jaarlijkse informatie over de voortang van het mest- en ammoniakbeleid. Een groot deel van de cijfers over MINAS, mesttransporten, dierrechten en mestafzetovereenkomsten is beschikbaar gesteld door Bureau Heffingen van het ministerie van LNV.
Toelichting:Dit rapport beschrijft de effecten van 25 jaar bodemdaling op en rond Oost Ameland. Het bevat hoofdstukken over de gemeten bodemdaling, maar ook over de ontwikkelingen in de kustlijn van Ameland, de aanslibbing van het wad, de plantengroei van duinen en kwelders, de vogelaantallen en het broedsucces op de kwelders. Al deze onderwerpen worden beïnvloed door bodemdaling. In het rapport worden daarom ook dwarsverbanden gelegd tussen de verschillende onderwerpen.
De gegevens zijn verzameld en geanalyseerd door onderzoekers van Deltares, Alterra, Imares, het Natuurcentrum Ameland, Sovon, de NAM en leden van de Wadvogelwerkgroep Ameland. Het onderzoek is betaald door de NAM, maar de onderzoekers deden hun werk in opdracht van de Begeleidingscommissie Monitoring Bodemdaling Ameland. Deze commissie bestaat uit deskundigen van het ministerie van EL&I, Rijkswaterstaat, It Fryske Gea, de Provincie Fryslân en de Gemeente Ameland.
Volledige titel:Scientific assesment and policy analysis. Monitoring emissions and actions in the post-2010 climate regime
Nederlandse titel:Monitoring van emissies en acties in het post-2012 klimaatregime
Samenvatting:Klimaatverandering is een probleem van collectief handelen: alleen wanneer alle belangrijke landen bijdragen aan reductie van broeikasgasemissies kan gevaarlijke invloed van de mens op het klimaat worden voorkomen. Om een stabiele wereldwijde coalitie te houden is het nodig dat er voldoende vertrouwen tussen landen is dat iedereen bijdraagt aan de oplossingen, en dat er geen free-riders zijn. Om deze reden is internationale informatie over ieders bijdrage essentieel voor een succesvolle wereldwijde aanpak van het klimaatprobleem. In de huidige klimaatonderhandelingen wordt de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van zulke informatie 'MRV' genoemd: Meetbaar, Rapporteerbaar en Verifieerbaar. MRV kan het vertrouwen tussen geïndustrialiseerde en ontwikkelingslanden vergroten, en het principe van 'common but differentiated responsibilities' van landen beter tot uiting brengen.
Auteurs:Bakker, S.J.A., A. de Vita en J.G.J. Olivier
Rapportnummer:500102033
Op grond van de verleende vergunningen voor de gaswinning dient NAM regelmatig te rapporteren over de vastgestelde bodemdaling door gaswinning en ecologische waarnemingen in de Waddenzee. De hierover opgestelde rapporten vindt u op onderstaande website.
Samenvatting:Van 1978 tot en met 2010 zijn in elf vennen regelmatig waarnemingen van chemie van het oppervlaktewateren diatomeeën (kiezelwieren) verricht. De gegevens zijn verwerkt, samen met waarnemingen uitdezelfde vennen vanaf 1916. De vennen blijken zich gedeeltelijk te herstellen van de gevolgen van verzuring dankzij de reductie van atmosferische depositie van stikstof-, maar meer nog van zwavelverbindingen.Auteurs:van Dam, H. en A. Mertens
Rapportnummer:AWN 911
Proefschrift: Monitoring in beeld: een studie naar de doorwerking van monitors in interbestuurlijke relaties.
Auteur:D. de Kool Jaar van uitgave:2007
Samenvatting:Het gaat hier om twee documenten. In 'Monitoring mestmarkt 2009' is terug te vinden hoe groot de aan- en afvoer van mest was op de mestmarkt in 2009. Ook bevat het document gegevens over de bestemming en de herkomst van de meststromen. Uit het document blijkt dat de druk op de mestmarkt door diverse oorzaken is afgenomen in 2009.
Het tweede document, 'Synthese monitoring mestmarkt 2009', geeft inzicht in de schatting van de meststromen op de mestmarkt voor het jaar 2009 en regionale verschillen van die meststromen. Daarnaast is een prognose voor 2010 afgegeven. Verkregen inzichten vergroten de transparantie over de mestmarkt en zijn daarmee zinvol in het overleg tussen overheid en bedrijfsleven.
Gegevens 'Monitoring mestmarkt 2009':Auteurs:Luesink, H.H., P.W. Blokland en J.N. Bosma
Rapportnummer:LEI-rapport 2010-098Jaar van uitgave: 2010
Website: Monitoring mestmarkt 2009 (PDF)
-
Gegevens 'Synthese monitoring mestmarkt 2009':Auteurs:M.W. Hoogeveen en H.H. Luesink Rapportnummer: WOt-rapport 112
Website: Synthese monitoring mestmarkt 2009 (PDF)
PRISMA rapportSamenvatting: In het overleg tussen rijk en provincies is afgesproken dat de provincies in 2003 een rapportage zullen verzorgen over de voortgang m.b.t. het Uitvoeringscontract Gebiedsgerichte Inrichting Landelijk Gebied. Hierbij is tevens vastgelegd dat, primair op basis van landelijke gegevens en gericht op de nulsituatie, daarin ook een toestandsbeschrijving wordt opgenomen, met als peiljaar 2001. In dit bijlagerapport wordt hieraan uitvoering gegeven. Hierbij is uitgegaan van de effectindicatoren als vastgelegd door de IPO-projectgroep Monitoring Uitvoeringscontract.
Auteurs:de Niet, R. en W. van DuijvenboodenJaar van uitgave:2003
Voor het rapport zie onderstaande link. Voor de bijlage klik hier.
Fijnstofconcentraties zijn moeilijk vergelijkbaar tussen verschillende EU-lidstaten, omdat landen verschillende meetmethoden hanteren. In dit rapport is onderzocht of satellietmetingen (AATSR) kunnen worden gebruikt om fijnstofconcentraties op Europese schaal beter in kaart te brengen.
Koelemeijer R.B.A., M. Schaap, R.M.A. Timmermans, T. van Noije, J. Matthijsen, .P.J.H. Builtjes, R. Schoemaker en G. de Leeuw
555034002
Volledige titel:Monitoring van biologische en abiotische parameters in zoute wateren in Nederland: stand van zaken, de verplichtingen voortvloeiend uit Europese regelgeving en aanbevelingen voor de toekomst.Samenvatting:Het is alweer enkele jaren geleden dat Alterra Texel onderzoek deed naar lopende monitorprogramma's in zoute wateren in Nederland. Dit onderzoek is in 2007 en 2008 besproken met vertegenwoordigers van zowel LNV als Rijkswaterstaat. De definitieve rapportage heeft geruime tijd op zich laten wachten, onder andere omdat lange tijd onduidelijk was welke parameters in het kader van de rapportage over de Habitatrichtlijn voor de Europese Commissie nodig waren. Naast de Nederlandse gegevens worden in deze rapportage ook die van Denemarken, Zweden, Verenigd Koninkrijk en Duitsland gegeven .
Auteurs: Smit, C.J., O.G. Bos en H.W.G. Meesters
In de PKB Schiphol is vastgelegd dat een monitoringsysteem ontwikkeld dient te worden om eventuele veranderingen in milieukwaliteit en/of in de gezondheidstoestand van de bevolking bij uitbreiding van de luchthaven te signaleren. In dit rapport worden overwegingen bij en criteria voor het ontwerp van dit programma beschreven. De doelstelling van het monitoring-programma in het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES) is als volgt geformuleerd: het periodiek bepalen van de milieubelasting samenhangend met de activiteiten van de luchthaven Schiphol en van de milieu-gerelateerde gezondheids-toestand van omwonenden, om eventuele veranderingen in milieukwaliteit en de lange termijn gezondheidseffecten daarvan te kunnen vaststellen. Met de resultaten van het programma kunnen belanghebbenden van sturingsinformatie worden voorzien bij hun afwegingen over de ontwikkeling van de luchtvaart.
Voorgesteld wordt voor het monitoringsysteem een combinatie van gegevensbronnen te gebruiken. De kern van het monitoringsysteem is een specifieke periodieke gegevensverzameling met methoden zoals ook gebruikt in fase II van de GES. Hierbij kan het meest adequaat voor andere determinanten worden gecorrigeerd en is een koppeling van de milieubelasting aan individuele onderzoeksdeelnemers mogelijk. Om de nadelen van een beperkte dekking van het onderzoeksgebied en van de deelname van geselecteerde groepen uit de bevolking te ondervangen, wordt geadviseerd, daar waar mogelijk, gegevens uit bestaande nationale en lokale registraties te betrekken.
Auteurs: Lebret, E,. D.J.M. Houthuijs en C.M.A.G. van Wiechen Rapportnummer: 441520018 (RIVM rapport) Jaar van uitgave: 2001
Lebret, E,. D.J.M. Houthuijs en C.M.A.G. van Wiechen
441520018 (RIVM rapport)
2001
Samenvatting:In Drenthe heeft in 2009–2010 voor de vierde keer een kartering plaatsgevonden van de op bomen groeiende korstmossen. Eerdere onderzoeksrondes waren er in 1991, 1998 en 2004. Het onderzoek heeft als hoofddoel de effecten van de ammoniakproblematiek te volgen. Het is daarmee een effectindicator bij het milieubeleid. Nevendoel is het volgen van de effecten van klimaatsverandering. Ook de natuurwaarde van de korstmossen is onderzocht. Auteurs:C.M. van Herk
Rapportage ter ondersteuning van het werk van de Commissie Monitoring Gezondheidsrisico’s Milieufactoren. Hierin worden de criteria geformuleerd waaraan monitoringsprogramma’s moeten voldoen, en wordt een overzicht gegeven van bruikbare monitoringsystemen. Auteur: Tilly Fast Jaar van uitgave:2003
Rapportage ter ondersteuning van het werk van de Commissie Monitoring Gezondheidsrisico’s Milieufactoren. Hierin worden de criteria geformuleerd waaraan monitoringsprogramma’s moeten voldoen, en wordt een overzicht gegeven van bruikbare monitoringsystemen.
Auteur: Tilly Fast
Samenvatting:An increasing stream of monitoring activities has entered the public sector. In the Netherlands there are hundreds of monitors on a wide range, so it can be stated that monitoring is fashionable in the Netherlands. But monitoring seems to be functional, too. Without monitoring, organisations would not even survive.
The paper concludes with the observation that the current mode of monitoring is dominated by rationalistic assumptions. Important functions from a complexity perspective, as learning and communicating, seem to be underestimated. Monitoring is fashionable, but it seems to be less functional.
Auteurs:D. de Kool en M.W. van BuurenJaar van uitgave:2004
Volledige titel:Monitoringsrapportage NSL: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2011
Samenvatting:Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10, 2011) en stikstofdioxide (NO2, 2015) zal voldoen. Om de voortgang van het verbeterprogramma te volgen en tijdig bij te kunnen sturen is aan het NSL een monitoringprogramma verbonden. Centraal onderdeel daarvan is een rekeninstrument waarvoor de overheden de brongegevens aanleveren. De daaruit volgende rekenresultaten zijn door het Bureau Monitoring (samenwerkingsverband RIVM en kenniscentrum InfoMil) samengevoegd in voorliggende voortgangsrapportage.De berekeningen voor 2011 en 2015 laten zien dat de gemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijn stof waar de bevolking aan wordt blootgesteld, tussen 2010 en 2015 daalt. Voor een groot deel van Nederland liggen de berekende concentraties PM10 en NO2 onder de Europese grenswaarden. Op een beperkt aantal locaties zijn nog overschrijdingen berekend. De fijn stof-overschrijdingen komen hoofdzakelijk voor bij veehouderijen en in een aantal industriële gebieden. Ook voor stikstofdioxide worden voor 2015 nog overschrijdingen berekend, deze komen hoofdzakelijk voor op locaties met veel verkeer en worden mede veroorzaakt door tegenvallende emissiecijfers. Met behulp van de in 2011 beschikbaar gekomen Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) is geconstateerd dat in de Monitoringstool niet op alle voor blootstelling relevante locaties wordt getoetst. Hierdoor, en door de focus op overschrijdingslocaties, wordt het aantal overschrijdingen onderschat. Verder zijn dit jaar in een extra aanpassingsronde toetslocaties uit de berekeningen weggehaald zonder dat deze zijn vervangen door andere toetspunten. Dit leidt waarschijnlijk tot een verdere onderschatting van het aantal overschrijdingen in de huidige resultaten. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan om bovenstaande punten in een volgende monitoringronde te verhelpen. In de resultaten liggen de berekende concentraties voor 2011 en 2015 op veel locaties net onder de grenswaarde. Het aantal overschrijdingen zal dan ook snel toenemen indien zich een geringe tegenvaller in de vooronderstellingen voordoet. Daarnaast blijkt dat er nog aanzienlijke onzekerheden bestaan in de huidige resultaten. Een beter inzicht in de onzekerheden en een volledig beeld van alle potentiële overschrijdingen kan de bruikbaarheid van de monitoringsresultaten voor sturing van het NSL verbeteren.
Auteurs:Beijk, R., J. Wesseling, A. van Alphen, D. Mooibroek, L. Nguyen, H. Groot Wassink en C. Verbeek
Rapportnummer:RIVM rapport 680712003
Bodem+ monitoort de implementatie van het Besluit bodemkwaliteit bij bevoegde gezagen. Het Implementatieteam Besluit bodemkwaliteit stuurt de monitoring aan. De bijbehorende jaarverslagen zijn hier te downloaden. Zie de gerelateerde items voor meer informatie over de Monitoring Besluit bodemkwaliteit.
Monitoringsverslag 2009, Implementatie Besluit bodemkwaliteit (PDF)
Monitoringsverslag 2008, Implementatie Besluit bodemkwaliteit (PDF)
Net als andere provincies rapporteert de provincie Zuid-Holland elk jaar aan VROM over de luchtkwaliteit in de provincie. Het Besluit luchtkwaliteit uit 2005 en de nieuwe Wet Luchtkwaliteit geven aan welke kwaliteit de lucht moet hebben. De stoffen die in de lucht worden berekend of gemeten zijn: stikstofdioxide, koolmonoxide, fijn stof, benzeen, zwaveldioxide en lood.
Samenvatting:In de wereld van het beleid is het afrekenen niet zo vanzelfsprekend. Een belangrijke reden daarvoor is dat het bijzonder vaag kan zijn wat het product ‘beleid’ oplevert.
Alterra (WOT Natuur & Milieu) heeft het ministerie van EL&I ondersteund bij het opzetten van een beleidsmonitor voor de Agenda Vitaal Platteland. Auteur:L.A.E. VullingsJaar van uitgave:2008
PRISMA rapportSamenvatting:In opdracht van de Stuurgroep Monitoring Milieu-Natuur-Water is een inventarisatie uitgevoerd naar de Nederlandse monitoring- en rapportageverplichtingen en -inspanningen voor milieu, natuur en water vanuit internationale, Europese, nationale en interprovinciale regelgeving. Hierbij is bezien in hoeverre er meer of minder wordt gemonitord dan volgt uit de regelgeving. Tenslotte is bezien welke acties nodig zijn om te komen tot een meer efficiënte en effectieve wijze van gegevensverzameling. Deze inventarisatie geeft voor het eerst een globaal beeld van de omvang van de monitoringen rapportageverplichtingen. Veel suggesties en aanbevelingen zijn gedaan voor verbetering van de kwaliteit en efficiency van de monitoring, waar de komende tijd een vervolg aan gegeven moet worden. De Stuurgroep Monitoring Milieu-Natuur-Water gaat dit vervolg organiseren.Auteur:R. AlbersJaar van uitgave:2006Download (PDF):HoofdrapportAchtergronddocument milieuBijlagenrapport
Samenvatting:Bij ernstige gevallen van (water)bodemverontreiniging kan momenteel met de 'SaneringsUrgentie Systematiek' (SUS) de saneringsurgentie worden bepaald. Locatiespecifieke ecologische risico's zijn een onderdeel van de methodiek. Deze worden berekend op basis van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen, de gevoeligheid van het ecosysteem in relatie tot het bodemgebruik, en de omvang van het verontreinigde oppervlak. Afgelopen jaren is gewerkt aan de ontwikkeling en validatie van de zogenaamde TRIADE voor ecologische risicobeoordeling van bodemverontreiniging. Met de TRIADE worden de risico's geschat op basis van drie verschillende invalshoeken, namelijk 1. de aanwezigheid van verontreiniging (het chemische spoor), 2. de resultaten van bioassays met monsters van de locatie (het toxische spoor), en 3. ecologische veldwaarnemingen (het ecologische spoor). Integratie van de resultaten van deze drie onafhankelijke TRIADE-sporen levert een meervoudige bewijsvoering op voor de risicoschatting ('multiple weight of evidence'). Hierdoor worden de onzekerheden in de risicoschatting sterk gereduceerd. De TRIADE is niet alleen gebaseerd op chemische bodemkwaliteit, en ondervangt hiermee iin van de bezwaren van SUS. In dit rapport wordt de TRIADE uitgelegd, en is een voorlopige richtlijn uitgewerkt voor toepassing van een eenvoudige TRIADE voor veel voorkomende gevallen van bodemverontreiniging, die qua complexiteit en kosten vergelijkbaar is met SUS.
Auteurs:Rutgers, M., A.J. Schouten, E.M. Dirven-van Breemen, P.F. Otte en M. Mesman
Rapportnummer:RIVM rapport 711701038
De provincie Drenthe startte als één van de eerste provincies in Nederland met het verwerven van inzicht in de ontwikkeling van het organische stofgehalte in landbouwpercelen. De provincie heeft, gelet op de zeer centrale rol in de bodemprocessen, de bodembiodiversiteit en het klimaat, behoefte aan een goede monitoring van organische stof (OS).Dit rapport is het verslag van een verkenning naar de inhoudelijke en procesmatige aspecten die aandacht behoeven bij de ontwikkeling van een monitoringsysteem voor OS.
De studie werd uitgevoerd door het Nutriënten Management Instituut (NMI), in opdracht van de provincie Drenthe.
Samenvatting:Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) constateert in de Nationale Milieuverkenning 6 dat er nog veel milieuwinst te bereiken is met technologie en internationale samenwerking. Afnemende milieudruk bij voortgaande economische groei is alleen mogelijk bij een sterke overheid en bij veel internationaal milieubeleid. Bij meer marktwerking en hoge economische groei ontstaat echter herkoppeling tussen economische groei en milieudruk, en neemt de uitstoot van veel stoffen weer toe. In beide gevallen produceert Nederland in de toekomst meer, maar ook schoner.
Auteur:Milieu- en Natuurplanbureau (MNP)
Rapportnummer:RIVM rapport 500085001
Samenvatting:Voor welke planten en dieren is Drenthe landelijk gezien belangrijk? Waar in Drenthe zijn deze natuurwaarden te vinden? Met welke soorten gaat het goed en welke hebben het moeilijk? Op deze en andere vragen geven medewerkers van de provincie Drenthe en tal van gerenommeerde onderzoekers uitgebreid antwoord. De resultaten zijn samengevat in het boek 'Natuur in Drenthe'. Hierin is met vele verspreidingskaartjes, trendgrafieken, tabellen en foto’s de huidige verscheidenheid van de Drentse natuur in beeld gebracht.
Auteurs:Dijk, E., H. van den Brink en de Provinciale Staten van Drenthe
Rapportnummer:1949313Jaar van uitgave:2010
Rapport is verkrijgbaar via onderstaand e-mail adres.
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Samenvatting:In de Natuurbalans 98 maakt het Natuurplanbureau de balans op van actuele ontwikkelingen in natuur en landschap tegen de achtergrond van het gevoerde beleid.
Rapportnummer:RIVM Rapport 408663004
Samenvatting:In de Natuurbalans 99 maakt het Natuurplanbureau de balans op van actuele ontwikkelingen in natuur en landschap tegen de achtergrond van het gevoerde beleid.
Het Natuurbeleidsplan uit 1990 heeft veel in gang gezet. Voor de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een samenhangend netwerk van natuurgebieden, zijn er op 36.000 ha beheersovereenkomsten met agrariers afgesloten. Verder zijn er 44.000 ha grond gekocht en overgedragen aan terreinbeherende organisaties als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Deze realisatie gaat langzamer dan gepland. Op basis van het huidige tempo zal de EHS niet in 2018 gereed zijn, zoals het beleid beoogt, maar in 2030. De komende jaren zal meer inzet en geld nodig zijn om de verder stijgende grondprijs op te vangen en binnen de EHS gelegen landbouwbedrijven te bewegen tot herplaatsing of bedrijfsbeeindiging.
De natuurkwaliteit in Nederland gaat nog steeds achteruit. De trend blijft dat algemene soorten algemener worden en zeldzame soorten zeldzamer. De kwaliteit van natuur wordt beperkt door de geringe samenhang tussen natuurgebieden en de negatieve be6nvloeding door andere functies, waaronder infrastructuur en landbouw. Ook is er, bijvoorbeeld in het Deltagebied, weinig ruimte voor natuurlijke processen zoals het periodiek overstromen en droogvallen van gebieden. Hier en daar worden wel resultaten van het ingezette beleid zichtbaar. Voorbeelden zijn de succesvolle uitvoering van het Soortbeschermingsplan Lepelaar en het meer natuurlijk beheer van bossen. De afname van met name kwetsbare open landschappen van internationale waarde is zorgwekkend. Toekomstige verstedelijking bedreigt deze gebieden. Onlangs heeft de overheid de nota Belvedere opgesteld, waarin aandacht wordt besteed aan cultuurhistorisch waardevolle landschappen. In het huidige landschapsbeleid, waar cultuurhistorie een onderdeel van is, ontbreekt echter een gecombineerde inzet van planologische bescherming en gerichte investeringen voor het inpassen van nieuwe verstedelijking.
Rapportnummer:RIVM rapport 408663001
Samenvatting:In de Natuurbalans 2000 wordt de balans voor de natuur in Nederland opgemaakt: Hoe gaat het met de uitvoering van het beleid? (toestandsbeschrijving); Waar liggen problemen en wat zijn de oorzaken? (kritische analyse), en Waar liggen kansen en oplossingen? (kritische evaluatie en conclusies). De Natuurbalans laat duidelijk zien waar samenwerking met andere beleidsvelden (onder meer ruimte en milieu) noodzakelijk is en hoe dit moet worden vormgegeven.
Rapportnummer:RIVM rapport 408663005
Samenvatting:Het natuurbeleid dreigt te verzanden wanneer de rijksoverheid de regie op de uitvoering van het beleid niet strakker in handen neemt, zo constateert het Natuur- planbureau in de Natuurbalans 2001. Het gaat met name om de samenhang tussen natuur-, milieu-, water- en ruimtelijk beleid. Decentrale overheden spelen een steeds belangrijkere rol bij de uitvoering van het natuur- en landschapsbeleid. Dat maakt de behoefte aan regie door de rijksoverheid nog groter. Bovendien bepaalt de Europese Unie steeds sterker het natuurbeleid en rekent de Nederlandse overheid daarop af.
De Natuurbalans 2001 meldt dat het met de kwaliteit van de natuur in Nederland nog steeds slecht gaat. Zo staat ongeveer een kwart van de plantensoorten en tweederde van de dagvlindersoorten op de Rode Lijst. Bijzondere planten- en diersoorten zijn teruggedrongen tot kleine kernen van natuurgebieden. Vermesting, verzuring, verdroging en versnippering staan op veel plaatsen de terugkeer van deze soorten nog steeds in de weg. Het is dan ook niet toevallig dat lokale successen van het natuurbeleid juist zichtbaar zijn in grotere eenheden natuur die op enige afstand liggen van verzurende en vermestende landbouwbedrijven en waar voldoende water van goede kwaliteit aanwezig is. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in het duingebied en sommige beekdalen, zoals Drentsche Aa, Reest en Geuldal. Hier komen allerlei kieskeurige plantensoorten terug; in de duinen gaat het om soorten als borstelbies en waterpunge. In veel natuurgebieden kunnen bijzondere soorten alleen met intensief beheer in stand worden gehouden.
Het is dan ook te verdedigen dat de rijksoverheid inzet op de vorming van de Ecologische Hoofdstructuur. Een positieve ontwikkeling hierbij is dat het natuurbeleid van rijk en provincies niet langer gaat over het aantal hectares Ecologische Hoofdstructuur alleen, maar ook over de kwaliteit van de natuur. Rijk en provincies stellen de natuurdoelen die zij willen realiseren vast.
Overigens dreigen hier conflicten met het natuurbeleid van de Europese Unie, zoals dat in de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn is beschreven. De Europese Unie legt namelijk het accent op behoud van planten- en diersoorten binnen én buiten natuurgebieden, terwijl het Nederlandse beleid het accent legt op de ontwikkeling van nieuwe natuur. Deze verschillen hebben al geleid tot conflicten. Het conflict over de korenwolf in Limburg is een voorbeeld van het accentverschil rond bescherming van soorten buiten natuurgebieden. Conflicten over natuurontwikkeling in Friesland-buitendijks en compensatie van natuur in de Westerschelde zijn beide voorbeelden van het accent dat de Europese Unie legt op behoud van planten- diersoorten versus het Nederlandse accent op ontwikkeling van nieuwe natuur.
Rijk en provincies gebruiken de natuurdoelen om beheerders (zoals Natuurmonumenten en de provinciale Landschappen) af te rekenen op het bereikte natuurresultaat. Het zijn echter niet alleen de terreinbeheerders die invloed hebben op de realisatie van natuurkwaliteit. Ook de provincies hebben veel invloed door middel van het milieu-, water- en ruimtelijk beleid. Waterschappen horen zorg te dragen voor voldoende goed water voor natuurgebieden en gemeenten kunnen via hun bestemmingsplannen de planologische bescherming van natuurgebieden bepalen door beperkingen op te leggen aan onder meer bebouwing en wegenaanleg.
Terwijl rijk en provincies harde afspraken maken met beheerders is het onzeker of provincies, waterschappen en gemeenten bereid zijn om hun water-, milieu- en ruimtelijk beleid af te stemmen op de natuurdoelen die het rijk en de provincies momenteel op kaart zetten. Het rijk laat dit namelijk over aan het krachtenveld op provinciaal en gemeentelijk niveau, terwijl de Nederlandse overheid wel verantwoording aan de Europese Unie schuldig is over de realisatie in de Habitat- en Vogelrichtlijn vastgelegde natuurdoelen.
Buiten de natuurgebieden gaan soorten zoals de grutto en de steenuil hard achteruit en gaat de vervlakking van het landschap door. Ook voor het landschapsbeleid geldt dat het Rijk veel overlaat aan het provinciaal en gemeentelijk niveau. Zo'n 80 procent van de waardevolle landschappen komt in de zogenoemde balansgebieden van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening terecht. Daarvan dreigt voor ongeveer 20 procent een hoge verstedelijkingsdruk. Juist in de directe omgeving van de Randstad, waar de verstedelijkingsdruk het hoogst is, liggen open landschappen die internationaal gezien grote betekenis hebben. Voorbeelden daarvan zijn droogmakerijen en veenweidegebieden. Zolang het Rijk voor het landschap geen heldere prioriteiten stelt, zal de regionale identiteit verder afkalven.
Niet alleen op het land, ook voor het water geldt dat de rijksoverheid internationale verantwoordelijkheden heeft. Dat geldt in het bijzonder voor de kustzone. Hier concentreren zich veel zeldzame vissoorten en andere diersoorten. Juist in de kustzone heeft het kabinet plannen voor de ontwikkeling van een tweede Maasvlakte, een windmolenpark (en wellicht toch een luchthaven in zee). De kabinetsnota 'Natuur voor mensen, mensen voor natuur' kondigt aan dat in 2002 voor de Noordzee concrete ecologische kwaliteitsdoelen zijn geformuleerd. De afstemming van het economisch en veiligheidsbeleid op biodiversiteitsdoelen is een volgende noodzakelijke stap. Of die stap daadwerkelijk wordt gezet, is afhankelijk van de inzet van het ministerie van LNV en andere departementen.
Rapportnummer:RIVM rapport 408663006
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau van de Leefomgeving.Samenvatting:Om de Ecologische Hoofdstructuur te realiseren is verdere ordening van de groene ruimte noodzakelijk. Dat is de hoofdconclusie uit de Natuurbalans 2002. Natuur heeft grote sociale en economische betekenis. De inwoners van Nederland vinden dat natuurgebieden en gevarieerde landschappen een wezenlijke bijdrage leveren aan hun welzijn. Daarnaast hebben natuur en landschap een substantikle economische waarde, onder andere vanwege de inkomsten uit recreatie in natuurgebieden en de bereidheid van kopers om meer te betalen voor een huis in een groen gebied. Er zijn bovendien steeds meer gegevens die er op wijzen dat de gezondheid van mensen baat heeft bij een groene omgeving.
Op Europees niveau is een lijst van internationaal te beschermen planten- en diersoorten samengesteld. Nederland is hiervoor verplichtingen aangegaan die zijn vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn van de Europese Unie. Om het maatschappelijke draagvlak voor dit soortenbeleid te vergroten en het beleid hanteerbaar te maken moet meer zicht komen op het verband tussen het voorkomen van individuen en populaties van soorten en de ligging van hun leefgebieden. Voor het bereiken van de natuurdoelen is ordening van de groene ruimte nodig om het beoogde samenhangende netwerk van natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) te realiseren. Het aanbod van aan te kopen grond voor de realisatie van de EHS neemt de laatste drie jaar toe. De nieuwe regering heeft het voornemen het jaarlijkse budget voor de aankoop van grond te halveren en meer particuliere eigenaren in te zetten bij het ontwikkelen en beheren van natuur. Langjarige contracten met deze particulieren kunnen een bijdrage aan de natuurdoelen leveren, maar blijken nauwelijks goedkoper dan aankoop. Ook vergt een samenhangende EHS, indien minder grond voor natuurontwikkeling wordt opgekocht, een goede ruimtelijke bescherming.
Rapportnummer:RIVM rapport 408663007
Samenvatting:Belangrijkste conclusies uit de Natuurbalans 2003. Aanpassing van natuur aan klimaatverandering vraagt tijd en ruimte: 1/ Om soorten een kans te geven zich aan klimaatverandering aan te passen, zou het overheidsbeleid zich zowel moeten richten op het verlagen van het tempo van opwarming van de aarde als op het bieden van leefruimte. 2/Soorten waarvan de leefgebieden ongeschikt worden, moeten naar andere gebieden kunnen uitwijken anders sterven de populaties uit. Daarom is het van belang dat er een netwerk van samenhangende natuurgebieden beschikbaar is. Ecologische hoofdstructuur biedt op papier perspectief, maar praktijk blijkt weerbarstig. 1/ Met de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) zou een samenhangend netwerk van natuurgebieden moeten ontstaan. De realisatie ervan ligt echter achter op schema. 2/ Bovendien is de milieukwaliteit in en rond de EHS ongeschikt voor de gewenste natuur.
Rapportnummer:RIVM rapport 408663008
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.Samenvatting:Dier- en plantensoorten profiteren van de verbeterde milieukwaliteit en van de bescherming door Europese regelgeving. Toch nemen de Nederlandse natuur- en landschapskwaliteit nog altijd af. Het kabinet legt meer verantwoordelijkheden neer bij provincies en gemeenten. Vooral van de provincies wordt daarmee een krachtige regie gevraagd.
Rapportnummer:RIVM rapport 408663009
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.Samenvatting:Met de door het kabinet beoogde omslag van natuurbeheer door aankoop van gronden naar natuurbeheer in particulier en agrarisch eigendom, komt de ruimtelijke samenhang in beheer onder druk te staan. Bovendien zijn er indicaties dat met de huidige regelingen voor agrarisch natuurbeheer, zonder aanvullende inrichtingsmaatregelen, niet de natuurdoelen worden bereikt die terreinbeherende organisaties wel kunnen realiseren.
Niet alleen de biodiversiteit, maar ook het Nederlandse landschap staat onder druk. In een kwart van Nederland wordt de belevingswaarde van het landschap negatief beïnvloed door verstedelijking. In de praktijk blijkt het ruimtelijk beleid nauwelijks bescherming te bieden aan de kwaliteit van het landschap. Bovendien is er minder geld beschikbaar dan nodig is om de hooggespannen verwachtingen van de rijksoverheid waar te maken rond het beleid voor de Nationale Landschappen.
Rapportnummer: RIVM rapport 408763002
Samenvatting:Het Nederlandse platteland wordt steeds minder landelijk, minder open en er is meer visuele verstoring. Boerderijen hebben vaker alleen nog een woonbestemming en de landbouw wordt steeds industriëler van karakter. De natuur wordt eenvormiger. Karakteristieke planten- en diersoorten blijven in aantal achteruitgaan, hoewel het natuurareaal is toegenomen en milieucondities in de natuur zijn verbeterd. De EU-doelstelling om de biodiversiteitsafname in 2010 tot stilstand gebracht te hebben kan in Nederland waarschijnlijk niet gehaald worden.Rapportnummer:RIVM rapport 500402001
Samenvatting:Zowel nationaal als internationaal belangrijke landschappen en natuurgebieden in Nederland versnipperen. Het gevoerde beleid is vooralsnog niet in staat om deze versnippering te stoppen. Als gevolg van verspreide bebouwing boeten vooral de Nationale landschappen aan betekenis in. Rapportnummer:RIVM rapport 500402005
Samenvatting: Het huidige natuur- en milieubeleid heeft gunstige gevolgen voor de Nederlandse natuur. De oppervlakte aan natuurgebied neemt toe en de milieu- en ruimtecondities verbeteren. Dit is echter nog onvoldoende om de gestelde natuurdoelen tijdig te realiseren. Het natuurbeleid kan aan kracht winnen als het meer gericht wordt op realisatie van doelen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.Rapportnummer:
RIVM rapport 500402008
Samenvatting:De aankoop van nieuwe natuur voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) stagneert. Ook de bijdrage aan de EHS door agrariërs en particulieren blijft achter. Bovendien zijn de verbindingen die de EHS-gebieden tot een samenhangend netwerk van natuurgebieden moeten maken, nog niet overal duidelijk begrensd. Toch zijn er kansen om de EHS te realiseren als de overheid prioriteit geeft aan het vergroten en verbinden van natuurgebieden, als ruilgronden beter worden ingezet en als er heldere en werkbare afspraken komen tussen het rijk en de provincies.
Rapportnummer: RIVM rapport 500402017
Samenvatting:De natuur in Nederland gaat kwantitatief - wat betreft het totale areaal - weer vooruit, kwalitatief- wat betreft de soortenrijkdom - echter nog niet. Het Nederlandse landschap vervlakt; grootschalige openheid en streekeigen kenmerken verdwijnen.
De toekomstige kwaliteit van de Nederlandse natuur wordt sterk bepaald door de realiseerbaarheid van grote eenheden aaneengesloten natuur, de milieukwaliteit en de inzet van beheersmaatregelen. Van de beoogde Ecologische Hoofdstructuur (EHS) wordt verwacht dat de soortenrijkdom (biodiversiteit) zal toenemen. Bij de uitvoering blijkt het hoge ambitieniveau van een samenhangend netwerk, bestaande uit grote eenheden natuur, niet volledig te worden gerealiseerd. Door te blijven streven naar een meer geconcentreerde invulling in grotere eenheden kan men de uiteindelijk te bereiken natuurkwaliteit alsnog verhogen.
De regionale ontwikkeling van de landbouw (schaalvergroting en intensivering), de voorgaande verstedelijking en de vooralsnog hoge milieudruk blijven belangrijke risicofactoren. Vooral in Zuid- en Oost-Nederland blijft de milieukwaliteit onvoldoende om de natuurdoelen te realiseren. Om de natuurdoelstellingen te halen zal daarom de depositie van met name ammoniak verminderd moeten worden, de ruimtelijke ligging van natuur- en emissiegebieden beter op elkaar afgestemd moeten worden, of zal onvermijdelijk verlies van natuurkwaliteit gecompenseerd moeten worden door kwantitatieve (areaal) of kwalitatieve verbetering in gebieden elders.
Auteur:R.J.M. Maas (ed.) Rapportnummer:RIVM rapport 408129003 Niet digitaal verkrijgbaar; te bestellen bij elke erkende boekhandel. Uitgever: Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn
Samenvatting:Speerpunt in het natuurbeleid is de realisatie van een ruimtelijk samenhangende Ecologische Hoofdstructuur: een gebied waar rust, ruimte en natuur van enige omvang te vinden zijn. De Ecologische Hoofdstructuur zoals die nu op kaart staat, is na tien jaar beleidsuitwerking ruimtelijk te versnipperd om op nationaal niveau te kunnen spreken van een hoofdstructuur. De maatschappelijk-economische dynamiek is dermate groot dat overal in Nederland, maar met name in de Randstad, natuur en landschap onde druk staan en de ruimtelijke hoofdstructuur vervaagt. Om de beoogde rust, ruimte en biodiversiteit en de bijbehorende milieucondities alsnog te realiseren is een krachtiger ontsnippering nodig en een duidelijke planologische en milieu-bufferzone rond de Ecologische Hoofdstructuur. Om het beleid te vereenvoudigen, zou gebruik gemaakt kunnen worden van het bestaande beleidsconcept in de vorm van de bruto EHS.
Rapportnummer:RIVM rapport 408764006 Jaar van uitgave:2002
Samenvatting:Een Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2002 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UN-FCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Er worden trendanalyses gegeven voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-2000; een analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies volgens de zgn. 'Tier 1' methodiek van het IPCC-rapport over Good Practice Guidance; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissie Registratie. De totale netto CO2-eq.-emissies waren in 2000 3% hoger dan in 1990 (1995 voor de F-gassen). Dit wordt een half procent minder na temperatuurcorrectie. Zonder beleidsmaatregelen zouden de emissies in 2000 ca. 10% hoger zijn geweest. In deze periode zijn de emissies van CO2 en N2O met resp. 9% en 3% gestegen, terwijl de CH4-emissies met 24% daalden. Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, daalden de HFK- en PFK-emissies met resp. 34% and 18% in 2000 ten opzichte van 1995, terwijl de emissies van SF6 met 9% daalden.
Auteurs:Olivier, J.G.J., L.J. Brandes, J.A.H.W. Peters en P.W.H.G. Coenen
Rapportnummer:RIVM rapport 773201006 Jaar van uitgave:2002
Rapportnummer:RIVM rapport 773201006
Jaar van uitgave:2002
Samenvatting:Dit rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2003 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UN-FCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Dit rapport bevat trendanalyses voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-2001; een analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissieregistratie. De totale netto CO2-eq.-emissies waren in 2001 4% hoger dan in 1990 (1995 voor de F-gassen). Dit wordt 2%-punt minder na temperatuurcorrectie. In die periode is de emissie van CO2 met 13% toegenomen, terwijl de CH4- en N2O-emissies met resp. 25% en 3% afnamen. Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met resp. 75% en 20% af, terwijl de SF6 met 7% toenamen in 2001 ten opzichte van 1995.
Auteurs:Olivier, J.G.J., L.J. Brandes, J.A.H.W. Peters, P.W.H.G. Coenen en H.H.J. Vreuls
Rapportnummer:RIVM rapport 773201007
Samenvatting:Dit rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2004 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Dit rapport bevat trendanalyses voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-2002; een analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissieregistratie. Afgelopen jaar is de emissietrend door herberekeningen met 2% naar beneden bijgesteld. Volgens de huidige inventarisatie is totale uitstoot van broeikasgassen in 2002 gelijk aan die in het basisjaar 1990 (1995 voor de F-gassen). Na temperatuurcorrectie voor 2002 zijn de emissies 3% hoger. In die periode zijn de emissies van CO2 met 10% toegenomen, terwijl de CH4- en N2O-emissies met resp. 32% en 7% afnamen. Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met resp. 65% en 35% af, terwijl de SF6 met circa 15% toenamen in 2002 ten opzichte van 1995. Volgend jaar zal opnieuw een bijstelling volgen van mogelijk enkele procenten omdat in het kader van de afronding van het verbeterprogramma voor veel bronnen en stoffen de emissies herberekend zullen worden zodat voldaan wordt aan de eisen van de UNFCCC en het Kyoto Protocol.
Auteurs:Klein Goldewijk, K., J.G.J. Olivier, J.A.H.W. Peters, P.W.H.G. Coenen en H.H.J. Vreuls Rapportnummer:RIVM Rapport 773201008 Jaar van uitgave:2004
Auteurs:Klein Goldewijk, K., J.G.J. Olivier, J.A.H.W. Peters, P.W.H.G. Coenen en H.H.J. Vreuls
Rapportnummer:RIVM Rapport 773201008
Samenvatting:Dit jaarlijkse rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de rapportageverplichtingen van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. In 2003 waren de totale broeikasgasemissies (exclusief landgebruik) circa 1% hoger dan in het basisjaar (1990, maar 1995 voor de gefluorideerde gassen) en zonder temperatuurcorrectie. In periode 1990-2003 zijn de emissies van CO2 exclusief landgebruik met 12% toegenomen, terwijl de CH4 en N2O-emissies met respectievelijk 32% en 19% afnamen. Van de zogenaamde F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met circa 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met respectievelijk 75% en 25% af in 2003 ten opzichte van 1995, terwijl de emissies van SF6 met 11% toenamen. De grootste wijzigingen in totale broeikasgasemissies in 2003 ten opzichte van 2002 worden veroorzaakt door toename van 3,1 Mton (1,7%) van de CO2-emissies, vooral van de streefwaardesectoren gebouwde omgeving (5%), industrie/energiesector (0,9%) en transportsector (2,0%), terwijl de emissies in de landbouw daalden (-2,2%). De methaanuitstoot is met 0,7 Mton CO2-eq. (4,2%) afgenomen (met name bij afval en landbouw). Ook de N2O-uitstoot is in 2003 met 0,7 Mton-CO2-eq. afgenomen (3,6%) (met name in landbouw en industriële procesemissies). Dit rapport bevat onder andere trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2003 en documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Ook worden de nationale broeikasgasemissies per streefwaardesector samengevat, zoals gebruikt in het Nederlandse nationale klimaatbeleid. Veel aandacht wordt dit jaar besteed aan de documentatie van de vele uitgevoerde herberekeningen.
Auteurs:Klein Goldewijk, K., J.G.J. Olivier, J.A.H.W. Peters, P.W.H.G. Coenen en H.H.J. Vreuls Rapportnummer:RIVM Rapport 773201009
Rapportnummer:RIVM Rapport 773201009
PRISMA rapportSamenvatting:Onderzoek naar de mogelijkheid om de correctiemethode van het RIVM aan te passen voor de provinciale meetnetten (RIVM en Iwaco).
Nitraatconcentraties in bodemvocht en grondwater afkomstig uit 8 provinciale meetnetten zijn verzameld. Gemiddeld zijn er per provincie van vier jaar meetgegevens beschikbaar. Onderzocht is of de neerslagcorrectiemethode, die door het RIVM wordt gebruikt, aangepast kan worden voor de provinciale gegevens. De methode is bruikbaar als hiermee jaarlijkse variaties in gemeten nitraatconcentraties voornamelijk toegeschreven kunnen worden aan natuurlijke omstandigheden.
Auteurs:Hendriks, B. en L.J.M Boumans
Samenvatting:De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater van landbouwbedrijven in de zandregio is tussen 1992 en 2009 met meer dan 50% afgenomen. Dit is het gevolg van maatregelen uit het mestbeleid.
De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater van landbouwbedrijven in de zandregio is tussen 1992 en 2009 met meer dan 50% afgenomen, van 150 tot 65 milligram per liter. Het stikstofoverschot is in deze periode met 50% afgenomen. Dit is het gevolg van maatregelen uit het mestbeleid, zoals de afname van het gebruik van dierlijke en kunstmest op de weilanden. De nitraatconcentratie is procentueel meer afgenomen dan het stikstofoverschot, waarschijnlijk doordat er minder koeien in de wei staan. Door beweiding met koeien komt er via hun mest meer nitraat in het grondwater dan wanneer deze mest in de stal wordt verzameld en daarna gelijkmatiger over de weide wordt verspreid.
Dit blijkt uit een analyse van de resultaten van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het LMM is een meetnet van het RIVM en het LEI, onderdeel van Wageningen University and Research Centre, dat in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt uitgevoerd. Met het mestbeleid wordt gestreefd naar een nitraatconcentratie van minder dan 50 milligram per liter in het grondwater.
Een bijkomend resultaat van dit onderzoek is dat de methode is verbeterd om beleidseffecten op de nitraatconcentratie in beeld te brengen voor de Nederlandse en Europese overheid. Dit komt vooral doordat nieuwe inzichten in de methode zijn verwerkt. Behalve het mestbeleid hebben veranderingen in het weer (jaarlijks neerslagoverschot) invloed op de gemiddelde nitraatconcentratie van de zandregio, evenals veranderingen in de jaarlijkse samenstelling van de groep landbouwbedrijven waar is bemonsterd. Hetzelfde geldt voor de jaarlijkse veranderingen van het areaal landbouwgrond per type landbouwbedrijf. Een statistische techniek, Residual Maximum Likelihood, houdt rekening met deze invloeden.
Auteurs:Boumans, L.J.M. en B. Fraters
Rapportnummer:680717020
Nulmeting CO2 ter bepaling van een concrete doelstelling van het Rotterdam Climate Initiative (RCI). DCMR participeert in RCI.
Contactpersoon:Koldo VerheijTelefoon: 010 - 246 85 66
Volledige titel:Nulmeting van het NSL-monitoringsprogramma: analyse van de uitgangssituatie van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit Samenvatting:Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide zal voldoen. Bij het NSL is ook een monitoringsprogramma opgezet om het bereiken van dit doel te waarborgen. Belangrijk onderdeel hiervan is een informatie- en rekensysteem (Monitoringtool) dat met een jaarlijks actualisatieproces het halen van de grenswaarden inzichtelijk moet maken. Voorafgaand aan de start van de monitoring heeft het RIVM een analyse (nulmeting) van dit systeem uitgevoerd.Vooral vanwege de consistente aanpak heeft de Monitoringtool veel potentie. Desondanks liggen er nog belangrijke verbeterpunten om het daadwerkelijk een robuust systeem te maken. Ondanks de consistente aanpak hebben de berekeningen voor toekomstige jaren een relatief grote onzekerheid, vooral doordat de kwaliteit van de invoergegevens niet bekend is. De kwaliteit van deze locatiespecifieke invoergegevens is primair de verantwoordelijkheid van lokale overheden die deze aanleveren. Thans zijn niet alle relevante onderbouwingen van deze gegevens in het monitoringstraject beschikbaar. Hierdoor is het moeilijk om de kwaliteit van deze gegevens en de daarop gebaseerde rekenresultaten te beoordelen. Met de nu voorliggende combinatie van de Monitoringstool en de bijbehorende invoergegevens kan het RIVM de kwaliteit van de monitoringsresultaten niet objectief vaststellen. Als gevolg hiervan kunnen in de monitoring van het NSL geen conclusies aan deze resultaten worden verbonden. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de invoergegevens te vergroten en daarmee de onzekerheid van het eindresultaat te verkleinen. Bij het opstellen van de eerste Monitoringrapportage wordt in meer detail naar de kwaliteit van de resultaten van de Monitoring worden gekeken.De Monitoringtool vormt een belangrijke invulling van het Aarhus protocol waarin toegang van burgers tot milieugegevens wordt geregeld. Het rekeninstrument dat de kern vormt van het monitoringsprogramma is onder grote tijdsdruk tot stand gekomen en is deels nog in ontwikkeling. Het RIVM kan daardoor op dit moment alleen concluderen dat de gebruikte rekenmethoden voldoen aan de technisch-inhoudelijk en wettelijke regels om de luchtkwaliteit te berekenen. Het goed werken van het gehele rekeninstrument (inclusief volledige database en website) kon slechts beperkt worden getest. Een algemene uitspraak hierover, en dus ook over de kwaliteit van de monitoringsresultaten, is in deze nulmeting dan ook niet mogelijk.
Auteurs:Wesseling, J. en R. Beijk
Samenvatting:In deze balans wordt teruggekeken op de laatste drie jaar waarin het Streekplan Zeeland, het Milieubeleidsplan 'Groen Licht' en het Waterhuishoudingsplan 'Samen Slim met Water' van kracht waren. In juni 2006 heeft Provinciale Staten het Omgevingsplan Zeeland 2006–2012 vastgesteld, waarin de ambities van de Provincie Zeeland voor ruimtelijke ontwikkeling, milieu en water voor deze periode zijn vastgelegd. De Omgevingbalans 2006 geeft de stand van zaken bij het begin van deze planperiode, de nulmeting. Daarmee is de balans de referentie voor de resultaten van het uitgezette beleid. Die resultaten zullen in ieder geval in 2009 aan de orde komen bij het opstellen van de balans in 2009, halverwege de planperiode. Jaar van uitgave:2009
Samenvatting:In deze balans wordt teruggekeken op de laatste drie jaar waarin het Streekplan Zeeland, het Milieubeleidsplan 'Groen Licht' en het Waterhuishoudingsplan 'Samen Slim met Water' van kracht waren.
In juni 2006 heeft Provinciale Staten het Omgevingsplan Zeeland 2006–2012 vastgesteld, waarin de ambities van de Provincie Zeeland voor ruimtelijke ontwikkeling, milieu en water voor deze periode zijn vastgelegd. De Omgevingbalans 2006 geeft de stand van zaken bij het begin van deze planperiode, de nulmeting. Daarmee is de balans de referentie voor de resultaten van het uitgezette beleid. Die resultaten zullen in ieder geval in 2009 aan de orde komen bij het opstellen van de balans in 2009, halverwege de planperiode.
PRISMA rapportSamenvatting:Deze rapportage geeft een beschrijving van het onderzoek naar de handhavingkosten van emissieplafonds (geluidsplafonds) langs provinciale wegen in Nederland. Het instellen van geluidsplafonds is een direct gevolg van de voorgenomen wijziging van de Wet geluidhinder (Modernisering Instrumentarium Geluidsbeleid, MIG). Inmiddels is deze wijziging van de wet anderszins actueel vanwege politieke ontwikkelingen in 2002 en 2003. Het onderhavige onderzoek is in 2001 gestart en kan zeker een handvat bieden voor de provincies om de voor hun rekening komende kosten bij toekomstige wetsaanpassingen gefundeerd in te schatten. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Inter Provinciaal Overleg (IPO), werkgroep Geluid. Het ministerie van VROM heeft dit onderzoek gefinancierd.Auteurs:Witte, J. en E.A. VermaasRapportnummer:L.2000.1379AJaar van uitgave:2006
Samenvatting:Vertegenwoordigers uit twaalf landen van de Europese Unie hebben gediscussieerd over hoe men het best de effecten van mestbeleid kan monitoren. Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen in hoe men de effecten op de waterkwaliteit meet.
Lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de waterkwaliteit en de effecten van hun mestbeleid daarop te monitoren en hierover te rapporteren aan de Europese Commissie. Uit een internationale workshop blijkt dat landen hun monitoringsverplichting verschillend invullen doordat voorschriften ontbreken. Een andere bevinding is dat de meeste landen de afgelopen zes jaar hebben geïnvesteerd in een uitbreiding van de monitoring van de waterkwaliteit. Deze uitbreiding kwam voort uit een discussie tussen de lidstaten en de Commissie over de wijze waarop het mestbeleid moet worden vormgegeven. Lidstaten proberen hun standpunten hierover te onderbouwen met aanvullende monitoring. Een andere reden voor een uitgebreidere monitoring is dat lidstaten die pas recentelijk bij de Unie zijn aangesloten, hun monitoringssysteem moeten aanpassen aan de richtlijnen.
Het RIVM heeft de workshop in 2009 met het Deense Milieuonderzoeksinstituut (DMU), de Geologische Dienst voor Denemarken en Groenland (GEUS) en het LEI, onderdeel van de Wageningen UR, georganiseerd. Aan deze tweede MonNO3-workshop namen twaalf landen uit Noordwest- en Midden-Europa deel. De workshop richtte zich vooral op de ontwikkelingen sinds 2003, het jaar dat de eerste workshop heeft plaatsgevonden.
De tweede workshop heeft, net als de eerste, eraan bijgedragen dat landen kennis en informatie over het monitoren van effecten van het mestbeleid uitwisselen. De workshop stimuleerde bijvoorbeeld de discussie over voor- en nadelen van gebruikte benaderingen van de waterkwaliteitsmonitoring. Daarnaast was er aandacht voor het gebruik van de monitoringsgegevens voor andere doeleinden dan de waterkwaliteitsmonitoring, bijvoorbeeld om maatregelen voor het mestbeleid te onderbouwen. Ten slotte stonden de deelnemers stil bij verbeteringen en uitbreidingen van meetnetten.
Auteurs:Fraters, D., K. Kovar, R. Grant, L. Thorling en J.W. Reijs
Rapportnummer:680717019
Samenvatting:Bij besluitvorming over maatregelen op het gebied van emissie-reductie zijn niet alleen gegevens over emissies nodig maar ook over de onzekerheid daarvan. Dit rapport beschrijft een studie naar het gebruik van gestructureerde expertbevraging bij onzekerheidsanalyse van de NOx-emissies uit personenauto's. Experts van verschillende Nederlandse onderzoeksinstituten zijn bevraagd over prestatiegegevens (emissie-factoren) en volumegegevens (kilometrages). De totale populatie onzekerheid is berekend door het opschalen van de onzekerheid van individuele auto's door Monte Carlo simulaties. In de berekening is expliciet onderscheid gemaakt tussen variabelen die inherent variabel zijn (aleatorische onzekerheid) en variabelen die onzeker zijn vanwege een gebrek aan kennis (epistemische onzekerheid). Het kleinste 95% betrouwbaarheidsinterval werd verkregen voor de TNO-CBS expert (-12% tot +15%), en het grootste interval voor de RIVM expert (-35% tot +51%). De combinatie van experts (decision-makers [DM] genoemd in deze methode) kreeg intervallen van -30% tot +41% (DM voor propagatie) en van -46% tot +81% (DM na aggregatie). Het gebruik van expert bevraging bleek arbeidsintensief en er is veel discussie over het wel of niet combineren van expert antwoorden. Het gebruik van deze methode moet daarom goed onderbouwd worden, en moet zich richten op de meest gevoelige en controversiële parameters.
Auteurs:Van Oorschot, M.M.P., B.C.P. Kraan, R.M.M. van den Brink, P.H.M. Janssen en R.M. Cooke
Rapportnummer:RIVM rapport 550002004
PRISMA rapportSamenvatting:De druk om de luchtkwaliteit te verbeteren, klimaatverandering tegen te gaan en afhankelijkheid van olie te beperken wordt snel groter. Door verschillende partijen bij overheid, auto-industrie en energieleveranciers, maar ook door verschillende landen wordt daarom ingezet op alternatieve transportbrandstoffen. Aardgas, biogas en (vloeibare) biobrandstoffen spelen daarbij op dit moment de hoofdrol.Provinciale en gemeentelijke spelers kunnen vaak door gebrek aan informatie niet beargumenteerd kiezen tussen de verschillende mogelijkheden. Daarbij komt dat het veld van alternatieve transportbrandstoffen dusdanig snel in beweging is, dat een volledig uitgekristalliseerd toekomstbeeld nog niet te geven is. Gevolg is dat een versnippering aan oplossingen optreedt waardoor onvoldoende schaalgrootte wordt bereikt om het kip-ei probleem, “geen aanbod dus geen vraag en geen vraag dus geen aanbod”, te doorbreken. Vandaar de vraag van Interprovinciaal Overleg (IPO) of het niet mogelijk is om een set “no regret-maatregelen” te identificeren, die voor ieder of een zo groot mogelijk aantal van de opties zinvol zijn. Zodat de kansen maximaal worden benut en er later geen ontwikkelingen worden vertraagd of investeringen verloren gaan.Dit boekje wil daarom de meest actuele achtergronden, toekomstvisies, overwegingen en ervaringen geven, zodat medewerkers bij provincies en gemeenten beter keuzes kunnen maken. De inhoud van dit boekje is tot stand gekomen op basis van bestaande literatuur en een uitgebreide serie gesprekken met mensen in het veld. Zowel aan de kant van de leveranciers (brandstoffen, auto-industrie en toeleveranciers) als bij provincies en gemeenten. Door de beperkte omvang is het onmogelijk alle informatie weer te geven. Dit boekje tracht “de rode draad” te schetsen.Auteurs:Hemmes, K., L. van der Ham-Hulten, P. Tanja en H. Wijnants (DHV)Jaar van uitgave:2007
PRISMA rapportSamenvatting:De werkwijze voor het bepalen van dosis effect relaties voor geur moet worden aangepast, doorontwikkeld en vooral vergaand gestandaardiseerd, om het in lokale situaties bepalen van het acceptabele hinderniveau optimaal te faciliteren.Dat is de voornaamste conclusie van het onderzoek dat in opdracht van het Interprovinciaal Overleg (IPO) door OpdenKamp adviesgroep, Fastadvies en de Universiteit Utrecht is uitgevoerd. Deze conclusie wordt gedeeld door de begeleidingscommissie die uit vertegenwoordigers van de meest betrokken overheden, het bedrijfsleven, adviesbureau’s en kennisinstituten bestond. Met deze conclusie wordt niet aan de oorspronkelijke verwachting van het IPO tegemoet gekomen. Dit was al bij de start van het project onderkend en daarom verwerkt in de opzet van het onderzoek. Het is nog te vroeg om goede, eenduidige dosis effect relaties op te stellen en beschikbaar te krijgen voor de uitvoeringspraktijk.Auteurs:Van Belois, H., E. Dönszelmann, T. Fast en M. Smeets (OpDenKamp Adviesgroep)Rapportnummer:IP-DER-06-39 Jaar van uitgave:2006
Samenvatting:Dit rapport bevat een evaluatie van de uitvoering van verplichtingen uit het Aarhus-verdrag en van richtlijn 2003/4/EG.
Dit rapport is geproduceerd in het kader van de Structurele Evaluatie Milieuwetgeving (STEM). Dit programma wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM.
PRISMA rapportVolledige titel:Oplossingsrichtingen nazorg bodemsanering. "Hoe om te gaan met nazorg bij bodemsaneringsprojecten"Samenvatting:Het doel van deze rapportage is het geven van mogelijke oplossingsrichtingen om de nazorg bij bodemsaneringen optimaal te borgen. De doelgroep bestaat primair uit de medewerkers van provincies. De rapportage is vanuit dezelfde bevoegde gezagtaken ook te gebruiken voor gemeenten. Op veel plaatsen waar sprake is van ‘provincie’ kan ook ‘gemeente’ worden gelezen. De rapportage is ook bruikbaar voor andere belanghebbenden.Auteurs:Heijer, R.P., J.P. de Poorter, M.A.W. Koning en M.M.J.B.E. PeemanRapportnummer:13/99048678/RHJaar van uitgave:2005
Volledige titel: Opties voor een nitraatdieptemeetnet voor het meten van nitraat in de bovenste vijf meter van het grondwater. Technische uitwerking motie Koopmans van 22 april 2009
Samenvatting:Het is mogelijk een eventuele afname van de nitraatconcentratie in de bovenste vijf meter van het grondwater onder landbouw op zand- en dalgronden vast te stellen in een meetnet met 450 tot 1200 grondwaterputten (een nitraatdieptemeetnet). Het precieze aantal putten is afhankelijk van de nauwkeurigheid die het beleid vraagt en van de mogelijkheid om bij voldoende landbouwbedrijven te kunnen meten. Om te kunnen verklaren of de nitraatconcentratie al dan niet met de diepte afneemt, zijn behalve deze basismetingen uitgebreidere metingen nodig bij circa 75 tot 100 van deze putten. Dit blijkt uit onderzoek naar aanleiding van de motie-Koopmans van 22 april 2009. Deze motie verzoekt om, aanvullend op de huidige RIVM-metingen in de bovenste meter van het grondwater, de nitraatconcentraties in de tweede tot en met de vijfde meter te modelleren en te meten.
Auteurs:Fraters, B., G.L. Velthof, H.P. Broers, P. Groenendijk, L.J.M. Boumans, J.W. Reijs en B.G. van Elzakker
Rapportnummer:RIVM rapport 680717011
PRISMA rapportVolledige titel:Optimalisatie Ecologische Hoofdstructuur. Ruimte, milieu en watercondities voor duurzaam behoud van biodiversiteitSamenvatting:Op verzoek van de ministeries van VROM en LNV heeft het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) onderzocht wat de knelpunten zijn op het gebied van ruimte, milieu en water voor een duurzaam behoud van biodiversiteit en in welke richting naar optimalisatie kan worden gezocht.Auteurs:Lammers, G.W., A. van Hinsberg, W. Loonen, M.J.S.M. Reijnen en M.E. SandersRapportnummer:Milieu- en Natuurplanbureau rapport nr. 408768003Jaar van uitgave:2005
PRISMA rapportVolledige titel:Opzet interprovinciale indicatorenset voor Milieu, Water, Landbouw en Natuur: resultaten van het project ontwikkeling en actualisering interprovinciale indicatorenset.
Samenvatting:In 1997 is gestart met de samenstelling van een interprovinciale monitoringrapportage op het gebied van het milieubeleid en dit is jaarlijks herhaald. Het werkproces en de inhoud van de rapportages is sindsdien stapsgewijs verbeterd. De ICM (Interprovinciale Commissie Monitoring) heeft dit jaar een visie op monitoring en evaluatie ontwikkeld om daarmee een meer gestuurde en planmatige ontwikkeling in de interprovinciale monitoring en evaluatie te kunnen realiseren. Deze visie is medio dit jaar goedgekeurd door de brede overleg- en adviesgroep MWNL.
Auteurs:Van Grunsven Latour
Samenvatting:Het RIVM zoekt naar manieren om meer zicht te krijgen op emissies en milieuconcentraties van chemische stoffen waarover Nederland niet verplicht is te rapporteren. Het instituut heeft geinventariseerd wat bekend is over de uitstoot van schadelijke chemische stoffen in Nederland en over de concentraties ervan in het milieu. Europese wetgeving verplicht lidstaten om gegevens over emissies van een aantal van deze zogeheten Nederlandse prioritaire stoffen naar lucht, water en bodem beschikbaar te hebben.
Van de meeste stoffen waarvan de emissies moeten worden gerapporteerd, is dat het geval. Van een aantal stoffen waarover het niet verplicht is te rapporteren, zijn de emissies en de concentraties in het milieu niet goed bekend (D-stoffen). Dit betreft vooral stoffen die geen eenduidige bron hebben (diffuse bronnen). Voorbeelden zijn enkele gewasbeschermingsmiddelen en gechloreerde paraffines, die onder andere als vervangers van pcb's in de metaalindustrie worden gebruikt en als weekmakers in plastic.
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding is de voortgangsrapportage van VROM over het milieubeleid voor Nederlandse prioritaire stoffen, die naar verwachting in 2011 verschijnt. In deze rapportage staat onder andere de status van prioritaire stoffen vermeld (A-stof: de milieuconcentratie is problematisch, B-stof: de milieuconcentratie is minder problematisch, C-stof: de milieuconcentratie is niet problematisch). Het is de bedoeling om in 2011 van alle Nederlandse prioritaire stoffen te weten of de milieuconcentratie problematisch is of niet. Het RIVM geeft in het onderzoek aan wat nodig is om deze kennis te verkrijgen. Zo is meer inzicht nodig in de emissies en milieuconcentraties van D-stoffen. Daarvoor houdt het bedrijfsleven in 2010 een enquete waarin de industrie wordt gevraagd welke D-stoffen substantieel worden uitgestoten. Als daaruit blijkt dat nog onbekende stoffen substantieel worden uitgestoten, kunnen ze eventueel aan het monitoringsprogramma worden toegevoegd.
Auteur:H.J. van WijnenRapportnummer:RIVM rapport 607793002 Jaar van uitgave:2009
Volledige titel:Opzet van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid voor 2004 en daarna - Uitbreiding van LMM voor onderbouwing van Nederlands beleid en door Europese monitorverplichtingen.Samenvatting:De effectiviteit van Nederlandse mestbeleid wordt gemonitord met een speciaal hiervoor ontwikkeld meetprogramma, namelijk het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Per 2004 is de meetinspanning sterk toegenomen om aanvullende beleidsvragen te kunnen beantwoorden alsook om te kunnen voldoen aan Europese meetverplichtingen. Dit rapport beschrijft het meetprogramma voor 2004 en daarna en onderbouwt de bij de inrichting gemaakte keuzen.Auteurs:
Fraters, B. en L.J.M. Boumans
Rapportnummer:RIVM Rapport 680100001
Overijsels Feit is een periodieke publicatie die circa 15 keer per jaar verschijnt. In Overijssels Feit worden onderwerpen behandeld op het gebied van maatschappelijke ontwikkeling, die relevant zijn voor het beleid van de provincie Overijssel.
PRISMA rapportSamenvatting:Kwaliteit is belangrijk bij de vormgeving van onze omgeving. Veelvuldig wordt de vraag gesteld hoe een duurzame of milieukwaliteit kan worden geborgd in de ruimtelijke planvorming. Deze brochure geeft aan op welke manier milieumaatregelen kunnen worden verankerd met behulp van ruimtelijke instrumenten. De brochure is een bijlage van de publicaties ‘Milieu in ruimtelijke plannen’ voor de gemeente en voor de provincie. Daarin staan de ruimtelijke instrumenten in de context van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) / Besluit ruimtelijke ordening (Bro) centraal. Deze brochure stelt de milieuthema’s centraal en is een update van de VROM-publicatie ‘Duurzame stedenbouw in bestemmingsplannen’ uit 1999. Voor de lijst van duurzame maatregelen is gebruik gemaakt van ‘Bouwstenen voor een duurzame stedenbouw’ van VNG, SEV en Novem uit 1996, ‘Nationaal pakket duurzame stedenbouw’ uit 1999 van het Nationaal Dubo Centrum en ervaring uit de praktijk.
Auteurs:Rothengatter, R. en R. MathijsenJaar van uitgave:2008
Samenvatting:Dit rapport beschrijft de 'stand der techniek' van meetmethoden voor het vaststellen van de concentratie zwevende deeltjes in de troposfeer, gericht op de fijne fractie, de zogenaamde PM2,5-fractie. De beschrijving van de prestaties van de meetmethoden volgens de huidige stand van de techniek is gebaseerd op een literatuurstudie en op eigen ervaringen van de deelnemende instituten. De studie richt zich op de vergelijkbaarheid van de automatische meetmethoden met de standaardmethode (referentie). Het is de wens van de betrokken meetinstanties om de ervaringen met PM2,5-meetmethoden te inventariseren en om onderling de meetstrategie af te stemmen. Een zorgvuldige selectie van een PM2,5-meetmethode is daarbij van belang.
Doel van het rapport is de betrokken meetinstanties te ondersteunen met een overzicht van de prestaties van verschillende meetmethoden. Daarnaast draagt het rapport bij tot het proces van normaliseren en/of harmoniseren van meetmethoden.
Auteurs:Van Arkel, F.T., P.J. Kummu, J.P.L. van Loon, A. van der Meulen, M. Severijnen en J.H. Visser
Rapportnummer:RIVM rapport 680708004
Rapportage over de milieuhinder in de provincie Utrecht in 2007. De rapportage geeft de resultaten weer van het onderzoek naar de hinderbeleving van burgers in de leefomgeving. Het onderzoek wordt om de vier jaar uitgevoerd.
Samenvatting:Dit rapport beschrijft het informatiesysteem genaamd Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen (PIE). Omdat het RIVM en ECN een grote overlap hebben op het terrein van energie en emissies werken zij gezamenlijk aan de ontwikkeling en het gebruik van het Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen. PIE dient bij te dragen aan enerzijds het vastleggen van gezamenlijke informatie en anderzijds aan flexibeler, sneller en inzichtelijker beantwoorden van beleidsvragen. Dit rapport geeft allereerst een beschrijving van de historie en het doel van PIE. Vervolgens wordt het conceptuele model uitgelegd. De toepassing van het conceptuele model in Excel en de daarmee samenhangende rekenregels worden toegelicht en als laatste wordt afgesloten met een beschrijving van de te nemen vervolgstappen.
Auturs:Gijsen, A., R.A. van den Wijngaart en B.W. Daniels
RIVM Rapport 773001029
Samenvatting:Europese richtlijnen bevatten grenswaarden om de effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid van de mens te beperken. De luchtkwaliteit in Nederland moet sinds 2005 aan deze grenswaarden voldoen. In 2005 zijn de PM10-grenswaarden plaatselijk overschreden. In Nederland vormen zowel metingen als modelberekeningen de basis voor de vaststelling of grenswaarden al dan niet worden overschreden. De metingen en modelberekeningen van fijn stof en de onzekerheid daarin hebben extra aandacht genoten sinds de grenswaarden voor fijn stof in 2005 van kracht zijn geworden. Dit achtergrondrapport behandelt de methodiek en onzekerheden waarmee PM10-kaarten voor Nederland worden gemaakt. Het rapport beoogt de vastlegging van feiten en onzekerheden rond modelberekeningen en metingen van fijn stof. Verder wordt aangegeven welke ontwikkelingen van modelberekeningen en metingen de nauwkeurigheid van fijnstofconcentraties kunnen verbeteren.
Auteurs:Matthijsen, J. en H. Visser
Rapportnummer:RIVM rapport 500093005
Jaar van uigave:2006
Samenvatting:In het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) wordt op diverse locaties in Nederland fijnstof (PM10) concentraties gemeten. Om de kwaliteit van deze metingen te waarborgen zijn in 2006 een tweetal grote activiteiten ondernomen.
Als eerste zijn de procedures, meetconfiguraties en instellingen in het meetnet grondig doorgelicht. De bevindingen van de doorlichting van het meetnet hebben geleid tot een hervalidatie. Het effect van deze hervalidatie op de metingen is gering, maar heeft wel geleid tot een vermindering van de meetonzekerheid.
De tweede activiteit is het uitgevoerde equivalentieonderzoek. In dit onderzoek is de gelijkwaardigheid tussen de automatische PM10-metingen in het LML en de door de EU voorgeschreven referentiemethode aangetoond. Aan de hand van dit onderzoek is voor de PM10-metingen een nieuwe en nauwkeurigere kalibratie bepaald zodat niet langer de interim kalibratiefactor van de EU toegepast hoeft te worden. Het aantonen van de equivalentie tussen de automatische meetmethode en de referentiemeetmethode is volledig gebaseerd op de aanbevelingen die de Clean Air For Europe (CAFE) steering group begin 2006 heeft vastgesteld zodat Nederland geheel conform de Europese voorschriften werkt.
In het equivalentieonderzoek zijn kalibratiefuncties voor verschillende apparaattypen voor regionale en stedelijke locaties bepaald. De consequentie voor de jaargemiddelden van regionale stations na 2003, die gebruikt zijn voor de Generieke Concentraties voor Nederland (GCN-kaarten) in 2006, is een daling van minder dan 1 mug/m3.
Met de hervalidatie van meetdata en de resultaten van het equivalentieonderzoek zijn onzekerheden in de PM10-metingen verkleind en voldoen de metingen aan de gestelde kwaliteitseisen.
Auteurs:Beijk, R., R. Hoogerbrugge, T.L. Hafkenscheid, F.T. van Arkel, G.C. Stefess, A. van der Meulen, J.P. Wesseling, F.J. Sauter en R.A.W. Albers
RIVM rapport 680708001
Correcte herkenning van het type geluid blijkt een noodzakelijke en tevens voldoende voorwaarde te zijn om trends in de geluidbelasting in het buitengebied via doorlopende, onbemande metingen te kunnen monitoren. Een ondergrens voor de te monitoren geluidbelasting ligt tussen de 40 en 45 dB(A) Lden. Dit zijn de conclusies uit een onderzoek waarin metingen zijn verricht aan luchtvaartgeluid op drie lokaties in het buitengebied van luchthaven Schiphol. Het betrof een praktijkstudie naar de mogelijkheden om in het buitengebied bij relatief lage geluidbelasting op grote afstand van de luchthaven de bijdrage van vliegtuigen te monitoren. Op elke meetlocatie zijn gedurende een maand lang doorlopend geluidmetingen verricht met verschillende meetsystemen. Bij elke vliegtuigpassage zijn gelijktijdig het geluidniveau en de passagetijd geregistreerd. Na elke meetperiode zijn de passagetijden vergeleken met berekende passagetijden gebaseerd op de vluchtgegevens.
Jabben, J. en C. Potma
RIVM rapport 680001001
Samenvatting:De afgelopen vijftien jaar is de problematiek over de aanwezigheid van prioritaire stoffen in het Nederlandse milieu afgenomen. De milieudruk (emissies van schadelijke stoffen naar lucht, water en bodem) is afgenomen en de milieukwaliteit (concentraties van schadelijke stoffen in het milieu) is verbeterd. Voor een aantal stoffen is het verbetertempo echter te laag om de beleidsdoelstellingen in 2010 te kunnen halen. Prioritaire stoffen zijn milieuschadelijke stoffen, die in het milieubeleid met voorrang worden behandeld en waarvoor beleidsdoelstellingen voor het jaar 2010 zijn opgesteld. Er zijn nog steeds stoffen waarvan de emissies hoger zijn dan het voor 2010 gestelde maximum. Ook zijn concentraties nog vaak hoger dan de gestelde streefwaarden, die vanaf 2010 niet meer mogen worden overschreden. Dit blijkt uit het verloop van berekende milieudruk- en milieukwaliteitsindicatoren. Met dergelijke indicatoren wordt getalsmatig uitgedrukt hoever de huidige milieudruk en milieukwaliteit afwijken van de beleidsdoelstellingen ('distance to target'). Wat betreft emissie blijkt dat vooral voor cadmium het emissieplafond naar lucht, water en bodem wordt overschreden. Voor de zware metalen koper en zink is vaak de uitstoot naar water en bodem te hoog. Concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxiden, koolmonoxide, lood en ozon in lucht liggen vaak boven de streefwaarden. Dit geldt ook voor concentraties van koper in oppervlaktewater. In het grondwater liggen de concentraties van chroom, cadmium en nikkel regelmatig boven de streefwaarden.
Auteurs:Sterkenburg, A., J. Bakker en H.A. den Hollander
Rapportnummer:RIVM rapport 607880005
Samenvatting:Alle provincies hebben in het kader van de EU-richtlijn Omgevingslawaai een geluidbelastingskaart gemaakt en op basis hiervan een actieplan opgesteld waarin maatregelen worden omschreven om de geconstateerde knelpunten op te lossen. In deze studie is een evaluatie opgesteld naar het totstandkomen van de geluidskaarten en actieplannen. Op basis van de evaluatie zijn conclusies en aanbevelingen gedaan waarmee het opstellen en/of actualiseren van deze producten kan worden vereenvoudigd en/of verbeterd ten behoeve van de 2e tranche.Rapportnummer:IPO004/Plm/0087Jaar van uitgave:2009
Samenvatting:De Gegevensautoriteit Natuur spant zich in om het gebruik van natuurgegevens te vergroten. Als één van haar eerste activiteiten heeft de Gegevensautoriteit Natuur samen met het CBS deze productencatalogus gemaakt om te laten zien wat het NEM voor overheidspersoneel kan betekenen.
De catalogus geeft een overzicht van de Meetnetten in het NEM en van de Informatieproducten die daarmee worden gemaakt. Ook nieuwe wensen zijn mogelijk. Potentiële nieuwe gebruikers worden hierbij van harte uitgenodigd om te kijken of de informatie uit het NEM bruikbaar is of kan worden. De Gegevensautoriteit Natuur staat daarmee ook open voor vernieuwen of uitbreiden van meetnetten.Jaar van uitgave:2009
Samenvatting:Het project Implementatie Aarhus (PRIMA) beoogt de uitvoering van het Verdrag van Aarhus door middel van implementatie van Richtlijn 2003/4/EG (toegang tot milieu-informatie) voor de betrokken overheden zo goed mogelijk te structureren en te faciliteren.
De overheden verschaffen milieu-informatie op verzoek (passieve openbaarheid) en verspreiden de informatie actief met het oog het publiek te bereiken. Met het Verdrag van Aarhus en de Richtlijn 2003/4/EG verandert de bestaande Nederlandse en Europese regelgeving.
Samenvatting:Dit protocol is een voorschrift voor de grondwaterbeheerders in Nederland, waarmee op eenduidige wijze de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen kan worden uitgevoerd. Dit is niet het definitieve protocol. In 2008 zal dit theoretische concept worden getoetst aan de praktijk en de knelpunten die in dit protocol staan aangegeven zullen nader worden onderzocht en uitgewerkt.
Auteurs:Zijp, M.C., P. van Beelen, L.J.M. Boumans, A.C.M. de Nijs, W. Verweij en S. Wuijts
RIVM briefrapport 607300008
Samenvatting:Het RIVM heeft met de Waterdienst van Rijkswaterstaat (voorheen RIZA: Rijksintituut voorZoetwaterbeheer en Afvalwaterzuivering) een alternatieve methode ontwikkeld om de effecten van giftige stoffen in oppervlaktewater te meten. Met deze methode is eenvoudig te achterhalen of toxische stoffen de oorzaak zijn als ecologische doelen, die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water, niet worden gehaald. Ook is de methode geschikt om bronnen van toxische stoffen te identificeren. Van oudsher worden hiervoor vooral chemische technieken ingezet. Die hebben als nadeel dat ze slechts een klein deel van het grote aantal chemicaliën in oppervlaktewater kunnen meten.
De methode werkt met zogeheten bioassays. Hiervoor wordt de reactie van vijf soorten organismen gepeild op het te onderzoeken water. Bij een reactie kan desgewenst uitgezocht worden welke stof hiervan de oorzaak is. Met de methode is ook het versterkende effect van meerdere stoffen bij elkaar te achterhalen.
Een ander voordeel wordt behaald met een voorbehandeling met hars, waarmee de verontreiniging wordt geconcentreerd. Hierdoor is een korte test even effectief als een langlopende, en dus duurdere test, ook als het water niet acuut toxisch is. Natuurlijke factoren die de toxiciteit van water beïnvloeden zijn bovendien met deze methode uitgeschakeld. Wel blijft de toxiciteit van metalen en een beperkt deel van de organische stoffen buiten beeld.
In het rapport "Toxicity measurements in concentrated water samples. Evaluation and validation.", staat de methode beschreven. De protocollen voor de uitvoering van de bioassays staan in "Protocols belonging to the report Toxicity measurements in concentrated water samples". Dit zijn technische beschrijvingen van hoe deze testen door RIVM worden uitgevoerd. Belangstellenden kunnen nu deze testen op exact dezelfde manier uitvoeren met behulp van dit naslagwerk.
De rapporten:Toxicity measurements in concentrated water samples. Evaluation and validationDurand, A.M., S. Rotteveel, M.T. Collombon, E. van der Grinten, J.L. Maas en W. Verweij (2009)
Protocols belonging to the report 'Toxicity measurements in concentrated water samples'Verweij, W., A.M. Durand, J.L. Maas en E. van der Grinten (2010)
In opdracht van de ministeries van EZ, EL&I en I&M heeft Wageningen UR Livestock Research een studie uitgevoerd naar geschikte meetprotocollen voor het bepalen van emissies van verschillende milieucomponenten uit stallen in de veehouderij. De meetprotocollen bevatten de meest recente inzichten in het meten van milieucomponenten uit huisvestingssystemen. Om de noodzakelijke verbeteringen aan de hand van voortschrijdende kennis en ervaringen te kunnen doorvoeren, zullen deze meetprotocollen met enige regelmaat worden herzien.
Voor de vier provincies Friesland, Drenthe, Overijssel en Zeeland zijn al dan niet voorlopige verspreidingsatlassen voor libellen uitgebracht.
Provincie Op Maat 2007 is de tweede editie in de provinciale serie waarbij voor elke provincie een afzonderlijke publicatie is gemaakt. Het is een hulpmiddel om snel kerncijfers van de provincie en alle gemeenten binnen die provincie te vergelijken en het is dan ook waardevol voor iedereen die met de provincie te maken heeft.
PRISMA rapportSamenvatting:De huidige ontwikkelingen in het omgevingsrecht en de voortdurende discussie over de rol van de provincie waren voor het IPO aanleiding om zich te beraden op de toekomstige gewenste rol van de provincies in het omgevingsrecht. Wat zijn de mogelijke en gewenste rollen en posities van provincies binnen het veranderend stelsel van omgevingsrecht? En hoe die rollen en posities te krijgen?
Auteurs:Papa, O., D. Hanemaayer en M. Verboven Jaar van uitgave:2010
Samenvatting:Het rapport beschrijft 2 statistische smogmodellen die begin jaren negentig zijn ontwikkeld ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt. Voor ozon is dit het model Prozon, in gebruik sinds 1992. Het model Propart, dat een verwachting geeft voor PM10 (fijn stof), is in de huidige vorm in gebruik sinds 1998. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Deze statistische modellen zijn vervaardigd met het softwarepakket Creamod, ontwikkeld op het RIVM (Noordijk 2003). Dit pakket bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. Een werkend model bestaat uit de rekenstructuur die Creamod en definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd en statistiekbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen.
Rapportnummer:RIVM rapport 725301012
PRISMA rapportSamenvatting:Bestrijdingsmiddelen in het grondwater staan volop in de belangstelling. In de afgelopen jaren is het generieke beleid aangepast, zijn meer metingen beschikbaar gekomen en wordt nagedacht over extra te nemen maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water. Dit was aanleiding voor het Interprovinciaal Overleg (IPO) om het project ‘Inventarisatie problematiek van bestrijdingsmiddelen in Nederlandse grondwaterbeschermingsgebieden’ op te nemen in het Programma IPO Strategische Milieu Agenda (PRISMA) 2006. Onderdeel van dit project is een quick-scan naar de risico’s van uitspoeling van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden. In het voorliggende rapport heeft Royal Haskoning in opdracht van IPO deze quick-scan uitgewerkt. Dit rapport moet de provincies ondersteunen bij het uitwerken van hun beschermingsbeleid ten aanzien van bestrijdingsmiddelen.Auteurs:Arts, M.P.T., A. Krikken, F.Th. Verhagen en A.J. OtteRapportnummer:9S0497.A0Jaar van uitgave:2006Download (PDF):RapportBijlage 1aBijlage 1b
Samenvatting:Volgens het Euratom-verdrag uit 1957 moeten alle lidstaten van de Europese Unie jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu meten. Ook in 2008 heeft Nederland aan deze verplichting voldaan. Sinds 2000 kent Euratom aanbevelingen om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren, lidstaten zijn echter niet verplicht deze na te leven. Nederland voldeed in 2008 aan alle Europese aanbevelingen, met uitzondering van de bepaling van strontium-90 in voedsel. De metingen in lucht en omgeving lieten een normaal beeld zien. Polonium-210 in depositie gaf het hoogste niveau sinds 1993 (twee keer zo hoog als normaal). Dit kan deels verklaard worden door Sahara zand dat eind mei in Nederland is gedeponeerd.In voedsel en melk zijn geen radioactiviteitniveaus aangetroffen boven de Europese limieten voor export en consumptie. Met ingang van 2008 zijn extra gegevens betreffende voedsel toegevoegd aan dit rapport. De additionele gegevens zijn afkomstig van RIKILT - Instituut voor Voedselveiligheid. In het oppervlaktewater is op een aantal locaties voor sommige radioactieve stoffen de streefwaarde overschreden. Deze overschrijdingen zijn echter zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Streefwaarden zijn waarden die bij voorkeur niet overschreden mogen worden, maar het zijn geen limieten.Auteur:G.J. KnetschRapportnummer:RIVM rapport 610791003Jaar van uitgave:2010
Integrale rapportage bodem- en grondwatermeetnetten provincie Drenthe, 2002.
Contactpersoon: Anton Dries Telefoon: 0592 - 36 58 62
PRISMA rapportSamenvatting:De dertiende Interprovinciale Rapportage vergunningverlening, toezicht en handhaving beschrijft de uitvoering van de vergunningverlening en handhaving van de Wet milieubeheer bij inrichtingen waarvoor de provincie het bevoegd gezag is. Aan de hand van een aantal indicatoren wordt de provinciale uitvoering in beeld gebracht en wordt het landelijk beeld van de gezamenlijke provincies gegeven. Op sommige aspecten worden de provincies in de rapportage ook met elkaar vergeleken.
Auteur:KplusV organisatie-adviesRapportnummer:1010897-013/bko/ptiJaar van uitgave:2010
De interprovinciale monitoringrapportages Milieu Water Landbouw en Natuur (MWLN) 1999 - 2003 hebben als doel het afleggen van verantwoording over de (inter-)provinciale bijdragen aan de realisatie van nationaal beleid. Daarnaast beoogt men de versterking van de interbestuurlijke samenhang in het beleid. Dit wordt bewerkstelligd door een integraal beeld te schetsen van wat in interprovinciaal verband gepresteerd is.
De monitoringrapportage wordt jaarlijks door de projectgroep aangeboden aan en vastgesteld door de Interprovinciale Coordinatiegroep Monitoring. Als zodanig is het dus een ambtelijk IPO-stuk. Om verzekerd te zijn van doorwerking van de conclusies uit de rapportage naar beleidsvoornemens worden de documenten vergezeld van een beleidsnotitie, waarin in beleidsevaluerende zin wordt ingegaan op de gesignaleerde ontwikkelingen en knelpunten.
De rapportages:2003
2002
2000
1999
Halfjaarlijkse voortgangsrapportage programma-financiering EV.
Contactpersoon:M. van Duijn
Telefoon: 070 - 441 66 64
www.relevant.nl
In de MSR-rapportage wordt jaarlijks de milieukwaliteit (11 thema's) voor de regio Rijnmond gepresenteerd. Daarnaast wordt ieder jaar een wisselend thema uitgebreider onderzocht (bijvoorbeeld Geluid, Milieu en Ruimte, Water). De rapportages zijn beschikbaar op de website van de MSR (zie onder) en worden aangeboden in het Nederlands en in Engelse vertaling.
Zie hier voor onze pagina betreffende het MSR.
Contactpersoon:Karla GroenTelefoon: 010-2468 485Fax: 010-2468 283
Het Trilaterale Monitoring en Assessment Programma (TMAP) levert wetenschappelijke beoordelingen van de ontwikkeling van het ecosysteem Waddenzee en beoordeelt de implementatie van het trilaterale 'Targets of the Wadden Sea Plan'. In dit kader worden thematische rapportages, kwaliteit-status rapportages (Quality Status Reports) en workshop rapportages uitgebracht. De rapportages zijn online in te kijken.
Samenvatting:Deze regionale watersysteemrapportage heeft als doel om inzicht te geven in de mate waarin de doelstellingen uit het provinciale waterhuishoudingsplan en andere beleidsdocumenten in de periode van 2002 tot en met 2005 zijn behaald. In de rapportage is gebruik gemaakt van gegevens uit de periode 2002 – 2005. Ook zijn er gegevens uit voorgaande periodes gebruikt voor de rapportage, met name voor de trendanalyses. Op verschillende terreinen is er in de periode 2002 – 2005 vooruitgang geboekt, maar er zijn ook onderwerpen waar niet veel vooruitgang in zit. De rapportage is een gezamenlijk product van waterschap Zeeuws-Vlaanderen, waterschap Zeeuwse Eilanden, Rijkswaterstaat Zeeland en Provincie Zeeland.
Samenvatting:Deze regionale watersysteemrapportage heeft als doel om inzicht te geven in de mate waarin de doelstellingen uit het provinciale waterhuishoudingsplan en andere beleidsdocumenten in de periode van 2002 tot en met 2005 zijn behaald. In de rapportage is gebruik gemaakt van gegevens uit de periode 2002 – 2005. Ook zijn er gegevens uit voorgaande periodes gebruikt voor de rapportage, met name voor de trendanalyses. Op verschillende terreinen is er in de periode 2002 – 2005 vooruitgang geboekt, maar er zijn ook onderwerpen waar niet veel vooruitgang in zit.
De rapportage is een gezamenlijk product van waterschap Zeeuws-Vlaanderen, waterschap Zeeuwse Eilanden, Rijkswaterstaat Zeeland en Provincie Zeeland.
Met het rekenmodel IPOLicht kunnen de effecten op hemelhelderheid en horizonvervuiling van ontwikkelingen of maatregelen kwantitatief worden bepaald. Dit instrument kan worden gebruikt bij ruimtelijke processen als gebiedsontwikkeling en -inrichting, ter ondersteuning van beleidskeuzes en bij vergunningverlening. De snelstartgids geeft informatie over het gebruik van de Rekenmodel IPOLicht software.
Download de snelstartgids van het Rekenmodel IPOLicht (PDF)
Ga naar het Rekenmodel IPOLicht
Samenvatting:Tussen 1992 en 2004 heeft er een afname plaatsgevonden in Nederland van de hoeveelheid verontreinigende stoffen welke uit de buitenlucht via regenwater zijn neergeslagen op bodem, oppervlakte- en grondwater (natte depositie). Dit blijkt uit metingen van het RIVM van de chemische samenstelling van regenwater. Het is van belang om deze ontwikkelingen te volgen, omdat een groot deel van Nederlandse bodem en water te veel met verzurende en stikstofhoudende stoffen wordt belast. De totale depositie van bovengenoemde stoffen op bodem en water ligt namelijk nog steeds boven de doelstelling voor 2010 die hieraan gesteld is in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan. Als het regent komt een deel van de verontreinigende stoffen in de lucht via het regenwater in bodem en water terecht. In Nederland wordt sinds 1978 de chemische samenstelling van het regenwater gemeten middels een nationaal meetnet. Hiermee wordt onder andere de natte depositie van verontreinigende stoffen op bodem, oppervlaktewater en grondwater gemeten. Deze depositie is een significant deel van de totale depositie van verontreinigende stoffen op bodem en water. Het netwerk van meetpunten is min of meer gelijkmatig over Nederland verspreid en bestond in de onderzochte periode uit 15 vaste meetlocaties.Auteurs:Van der Swaluw, E., W.A.H. Asman en R. HoogerbruggeRapportnummer:RIVM rapport 680704009
Samenvatting:Een aantal aspecten van het EMEP Unified (Euleriaans) model is geëvalueerd door het analyseren van de depositie parameterisatie van verzurende stoffen, de concentratie en depositie van SOx, NOx en NHx in Nederland, de bron-receptor matrices voor Nederland en de geografische verdeling van de emissies. De resultaten zijn vergeleken met die van het OPS model en met metingen. Het EMEP Unified model geeft vrij goede resultaten voor de meeste verzurende stoffen in Nederland. De bron-receptor matrices voor geoxideerd zwavel berekend door het EMEP model komen goed overeen met die van het OPS model, terwijl de overeenkomst voor gereduceerd stikstof redelijk is. Grote afwijkingen worden gevonden tussen de modellen voor de bron-receptor matrices voor geoxideerd stikstof. De lokale depositie bijdrage van Nederlandse emissies aan de depositie in Nederlandse is een factor vier hoger in het OPS model dan in het EMEP model en de depositie bijdragen van België en Duitsland zijn ook veel groter dan in het OPS model. Deze verschillen kunnen herleid worden naar de lagere concentratie en droge depositie en grotere natte depositie van NOx in het EMEP model. Er is een opvallend verschil in de invloed van de Grens- en Begincondities op de bron-receptor matrices van geoxideerd stikstof. Het EMEP suggereert dat ongeveer 30% van de depositie in Nederland is afkomstig van bronnen buiten Europa. De door het EMEP model berekende concentratie van SO2 in Nederland komt goed overeen met metingen, the concentratie van NOx zijn ongeveer 40% lager en de concentraties van NH3 30% tot 40% lager dan de metingen.
Auteurs:Velders, G.J.M., E.S. de Waal, J.A. van Jaarsveld en J.F. de Ruiter Rapportnummer:RIVM rapport 500037002
PRISMA rapportVolledige titel:Ruimte voor biologische landbouw. Onderzoek naar stimulerende beleidsinstrumenten in r.o.Samenvatting:Doel van voorliggend onderzoek is na te gaan welke positief werkende instrumenten er zijn om biologische landbouw te stimuleren, met nadruk op de ruimtelijke ordening (in brede zin). Negatief werkende instrumenten en knelpunten in regelgeving komen slechts zijdelings aan bod.Auteurs:Wieringa H. en M. van Boxtel
Samenvatting:Dit rapport is het achtergronddocument bij RIVM rapport 723101033 'Een nieuwe meetstrategie voor de metingen van de chemische samenstelling van neerslag in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit', waarin nieuwe meetstrategieën worden voorgesteld voor de metingen van de chemische samenstelling van neerslag in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. Een van de opties betreft het gebruik van Universal Kriging, een geostatistische techniek voor lineaire interpolatie van metingen. Het huidige rapport beschrijft de mathematische en methodologische onderbouwing van de benadering, aan de hand van de resultaten van een pilotstudie voor natte sulfaat, nitraat en ammonium deposities in Nederland. Bij dit onderzoek vormen de meetresultaten uit het LML en neerslaggegevens uit het KNMI meetnet het basismateriaal. Het onderzoek heeft geleid tot twee afzonderlijke ruimtelijke modellen: 1 voor sulfaat en 1 voor nitraat, waarbij is gebleken dat bij een terugbrengen van 15 tot 8 meetpunten deze ruimtelijke modellen in de toekomst niet meer zijn af te leiden door de te geringe dichtheid van het geoptimaliseerde meetnet. Tevens blijkt dat het huidige meetnet van 15 meetpunten een te geringe dichtheid heeft om het ruimtelijk gedrag van ammonium te kunnen beschrijven met een ruimtelijk lineair interpolatie model dat alleen op meetgegevens is gebaseerd. Het onderzoek heeft verder geresulteerd in een eenvoudige methode om kaarten met elkaar te vergelijken. Deze methode is in een S-PLUS programma geïmplementeerd zodat op basis van de twee afgeleide modellen direct de invloed op de natte deposities voor sulfaat en nitraat van een nieuwe meetnetconfiguratie van het LML kan worden doorgerekend.
Auteurs:Dekkers, A.L.M. en E. Buijsman
Rapportnummer:RIVM Rapport 723101047
Jaar van uitgave:2001
Deze brochure van het Platform Communication on Climate Change (PCCC) biedt een overzicht van relevante ontwikkelingen op het gebied van klimaat, klimaatverandering, klimaatonderzoek en klimaatbeleid in het afgelopen jaar. Het jaar stond vooral in het teken van de Deltacommissie.
Deze uitgave van het Platform Communication on Climate Change (PCCC) biedt een overzicht van relevante ontwikkelingen op het gebied van klimaat, klimaatverandering, klimaatonderzoek en klimaatbeleid in het afgelopen jaar. Het jaar stond vooral in het teken van de klimaattop in Kopenhagen.
Samenvatting:Deze publicatie geeft een overzicht van relevante ontwikkelingen op het gebied van klimaat in 2010. Het is een uitgave van de onderzoeksinstellingen die samenwerken binnen het Platform Communication on Climate Change. Enkele punten waar op in wordt gegaan zijn: de paradox tussen de koude winters in Nederland en het wereldwijd gezien erg warme jaar, een aantal extreme weersgebeurtenissen uit 2010 en de politisering van het klimaatdebat.
Auteur(s):Platform Communication on Climate Change (PCCC)Rapportnummer:ISBN/EAN: 978-94-90699-02-4
In de 'Staat van het klimaat Drenthe 2009' geeft de provincie een indicatie wat er nog moet gebeuren om de gestelde doelstellingen in 2020 te halen. Op basis van diverse bronnen en rekenregels wordt een schatting gemaakt van de huidige CO2 reductie in Drenthe.
Het doel van dit rapport is een bijdrage te leveren aan de interne en externe communicatie over het klimaat- en energiebeleid.
Auteur:Joris Latour (3dTransition), Thea Harmelink (projectleider provincie Drenthe)
Zie ook de bijlage van het rapport, de CO2-reductiebalans
De Staat van Overijssel geeft jaarlijks actuele en betrouwbare cijfers over thema’s als water en natuur, maar ook over onderwerpen als woningbouw. Het rapport geeft een goed beeld van wat er speelt in de provincie en wordt uitgegeven in opdracht van de provincie Overijssel.
Auteurs:Team Beleidsinformatie, Motivaction International B.V., Gelders Overijssels Bureau voor Toerisme
Nederlandse titel: Statistische kartering van boomsoorten in Europa
Toelichting:De Europese boomsoortenkaart bestaat uit verspreidingskaarten voor 18 soortgroepen en een kaart van de dominante boomsoort per vierkante kilometer. Met deze kaart wordt inzicht geboden in de vraag welke ecosysteemdiensten waar beschikbaar gemaakt kunnen worden.Voor het maken van de kaarten is gebruik gemaakt van de nationale bosinventarisaties van 18 EU-landen. Voor deze landen is de dichtheid van plotdata erg hoog. Daarnaast is gebruik gemaakt van het ICP Forest level I meetnet dat heel Europa beslaat maar een veel minder hoge dichtheid heeft. De kaarten zijn gemaakt met statistische methoden. Voor de gebieden met nationale bosinventarisaties is dit gedaan door ruimtelijke interpolatie met een kriging variant die er voor zorgt dat de kansen op voorkomen van de achttien boomsoorten tussen 0 en 1 liggen en sommeren tot 1. Voor het overige deel van Europa zijn de kaarten gemaakt met gegeneraliseerde lineaire regressie. Als hulpvariabelen zijn diverse klimatologische variabelen, het bodemtype en de biogeografische regio gebruikt. De kaart met de dominante boomsoort is gevalideerd met plot data die apart zijn gehouden van de data waarmee de statistische modellen zijn gekalibreerd.
Auteurs:Brus, D.J., G.M. Hengeveld, D.J.J. Walvoort, P. W. Goedhart, A. H. Heidema, G. J. Nabuurs and K. Gunia
Ga direct naar de kaarten van de boomsoorten
Samenvatting:Op dit moment ontbreekt het aan een gewaarborgd instrumentarium om de Europese Unie adequaat te rapporten over de kwalitatieve en kwantitatieve toestand van het grondwater in Nederland. Het is dringend noodzakelijk het transport en de opslag van de beschikbare gegevens te stroomlijnen en op elkaar af te stemmen.
De Kaderrichtlijn Water verplicht de Europese lidstaten regelmatig te rapporteren over de kwalitatieve en kwantitatieve toestand van hun grond- en oppervlaktewater. Het RIVM heeft uitgezocht hoe de beschikbare grondwatergegevens uit de diverse bestanden het beste kunnen worden samengevoegd om aan deze verplichting te kunnen voldoen. Dit gebeurde in opdracht van het ministerie van VROM. Nederland beschikt over goede meetnetten die bij diverse beheerders, zoals provincies en gemeenten, zijn ondergebracht. Het is belangrijk dat het gehele systeem van meten, gegevens opslaan en rapporteren doeltreffend werkt. Onderzocht is welke gegevens- en informatiestromen er in dit systeem bestaan en in hoeverre die gestroomlijnd moeten worden.
Een groot deel van de grondwatergegevens is opgeslagen in de DINO-databank, die wordt beheerd door TNO. Deze databank wordt regelmatig aangevuld met recente gegevens, die de meeste provincies en gemeenten aanleveren. Met de overige provincies en gemeenten worden contacten gelegd om alle grondwatergegevens in DINO op te slaan. De archivering, de kwaliteitsborging en uitlevering van de gegevens in DINO zijn gewaarborgd conform ISO 9002. Daarnaast is het belangrijk een route en procedures op te stellen voor de vertaalslag van de gegevens uit de DINO-databank naar het KRW-portaal, dat de monitorresultaten in een kaart weergeeft.
Auteur:R. LiesteRapportnummer:
RIVM Rapport 607300004
Nederlandse titel:Syntheserapport van project CS02: Monitoring en Profilering met het CESAR Observatorium
Abstract:The climate system is complex. Although it is understood in qualitative terms, there are still many physical processes of which the impact on climate change is far from quantifiable. A well-known example of such a process is the interaction between cloud and rainfall formation, aerosols, radiation and the land-atmosphere energy exchange. It is one of the sources of large uncertainty in climate models. The uncertainty is largely due to a lack of reliable observations of the processes. In this project we aimed at the development of the required observation methodologies to study these processes. We explored and enhanced the capacity of CESAR Observatory, in the heart of the Netherlands, in order to make it one of the leading atmospheric observatories in the world. In particular, we defined:
The major outcome of the project is the observatory itself. We now have a world class observatory for atmospheric studies. It is one of the few stations worldwide with which one can study climate relevant processes in the context of atmospheric chemistry, physics, hydrology and meteorology. The CESAR database is easily accessible to the scientific community. CESAR Observatory is one of the major research facilities in The Netherlands. It serves the atmospheric community at seven research institutes and agencies: the universities of Delft, Wageningen and Utrecht, ECN Energy Research Centre of The Netherlands, TNO Applied Scientific Research, RIVM National Institute for Public Health and the Environment, and KNMI Royal Netherlands Meteorological Institute. Furthermore, the observatory is also supported by the European Space Agency. The observatory is hosted and operated by the KNMI. CESAR data are used for a wide range of applications, e.g.:
An important advantage of the site is its location: both close to the sea and to some of the major European industrial and populated areas. This location leads to a large variety of air mass types at the site. Other advantages are its long term dataset of advanced parameters, the coinciding location of the different instruments, and the area around the site, which is flat and has suffered only minor landscape developments since 1972.
Auteurs:Russchenberg et al.
Rapportnummer:KVR 044/11
Samenvatting: Deze publicatie bevat de resultaten van de vijfde eutrofiëringsenquête, met een landelijk overzicht van de toestand en de trends in de waterkwaliteit en ecologie van de Nederlandse meren en plassen. Nieuw in dit rapport is dat naast de klassieke parameters doorzicht, chlorofyl en nutriënten, nu ook de biologische kwaliteitselementen aan bod komen, conform de Kaderrichtlijn Water: fytoplankton, waterplanten, macrofauna en vis.
Auteur: R. Pot (bureau Roelf Pot), in opdracht van de werkgroep Routekaart Heldere Meren van de Waterdienst van Rijkswaterstaat
STONE is het landsdekkende nutriëntenemissiemodel dat ontwikkeld is voor het evalueren van effecten van milieu- en landbouwbeleid op de belasting met stikstof en fosfaat van het grond- en oppervlaktewater. De commissie Spiertz vroeg in 2000 om validatie van dit model. Om deze reden werd de STONE toets opgezet, waarvan in dit rapport een samenvatting gegeven wordt.
Doel van het project was het vergelijken van STONE resultaten met monitoring gegevens op verschillende schaalniveaus. Op de veldschaal werden conclusies getrokken over processen en temporele dynamiek. Op de nationale schaal werden ruimtelijke patronen en frequentiediagrammen beoordeeld. Het bleek dat STONE de mediane nitraatconcentratie in het grondwater onderschatte. De correlatie tussen de metingen en de modelresultaten bleken op de nationale schaal echter goed te zijn. Op de regionale schaal waren er wel grote verschillen, waardoor de inzetbaar van STONE voor regionale vraagstukken beperkt is.
Het gebrek aan overeenstemming tussen de gemeten en gesimuleerde nitraatconcentraties op regionale schaal dient onderzocht te worden in een aanvullend toetsingstraject. STONE berekende hogere concentraties in het drainwater dan gemeten in het oppervlaktewater. Dit wordt vermoedelijk veroorzaakt door retentie en verliezen in het oppervlaktewater. Deze hypothese kan getoetst worden door STONE te koppelen aan een oppervlaktewater model.
Auteurs:Tiktak, A., A.H.W. Beusen, L.J.M. Boumans, P. Groenedijk, B.J. de Haan, R. Portielje, C.G.J. Schotten en J. Wolf
RIVM rapport 718201007
Samenvatting:In dit rapport heeft STOWA het presteren van het NHI (Nationaal Hydrologisch Instrumentarium) getoetst. Het NHI levert modelresultaten op van verschillende maatregelen bij verschillende scenario's die vervolgens worden gebruikt bij bijvoorbeeld het in beeld brengen van regionale knelpunten. STOWA heeft metingen uitgevoerd om te controleren of de modelresultaten van het NHI overeenkomen met de werkelijkheid in de regio. De conclusie luidt dat het NHI in zijn huidige versie nog niet geschikt is om de watervraag en waterverdeling op regionaal niveau te bepalen. Aanpassing en ijking van het model is noodzakelijk.
Auteur:Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA)
Rapportnummer:STOWA 06/2011ISBN 978.90.5773.519.6
Summary:The Steering Committee for Environment-Nature-Water Monitoring commissioned a review into monitoring and reporting obligations and efforts relative to the environment, nature and water in the Netherlands in terms of international, European, national and interprovincial regulation. This review considered to what degree monitoring is carried out excessively or insufficiently relative to the relevant legislation. In conclusion, it considered the actionsrequired to arrive at a more efficient and effective method of data collection.This report is followed by a seminar in Brussels, about the implementation of monitoring in general and regarding the developments of SEIS and SISE.
Author:Ronald AlbersJaar van uitgave:2006
Nederlandse titel: Toxische druk in de Nederlandse Delta, gemeten met bioassays. Trends over de jaren 2000-2009
Samenvatting:Van 2000 tot en met 2009 zijn met behulp van een additionele methode, zogeheten bioassays, de effecten van giftige stoffen op het ecosysteem in Nederlands oppervlaktewater gemeten (toxische druk). Deze methode geeft meer informatie over de effecten van onbekende chemische stoffen in water dan de traditionele chemische technieken. Deze meten namelijk slechts een klein deel van het grote aantal chemicaliën dat in oppervlaktewater zit. Bovendien geven ze geen inzicht in het eventuele versterkende effect dat meerdere stoffen bij elkaar kunnen hebben. De bioassays bevestigen het vermoeden dat het ecosysteem in water het afgelopen decennium steeds minder door chemische stoffen is aangetast, waardoor de waterkwaliteit is verbeterd.
Auteurs:Struijs, J., E. van der Grinten en T. Aldenberg
Rapportnummer:RIVM Rapport 607013013
Toelichting:Vooral in de periode 1970 – 1990 is de grondwaterstand op veel locaties gedaald. In de periode 1995 – 2010 treden veel minder trends op en zien we zowel dalingen als stijgingen van de grondwaterstand. Er zijn geen duidelijk onderscheidende gebieden gevonden waar stijging of daling van de grondwaterstand overheerst. Daling overheerst in het hele gebied en wordt verspreid over het gebied afgewisseld met locaties waar stijgingen zijn gevonden. Verandering van de grondwaterstand wordt sterk bepaald door lokale invloeden, waardoor een gedifferentieerd beeld over het beheersgebied ontstaat. Van de 130 reeksen zijn er 37 betrouwbaar te modelleren met neerslag en verdamping als verklarende reeksen. Op 15 locaties kunnen we het effect van drinkwateronttrekking betrouwbaar modelleren. Daarnaast zijn er nog 6 locaties waarvan we verwachten dat drinkwateronttrekking een invloed heeft, maar die we niet betrouwbaar kunnen modelleren.
Auteurs:Leunk, I. en A. van Loon
Rapportnummer:1976152
Samenvatting:Van het najaar van 2006 tot begin 2007 is op de helft van de locaties van het TrendMeetnet Verzuring (TMV) de kwaliteit van het bovenste grondwater onderzocht. Het TMV brengt op 150 locaties in Nederlandse natuurgebieden (bos/heide) op zandgrond de effecten van verzuring op het grondwater in kaart.
Op 70 van de 75 locaties kon het grondwater bemonsterd worden. Op de overige locaties zat het grondwater te diep of was de locatie niet meer geschikt. Op 16 % van de onderzochte locaties is de norm voor nitraat (50 mg/l) overschreden. De concentratie van cadmium, chroom en zink lag op respectievelijk 51, 47 en 70 % van de onderzochte locaties boven de streefwaarde. Op een enkele locatie is ook de interventiewaarde voor cadmium en/of zink overschreden.
Sinds de oprichting van het meetnet in 1989 wordt de kwaliteit van het bovenste grondwater onderzocht. Daarnaast wordt ook informatie over de bodemtextuur en omgevingsparameters zoals begroeiing, boomhoogte en dikte van de strooisellaag verzameld. In 2007/2008 is de grondwaterkwaliteit op de overige 75 locaties van het meetnet in kaart gebracht, maar de data daarvan zijn nog niet beschikbaar. Een trendanalyse van de meetgegevens is later voorzien.
Auteurs: Elzakker,B.G. van, K.W. van der Hoek en N.J. MasselinkRapportnummer:RIVM rapport 680721002Jaar van uitgave:2009
Samenvatting:Vanaf december 2007 tot in maart 2008 is op 75 locaties van het TrendMeetnet Verzuring (TMV) de kwaliteit van het bovenste grondwater onderzocht. Met deze gegevens worden in Nederlandse natuurgebieden op zandgrond (bos/heide) de effecten van verzuring op het grondwater in kaart gebracht. Op 5% van de onderzochte locaties is de EU norm voor nitraat (50 milligram per liter) overschreden. De concentratie van cadmium, chroom, nikkel en zink lag op respectievelijk 63, 45, 23 en 87% van de onderzochte locaties boven de streefwaarde. Op een enkele locatie is ook de interventiewaarde voor cadmium, nikkel en zink overschreden.Auteurs:Masselink, N.J en A. de Goffau
Rapportnummer:RIVM rapport 680720001
Hoe ziet de provincie Overijssel en de wereld eromheen eruit over twintig jaar? En wat is daarvan de invloed op de wijze waarop wij leven en samenwerken, en wat kan dit betekenen voor de keuzes waar wij nu voor staan? Samen met de vijf grote steden in Overijssel en de regio Twente werkte het Trendbureau Overijssel mogelijke toekomstbeelden uit in de Trendverkenning Demografie.
Op dit moment zijn regio’s in Nederland afhankelijk van (inter)nationale energienetwerken. Dit maakt ons kwetsbaar en is ook niet altijd de meest duurzame optie. In hoeverre is lokale energiewinning en -distributie een oplossing?
In februari 2009 is de Trendverkenning Energie van start gegaan. In deze trendverkenning onderzoeken we mogelijke toekomsten voor energiewinning en -distributie voor Overijssel in 2030. De resultaten van de trendverkenning zijn terug te vinden op de onderstaande website.
Het RIVM heeft samen met diverse kennisinstituten tien veel voorkomende bodems gekarakteriseerd waar de bodemkwaliteit op orde is, zogeheten referenties voor biologische bodemkwaliteit (RBB). Hier bestonden nog geen criteria voor. Deze referenties kunnen als streefbeeld gebruikt worden om bodemgebruik duurzamer te maken.
De referenties zijn bepaald voor tien combinaties van bodemgebruik (onder andere melkveehouderij, akkerbouw en heide) en bodemtype (zand, veen, klei en loss). Dit is representatief voor driekwart van het bodemoppervlak van Nederland.
Diverse onderzoekers, onder andere op het gebied van bodemecologie, microbiologie en agrarisch bodembeheer, hebben locaties geselecteerd die volgens hun maatstaven een relatief goede bodemkwaliteit hebben. Hiervoor maakten zij gebruik van de gegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) over de toestand van de bodem. Op basis van deze informatie zijn de tien referenties bepaald. Het rapport bevat ook gemiddelde waarden van de biologische, chemische en fysische eigenschappen van de bodem, evenals een maat voor de spreiding van de gegevens. De mate waarin bodemorganismen voorkomen en hun diversiteit zijn ook beschreven.
Auteurs:Rutgers, M., C. Mulder, A.J. Schouten, J. Bloem, J.J. Bogte, A.M. Breure, L. Brussaard, R.G.M. de Goede, J.H. Faber, G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, H. Keidel, G.W. Korthals, F.W. Smeding, C. ten Berg en N. van Eekeren
RIVM rapport 607604008
Twee kwaliteitsreferenties voor een 'gezonde' bodem werden opgesteld, als onderdeel van het raamwerk voor duurzaam bodemgebruik, namelijk voor melkveehouderij op zandgrond en voor halfnatuurlijk grasland op zandgrond. De referenties bestaan uit getalswaarden voor chemische, fysische, biologische en andersoortige parameters. Een stapsgewijze aanpak werd ontwikkeld voor de selectie van de krachtigste indicatoren waarmee de gezondheid van de bodem bepaald kan worden. De aanpak gaat uit van de 'ecologische diensten' van de bodem zoals bodemvruchtbaarheid, weerstand tegen stress en flexibiliteit, de bodem als buffer en reactor, en biodiversiteit. De kwaliteitsreferenties en de stapsgewijze aanpak zijn in opdracht van het Ministerie van VROM opgesteld. De gegevens zijn afkomstig uit het databestand van de langjarige monitoring met de Bodembiologische indicator (Bobi) in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). De achtergrond is het veranderende bodembeleid: niet meer de bescherming van de bodem staat centraal, maar de duurzaamheid van het bodemgebruik.
Auteurs:Rutgers, M., Ch. Mulder, A.J. Schouten, J.J. Bogte, A.M. Breure, J. Bloem, G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, J.H. Faber, N. van Eekeren, F.W. Smeding, H. Keidel, R.G.M. de Goede en L. Brussaard
RIVM rapport 607604007
PRISMA rapportSamenvatting:Tijdens het bestuurlijk overleg op 29 mei 2001 tussen vertegenwoordigers van de ministeries van VROM, BZK en SZW en vertegenwoordigers van IPO en VNG over de uitvoering van het BRZO’99 is afgesproken dat zowel de provincies als de gemeenten in een rapportage de voortgang van de uitvoering van het BRZO’99 per eind december 2001 in beeld brengen. De nu voorliggende rapportage betreft de uitvoering van het BRZO’99 voor inrichtingen waar provincies het coördinerend bevoegd gezag zijn. De focus ligt daarbij op VR-2001 bedrijven (bedrijven die per 3 februari 2001 een veiligheidsrapport moesten aanleveren) en in de tweede plaats op de zgn. PBZO-bedrijven.
Auteur:IPOJaar van uitgave:2001
PRISMA rapportSamenvatting:Het doel van deze rapportage is het informeren van de provinciale bestuurders en andere betrokkenen over de voortgang van de uitvoering van het BRZO’99. De rapportage sluit aan op de rapportage over 2001. De rapportage is tot stand gekomen op basis van afspraken in het landelijke overleg van BRZO-coördinatoren waaraan vertegenwoordigers van de provinciale milieudiensten, de Arbeidsinspectie en de kernregio’s van de Brandweer deelnemen. De kwantitatieve gegevens zijn gebaseerd op opgaven van de vertegenwoordigers van de provinciale milieudiensten. De voortgang is uiteraard de resultante van de gezamenlijke inspanningen van medewerkers van brandweer, Arbeidsinspectie en provinciale milieudiensten.Auteur:IPOJaar van uitgave:2002
PRISMA rapportSamenvatting:Het doel van deze rapportage is het informeren van de provinciale bestuurders en andere betrokkenen over de voortgang van de uitvoering van het BRZO’99. De rapportage sluit aan op de rapportages over 2001 en 2002. De rapportage is tot stand gekomen op basis van afspraken in het landelijke overleg van BRZO-coördinatoren waaraan vertegenwoordigers van de provinciale milieudiensten, de Arbeidsinspectie en de kernregio’s van de Brandweer deelnemen. De kwantitatieve gegevens zijn gebaseerd op opgaven van de vertegenwoordigers van de provinciale milieudiensten. De voortgang is uiteraard de resultante van de gezamenlijke inspanningen van medewerkers van brandweer, Arbeidsinspectie en provinciale milieudiensten.
Auteur:IPOJaar van uitgave:2003
PRISMA rapportSamenvatting:In het Klimaat– en Energieakkoord tussen het Rijk en de Provincies 2009-2011 zijn de doelstellingen en streefcijfers voor klimaatverbetering vastgelegd. In dit rapport zijn de duurzame energie ambities van de provincies, zoals deze in een matrix in dit akkoord zijn opgenomen, nader geactualiseerd en uitgewerkt. Een doel hiervan is om de provincies een beter inzicht te geven in de beleidsmatige consequenties van de duurzame energie doelstellingen voor het eigen grondgebied.
Het rapport bevat tevens concrete aanbevelingen voor zowel de provincies als het Rijk om de voorgenomen ambities te realiseren. Een lange-termijn visie met een meer programmatische aanpak is wenselijk om de ontwikkeling van duurzame energie op het ten doel gestelde niveau te brengen en om ervoor te zorgen dat het ook in de toekomst voldoende politiek-bestuurlijke prioriteit houdt.
Auteurs:Interprovinciaal Overleg (IPO) en Ecofys
Rapportnummer: IPO-publicatienummer 288Jaar van uitgave:2010
Samenvatting:Het model DIVOCOS (DIspersion of VOlatile COntaminantS) is een bruikbaar model om een adequaat meetprogramma op te stellen waarmee tijdens een bodemsanering de luchtkwaliteit in de omgeving kan worden bewaakt. Dit concluderen we aan de hand van een validatiestudie van dit model. Met het model DIVOCOS kunnen de concentraties aan vluchtige stoffen in de lucht worden berekend die vrijkomen tijdens een bodemsanering.
Het belangrijkste doel van deze berekeningen is te bepalen of en in welke vorm er tijdens de sanering metingen moeten worden uitgevoerd om de luchtkwaliteit in de omgeving te bewaken en eventuele blootstellingsrisico's van omwonenden te beperken. In deze studie hebben we gegevens verzameld van 10 bodemsaneringen om het model te valideren en de bruikbaarheid te beoordelen. We hebben het onderzoek gericht op acht stoffen, die verreweg het meest voorkomen in bodem- en grondwaterverontreinigingen in Nederland.
De resultaten geven aan dat het model voor de meeste van deze stoffen concentraties in de leefomgeving berekent die redelijk goed overeenkomen met de gemeten waarden. Voor twee stoffen, beide met een relatief hoge dampdruk, vallen de berekende concentraties systematisch hoger uit dan de gemeten waarden. Auteurs:
Mennen, M.G. en M.H. Broekman
Rapportnummer:RIVM rapport 609021031
PRISMA rapportVolledige titel:‘Van biologentaal naar business language‘. Kansenverkenner voor biodiversiteit en bedrijven in de levensmiddelenverwerkende industrie en de recreatieve sector.Samenvatting:Deze rapportage is een weergave van het PRISMA project ‘Van biologentaal naar business language’. In dit project is een conceptueel kader uitgewerkt voor het verkennen van kansen voor bedrijfsleven en biodiversiteit. Het conceptuele kader is aangevuld met praktijkvoorbeelden uit het bedrijfsleven en een stappenplan voor bedrijven om met dit onderwerp aan de slag te gaan. In samenhang met deze rapportage is het document ‘Biodiversiteit en bedrijventerreinen’, een checklist voor biodiversiteit op bedrijventerreinen (2009) uitgebracht. Deze checklist bevat praktische en concrete tips om biodiversiteit op bedrijventerreinen een impuls te geven.Beide documenten vormen samen een concrete tool voor provincies en gemeenten om een stimulerende rol naar het bedrijfsAuteur:Frederiek van Lienen (Good Company)Jaar van uitgave:2009
Samenvatting:De chemische kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater is sterk verbeterd ten opzichte van enkele decennia terug, maar niet alle doelen worden gehaald. Gevoelige functies als 'natuur', 'recreatie' en 'drinkwater' ondervinden nog steeds problemen. Puntbronnen van verontreiniging zijn ver gesaneerd, diffuse bronnen hebben nu de overhand. Voor de aanpak hiervan is samenwerking nodig. De belangrijkste redenen waarom de doelen niet worden gehaald zijn: onvoldoende afstemming tussen het beleid voor landbouw, milieu en water, weinig politieke prioriteit, nalevering van verontreiniging die is opgehoopt in de land- en waterbodem en aanvoer vanuit het buitenland. De Europese Kaderrichtlijn Water vereist dat het water een goede kwaliteit heeft binnen tien tot hooguit twintig jaar. Een les uit het verleden is dat hiervoor een goede afstemming tussen de verschillende beleidsterreinen en met het buitenland nodig is, evenals samenwerking tussen uitvoerende partijen. Dit is inhoudelijk en bestuurlijk een grote opgave.
Auteurs:Witmer, M.C.H., J. de Jonge en E.L. Enserink
Rapportnummer:RIVM rapport 500799004
Samenvatting:De reistijden van het grondwater in de bodem (in jaren) zijn onmisbaar bij het verklaren van verontreinigingen in het grondwater voor milieukundige overzichten. Gegevens over de concentraties aan tritium (3H) in monsters water uit 332 filters van 187 putten van provinciale meetnetten grondwaterkwaliteit (PMG) in Drenthe, Gelderland, Zuid-Holland en Brabant zijn gebruikt voor bepalingen van reistijden in de bodem en de aanvulling van het grondwater in de zandgebieden. Eerdere resultaten uit het landelijk meetnet zijn nogmaals samengevat. De filters van PMG liggen op een diepte van minder dan 10 tot ongeveer 25 m onder maaiveld.
De tritiumconcentraties leverden waarden op voor de reistijden in de bodem en de aanvulling door de neerslag van het bemonsterde grondwater. In 45 monsters was de 3H concentratie lager dan de detectiegrens. In bepaalde gebieden komt oppervlakkige afvoer van de neerslag voor, zodat de aanvulling van het grondwater kleiner is dan het neerslagoverschot. De belangrijkste oorzaak is het voorkomen van slecht doorlatende lagen in de ondiepe bodem. De analyse van de PMG gegevens toont echter aan dat nog andere factoren een rol kunnen spelen zoals het geringe doorlaatvermogen van de ondergrond in Oost-Gelderland en in delen van De Peel en het voorkomen van Holocene kleilagen in het kustgebied. Het betreft relatief kleine gebieden, zodat de eerder gegeven beelden van de reistijden en de aanvulling van het grondwater gebaseerd op het landelijk meetnet in het algemeen geldig blijven. Auteur:C.R. Meinardi Rapportnummer:RIVM rapport 714801027 Jaar van uitgave:2003
Samenvatting:In de Planologische Kernbeslissing (PKB) Schiphol en Omgeving van 1994 zijn door het kabinet een aantal doelstellingen geformuleerd voor de verbetering van de woon- en leefkwaliteit in de omgeving van de luchthaven. Voor slaapverstoring door luchtvaartgeluid was een forse verbetering vanaf de ingebruikname van de vijfde baan beoogd ten opzichte van de situatie in 1990. Voor deze verbetering was in de PKB een referentiegetal van 39.000 "slaapverstoorden" binnen de 20 dB(A) contour opgenomen, hetgeen overeenkomt met een afname van circa 70% van het aantal slaapverstoorden ten opzichte van 1990. Recent slaapverstoringsonderzoek rond Schiphol uitgevoerd door TNO in samenwerking met het RIVM heeft nieuwe informatie opgeleverd over het verband tussen luchtvaartgeluid en slaapverstoring (RIVM rapport 441520019).
Dit rapport maakt een vergelijking tussen de schattingen van het aantal slaapverstoorden volgens de methodiek van het slaapverstoringsonderzoek rondom Schiphol en de methodiek zoals beschreven in de PKB Schiphol. De resultaten laten zien dat zowel met gebruikmaking van het verband tussen vliegtuiggeluid en slaapverstoring uit de PKB als met die uit het slaapverstoringsonderzoek het aantal slaapverstoorden - na ingebruikname van de vijfde baan - voldoet aan de in de PKB beoogde verbetering ten opzichte van 1990. Binnen de grenswaarden van vliegtuiggeluid bedraagt het aantal slaapverstoorden in de 20 dB(A) nachtcontour volgens de PKB-systematiek 18.800. Volgens de systematiek van het slaapverstoringsonderzoek komt dit op 28.400 uit. Het merendeel van dit verschil (8.000 van de 9.600) is toe te schrijven aan verschillen in actualiteit en de gebiedsdekkendheid van de woning- en bevolkingsbestanden waarmee de aantallen slaapverstoorden worden bepaald. De rest (1600) kan worden verklaard uit het verschil in het verband tussen vliegtuiggeluid en slaapverstoring. Uit het rapport blijkt daarnaast dat, wanneer naar een groter gebied dan de 20 dB(A) contour gekeken wordt, de afname van het aantal slaapverstoorden minder is dan binnen die contour. Het aantal slaapverstoorden binnen de grenswaarden van vliegtuiggeluid daalt ten opzichte van 1990, maar neemt weer toe ten opzichte van 2001, zowel binnen de 20 dB(A) nachtcontour als binnen het grotere gebied.
Auteurs:Houthuijs, D.J.M., C.M.A.G. van Wiechen, C.B. Ameling en O.R.P. Breugelmans
RIVM rapport 441520020
EIS-Nederland zet zich in voor een toename van de kennis over en betere bescherming van insecten en ongewervelden. In dit kader heeft EIS-Nederland verspreidingsatlassen gepubliceerd over verschillende soorten evertebraten. De volgende atlassen zijn uitgebracht:
De atlassen zijn te bestellen op de website van EIS-Nederland.
Samenvatting: Nederland kent tientallen stiltegebieden, aangewezen door de provincies. Stiltegebieden zijn beschermingsgebieden waarin natuurlijke geluiden overheersen. Het woord ‘stilte’ betekent niet dat er helemaal geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. Stiltegebieden zijn van belang voor de rustzoekende recreant en de flora en fauna. Activiteiten die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden, zijn niet mogelijk in het gebied dat als stiltegebied is aangewezen. Gebiedseigen geluiden, zoals die van de landbouw, zijn hiervan uitgesloten. Stiltegebieden vinden we op unieke plekken in ons landschap. Plekken die vaak in de knel zitten. De druk op de ruimte is groot. Veel verschillende functies vechten om een plek. Maar wie verheft zijn stem voor de stilte? Misschien meer dan ooit is het nodig dat we stilte in ons roerige bestaan een plek geven. Stilte en rust zijn schaars geworden. Als we niet uitkijken, heeft de stilte straks nergens meer een plek. En dat zou onze leefkwaliteit enorm verslechteren.
Betrokkenen moeten samen onderzoeken hoe zij de kwaliteit van stiltegebieden kunnen benutten en versterken. Met alleen een aanwijzing, een bord ervoor en wat beschermende maatregelen komen we er niet. Stilte krijgt pas waarde als mensen haar kunnen ervaren. Als zichtbaar en voelbaar wordt hoe stilte en rust bijdragen aan de kwaliteit van leven voor ieder die daar oog voor heeft.
Dit document is bedoeld om perspectief te bieden aan provincies, gemeenten, terreinbeheerders en andere betrokkenen die het beleid rond de stiltegebieden willen versterken en concretiseren. Het richt zich in eerste instantie op de provincies. Juist zij spelen een sleutelrol in de ontwikkeling van de ruimte in ons land. Provincies hebben de kerntaak zich in te zetten voor ruimtelijke kwaliteit. Voor het beschermen, ontwikkelen en versterken van de bijzondere karakteristieken van gebieden in ons land, over functiegrenzen heen. Gebieden met vaak unieke kenmerken, die de dragers zijn van ons culturele erfgoed en tegelijkertijd letterlijk het fundament vormen waar onze toekomst op wordt gebouwd.
Als voorvechters van ruimtelijke kwaliteit zetten de provincies zich ervoor in dat de ruimte meer is dan ‘een plek voor vele functies’, dat ruimte zelf ook kwaliteit vertegenwoordigt. Daarom maken provincies zich sterk voor variëteit en diversiteit, voor het landschap, voor ons erfgoed, voor schoonheid, voor openheid en tegen verrommeling. Daarom ook willen de provincies een bijdrage leveren aan het vergroten van de kansen voor stilte en rust. Dat is begonnen met het aanwijzen van de stiltegebieden. Maar er is meer nodig. Om stiltegebieden te beschermen én om te stimuleren dat ze gewaardeerd en beleefd kunnen worden door hun burgers, moeten concrete richtlijnen en kwaliteitseisen vastgelegd worden in provinciaal beleid. Die moeten worden doorvertaald naar verordeningen en handhaving.
Echter, provinciaal beleid en regelgeving alleen zijn zeker niet voldoende. Om stiltegebieden succesvol te gebruiken en te ontwikkelen, om te zorgen dat burgers (en bedrijven) ter plekke deze gebieden maximaal kunnen beleven, is lokale actie nodig.
Daarom nemen de provincies met dit document het initiatief om ook anderen te stimuleren na te denken over de kansen voor de stiltegebieden. Naast behoud is er ruimte voor ontwikkeling. Nieuwe instrumenten zijn daarvoor nodig. En nieuwe ideeën. Een nieuw verbond ook. Met lokale partijen die de kracht van de stilte kunnen ontdekken en benutten. De kracht voor wonen en werken. Voor recreëren. Voor natuur en milieu. Voor gezondheid ook, of voor bezinning en cultuur.
Dit betekent dat beleid voor stiltegebieden altijd twee samenhangende sporen zal moeten kennen:
1. Het spoor van behoud en bescherming. Stiltegebieden zijn vaak uniek en onvervangbaar. Dat vraagt om heldere spelregels. Gebieden die door de provincie als stiltegebied zijn aangewezen, moeten worden behouden en beschermd. Het is daarom van belang dat kwaliteitseisen, criteria en regels vanuit de provincie duidelijk zijn. En dat de handhaving ervan serieus wordt aangepakt. Dat vraagt per stiltegebied om een conserveringsplan.
2. Het spoor van beleving en ontwikkeling. Een stiltegebied krijgt pas betekenis als de stilte echt kan worden beleefd. Dat legt op betrokkenen, provincie, gemeente, terreinbeheerders, gebruikers de verplichting samen
na te denken over mogelijkheden hiertoe. En samen tot een ontwikkelingsplan op maat te komen.
In dit document staat op samenhangende wijze beschreven, welke kansen en bedreigingen er zijn voor de stiltegebieden. En welke mogelijkheden provincies, samen met betrokkenen, hebben om die stiltegebieden een impuls te geven.
Om tot dit document te komen is een uitgebreide analyse gedaan van de huidige praktijk. Ook heeft een groot aantal expertinterviews plaatsgevonden met vertegenwoordigers uit tal van sectoren die op de een of andere manier met stiltegebieden in aanraking komen. Het document is daarmee enerzijds een staalkaart van mogelijkheden geworden voor het werken aan stiltegebieden. Het stuk is daarom doorspekt met concrete voorbeelden uit de praktijk, met praktische verwijzingen. Anderzijds biedt het document een concreet handvat om in bestuurlijke zin aan de slag te gaan. Voor dit laatste doel bevat het document een Plan van Actie (Hoofdstuk 4).
In stiltegebieden is veel mogelijk, ook binnen scherpe grenzen van bescherming en behoud. We roepen al diegenen die zich betrokken voelen bij de stiltegebieden in hun omgeving op, die mogelijkheden te onderzoeken en zich in te zetten voor het vergroten van de zo noodzakelijke ruimte voor de stilte.
Auteurs:Vroemen, J.H.G.M., E. Schoute, M.E. de Winter, P.A.D. Hamersma, H.J. Feberwee, E. Halsema, J.S.P. Welten, T. Ottens, J.G.F. de Wijs, H. Willems, J.A.Verstegen, J. Elzinga en M.J. van Asten
In de Vogelbalans rapporteert SOVON jaarlijks over de toestand en trends van de Nederlandse vogels. De informatie wordt ontleend aan de verschillende tellingen en onderzoeken die door SOVON worden georganiseerd.
Vogelbalans 2010Vogelbalans 2009Vogelbalans 2008Vogelbalans 2007
Samenvatting:In de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is bepaald dat concentraties van verontreinigende stoffen in grondwater niet mogen stijgen. In de tien jaar dat deze richtlijn van kracht is, bleek dat het in de praktijk erg lastig is om een dergelijke stijging vast te stellen. Het RIVM geeft daarom, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) praktische adviezen om de belangrijkste problemen hierbij aan te pakken. Uitgangspunt daarbij is de beschikbare informatie op de juiste manier te gebruiken en te interpreteren in plaats van meer te gaan meten. Zo kan met weinig gegevens toch al een (soms voorzichtige) conclusie worden getrokken.
Auteurs:Verweij, W.H.J., M.C. Zijp, L.J.M. Boumans en H.F.R. Reijnders
Rapportnummer:607402002
Samenvatting:Het Landelijk Steunpunt Verdroging heeft ten behoeve van de Voortgangsrapportage per TOP-gebied een vragenlijst opgesteld en toegezonden aan de provincies. Alle provincies hebben hierop gereageerd, waarbij sommige de toegezonden vragenlijsten niet hebben ingevuld, maar geaggregeerd op provinciaal niveau, gegevens beschikbaar hebben gesteld. Het rapport beperkt zich tot het presenteren van gegevens en gaat niet in op vervolgstappen die op basis van deze Voortgangsrapportage Verdrogingsbestrijding kunnen worden gezet.
Rappportage over de knelpunten luchtkwaliteit in de provincie Zuid-Holland langs provinciale-, gemeentelijke- en rijkswegen.
Contactpersoon:K. Bojanova Telefoon: 070 - 441 84 35
Samenvatting:In dit rapport is de bruikbaarheid geanalyseerd van het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit voor de berekening van de kwaliteit van de flora ten behoeve van de Natuurwaarde graadmeter. Veranderingen in de plantensamenstelling kunnen worden bepaald doordat presentie van afzonderlijke plantensoorten in de huidige situatie kunnen worden vergeleken met een historische referentiesituatie. Informatie over presentie zijn met het Landelijk Meetnet Flora beschikbaar gekomen. In dit rapport worden bestaande referenties gecombineerd die zijn gebaseerd op de botanische kwaliteit en de oppervlakte. Hierbij is gebruik gemaakt van referentiestudies van Alterra (Smits en Schaminee, 2002) en FLORON (Groen en Van der Meijden, 1997).
Met de resultaten in dit rapport kan de kwaliteit van de flora worden berekend. Het doel van dit rapport is te onderzoeken of het LMF-M&N bruikbaar is voor de graadmeter Natuurwaarde. De benodigde keuzes die aan de voorgestelde methode ten grondslag liggen worden onderbouwd en expliciet vast gelegd, zodat de Natuurwaarde voor de flora reproduceerbaar en verbeterbaar is. De aanleiding voor dit rapport is het vrijkomen van data uit een nieuw meetnet, het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit. De berekening van de Natuurwaarde met de LMF-M&N gegevens, is op een aantal punten, een verbetering voor de bepaling van de Natuurwaardegraadmeter.
Voor de kwaliteitsberekening van de flora voor de Tweede Natuurverkenning (2002) werd nog gebruik gemaakt van presentie/ absentie data per kilometerhok uit FLORBase. Het LMF-M&N, daarentegen meet niet alleen de presentie/ absentie van soorten, maar meet ook de abundantie per soort. Het gebruik van deze abundanties kan de Natuurwaardegraadmeter veel gevoeliger maken. Ontwikkelingen in de kwaliteit van de Nederlandse natuur kunnen veel frequenter worden gesignaleerd omdat een meetronde van het LMF-M&N maar vier jaar duurt. In dit rapport zijn keuzes beschreven aangaande de gebiedsindeling, soortselectie de bepaling van de berekeningswijze van de kwaliteit van de flora. Het gaat om: De bepaling hoe gegevens uit het LMF-M&N en de referentie kunnen worden gebruikt voor de berekening voor de Natuurwaarde. de bepaling van de precieze berekeningsgrondslag/ methode voor het kwaliteitsaspect van de Natuurwaarde. De selectie van kenmerkende soorten voor de bepaling van de florakwaliteit. Aanbevelingen voor verbeteringen van de soortselectie en het referentie-onderzoek.
Alle resultaten overziend lijkt het dat voor de volgende strata een betrouwbare Natuurwaarde berekend kan worden: hogere zandgrond halfnatuurlijk grasland, laagveen halfnatuurlijk grasland, laagveen moeras en rivierengebied halfnatuurlijk grasland. De rest van de strata hebben onvoldoende gescoord op een of meerdere overwegingen.
Auteurs:Knegt, B. de, M.P. van Veen en M.L.P. Esbroek
RIVM rapport 718101002
De WaddenBarometer 2009 biedt een compact overzicht van de toestand en trends in het Waddengebied. De barometer bevat verschillende thema's, van levende natuur tot werkloosheidscijfers en militaire activiteiten.
Contactpersoon: Piet Feddema
Samenvatting:TNS NIPO Consult is gevraagd om inzicht te verschaffen in welke onderwerpen en consideraties spelen onder de inwoners van de provincie Overijssel. Via een burgerconsultatie is nagegaan wat er speelt onder de inwoners van de provincie en wat zij vinden dat hieraan gedaan kan worden. De doelstelling van de burgerconsultatie is tweeledig: aan de ene kant inzicht krijgen in alle aspecten die de inwoners van Overijssel belangrijk vinden aan hun leefomgeving, aan de andere kant kansen en bedreigingen die zij voor hun leefomgeving zien in kaart brengen.
Auteurs:Mazor, L., E. Bemer, D. Sligte en E. Swinkels
De rapportage Water in Beeld verschijnt jaarlijks onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Bestuurlijk Overleg Water (LBOW). In het LBOW overlegt de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat met de vertegenwoordigers van de partijen die betrokken zijn bij het waterbeheer in Nederland: ministeries, provincies, gemeenten en waterschappen. Water in Beeld legt de voortgang vast van het integrale waterbeheer in Nederland. De rapportage informeert de waterbeheerders in Nederland over de stand van zaken op het brede terrein van water en wordt tevens als bijlage aangeboden bij de verantwoording van het ministerie van Verkeer en Waterstaat aan de Tweede Kamer.
Zie de website voor de rapporten.
Tussenbalans met een zo actueel mogelijk beeld van de water- en milieukwaliteit in de provincie Utrecht nauw gerelateerd aan de doelstellingen in het waterhuishoudingsplan en milieubeleidsplan.
Volledige titel:Waterplanten als maat voor de biologische kwaliteit van oppervlaktewateren: Biotoets met 15 plantsoorten in de Noardlike Fryske Wâlden
Samenvatting:De kwaliteit van het water in sloten en vaarten, poelen en plassen is eenvoudig af te lezen aan de planten die in het water groeien. Met deze handleiding kan in Friesland met behulp van 15 ter plaatse voorkomende plantensoorten de waterkwaliteit worden vastgesteld.
Auteur:E.J. Weeda
PRISMA rapportSamenvatting:De WaterPrestatie op Locatie (WPL) is een nieuw instrument: het kan worden ingezet als adviesinstrument voor de toets en als meetinstrument voor watergerelateerde duurzaamheidsaspecten.Auteurs:Baartmans, R., M. Smit en A. WeberJaar van uitgave:2004
PRISMA rapportSamenvatting:De WaterPrestatie op Locatie (WPL) is een nieuw instrument: het kan worden ingezet als adviesinstrument voor de toets en als meetinstrument voor watergerelateerde duurzaamheidsaspecten.Auteurs:Baartmans, R., M. Smit en A. WeberJaar van uitgave:2003
De waterwijzer is een gemeenschappelijke rapportage van Provincie Flevoland en Waterschap Zuiderzeeland over de toestand van het watersysteem en de implementatie van het NBW in Flevoland. Op de site vindt u actuele toestandsinformatie in de vorm van een serie vragen en antwoorden. De informatie wordt ondersteund door tabellen, grafieken en kaarten.
Het werkboek 'Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden' wordt door de provincies gebruikt bij het houden van toezicht op badinrichtingen. De informatie uit het werkboek was tot op heden beschikbaar via de website van InfoMil. In afwachting van de nieuwe landelijke zwemwaterwebsite is de informatie nu tijdelijk beschikbaar via het Monitoringportaal.Relevante publicaties:Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenhedenBesluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenhedenRegeling hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden
De provincie Zuid-Holland publiceert jaarlijks statistieken van een aantal wezenlijke maatschappelijke ontwikkelingen. Voor 21 onderwerpen worden ontwikkelingen en trends binnen de provincie Zuid-Holland op kaart gepresenteerd. Het gaat bijvoorbeeld om milieu, land- en tuinbouw, senioren, wonen, kwaliteit leefomgeving, (innovatieve) economie en vrijetijdsbesteding.
Contact:Secretariaat afdeling Economische zakenTelefoon: 070 - 441 70 02
Organisatie:Provincie Zuid-HollandFunctie/taken:
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 65 57
Organisatie:Provincie Noord-Holland
Functie/taken:
Postadres:Postbus 30072001 DA Haarlem Telefoon: 023 - 514 4712
Organisatie:DCMR MilieudienstFunctie/taken:
Postadres:Postbus 8433100 AV SchiedamTelefoon: 010 - 246 82 87
Organisatie:Provincie GelderlandFunctie/taken:
Postadres:Postbus 9090 6800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 86 78
Organisatie:Planbureau voor de LeefomgevingFunctie/taken:
Postadres:Postbus 3033720 AH BilthovenTelefoon: 030 - 274 35 31
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 76 55
Organisatie:Provincie Overijssel
Postadres:Postbus 100788000 GB ZwolleTelefoon: 038 - 49 99 485
Organisatie:Provincie Drenthe
Postadres:Postbus 1229400 AC AssenTelefoon: 0592 - 36 58 41
Postadres:Postbus 1232000 MD HaarlemTelefoon: 023 - 514 31 43
Organisatie:Provincie UtrechtFunctie/taken:
Postadres:Postbus 803003508 TH UtrechtTelefoon: 030 - 258 91 11
Organisatie:Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)Functie/taken:
Postadres:Postbus 13720 BA BilthovenTelefoon: 030 - 274 24 25Fax: 030 - 228 75 31
Organisatie:Interprovinciaal OverlegFunctie/taken:
Post- en bezoekadres:Muzenstraat 61Postbus 161072500 BC Den HaagTelefoon: 070 - 888 12 43
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 63 76
Organisatie:provincie Gelderland
Organisatie:Provincie ZeelandFunctie/taken:
Postadres:Postbus 1654330 AD MiddelburgTelefoon: 0118 - 63 17 75
Organisatie:Provincie Utrecht, Sector MST
Postadres:Postbus 803003500 TH UtrechtTelefoon: 030 - 258 31 11
Organisatie: Provincie Gelderland
Postadres:Postbus 9090 6800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 86 68
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 84 35
Organisatie:DCMR MileudienstFunctie/taken:
Postadres:Postbus 8433100 AV SchiedamTelefoon: 010 - 246 85 19
Organisatie:Provincie Zeeland
Postadres:Postbus 165 4330 AD MiddelburgTelefoon: 0118 - 63 19 48
Organisatie:Provincie Noord-HollandFunctie/taken:
Postadres:Postbus 1232000 MD HaarlemTelefoon: 023 - 514 39 84
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 72 78
Organisatie: Centraal Bureau voor de Statistiek
Telefoon (receptie CBS): 070 - 337 38 00
Organisatie:Provincie Gelderland
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon (centrale): 026 - 359 91 11Telefoon (direct): 026 - 359 87 84
Post- en bezoekadres:Houtplein 33Postbus 30072001 DA HaarlemTelefoon: 023 - 514 3661
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 95 09
Organisatie:Wageningen UR, Wettelijke OnderzoeksTaken Natuur & MilieuFunctie/taken:
Postadres:Postbus 47 6700 AA WageningenTelefoon: 0317 - 48 68 03 Fax: 0317 - 41 90 00
Organisatie: Provincie Noord-Holland
Telefoon: 023 - 51 44 605
Organisatie:Provincie Zuid-Holland
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 73 39
NB: Per 1 maart 2009 gedetacheerd bij de gemeente Utrecht Plaatsvervangers : Mevrouw J. van Vliet (ProCoMo Zuid-Holland; 070 - 441 66 11) en Tanja Verbeeten (070 - 441 7872)
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 95 94
Organisatie:Provincie Limburg
Postadres:Postbus 57006202 MA MaastrichtTelefoon: 043 - 389 8933
Organisatie:IPO en Provincie Utrecht Functie/taken:
Telefoon: 030 - 258 31 37
Organisatie:Provincie Drenthe, team WaterbeleidFunctie/taken:
Postadres:Postbus 1229400 AC AssenTelefoon: 0592 - 36 58 62
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 84 83
Adres:Antonie van Leeuwenhoeklaan 93721 MA BilthovenTelefoon: 030 - 27 434 18
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 66 64
Wil van Duijvenbooden heeft per december 2010 zijn werkzaamheden voor IPO beëindigd (pensionering).
Organisatie:Interprovinciaal Overleg
Postadres:Postbus 16107 2500 BC Den HaagTelefoon: 070 - 888 12 46
Organisatie:Centraal Bureau voor de Statistiek
Telefoon: 070 – 337 42 00
Postadres:Postbus 90906800 GX Arnhem
Organisatie:Adviesburo Fast AdviesFunctie/taken:
Adres:Oudwijkerlaan 433581 TB Utrecht Telefoon: 030 - 251 8025
Organisatie:Provincie LimburgFunctie/taken:
Postadres:Postbus 57006202 MA MaastrichtTelefoon: 043 - 389 99 99
Organisatie:Provincie Utrecht
Postadres:Postbus 803003508 TH UtrechtTelefoon: 030 - 258 38 62
Organisatie:Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)Functie/taken:
Postadres:Postbus 3033720 AH Bilthoven Telefoon: 030 - 274 33 61
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 83 55
Organisatie:Provincie FryslânPostadres:Postbus 201208900 HM LeeuwardenTelefoon: 058 - 292 51 71
Postadres:Postbus 8433100 AV SchiedamTelefoon: 010 - 246 84 85
Organisatie: Interprovinciaal Overleg (IPO)
Telefoon: 070 - 888 12 46
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 99 42
Organisatie:Provincie Drenthe, team BodembeleidFunctie/taken:
Postadres:Postbus 122 9400 AC AssenTelefoon: 0592 - 36 58 54
Postadres:Postbus 1232000 MD HaarlemTelefoon: 023 - 514 39 73
Organisatie:Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Postadres:Postbus 20401 2500 EK Den Haag Telefoon: 070 - 378 68 68
Postadres:Provincie OverijsselPostbus 100788000 GB ZwolleTelefoon: 038 - 49 99 492
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 83 71
Organisatie:Provincie Drenthe, team Landschap en NatuurFunctie/taken:
Postadres:Postbus 1229400 AC AssenTelefoon: 0592 - 36 55 09
Organisatie:Provincie Drenthe, team Waterbeleid
Postadres:Postbus 1229400 AC AssenTelefoon: 0592 - 36 57 59
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon (centrale) : +31 (026) 359 91 11Telefoon (direct) : +31 (026) 359 8978
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 91 11
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 99 63
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 61 44
Postadres:Postbus 3033720 AH Bilthoven Telefoon (Direct): 030 - 274 29 79Telefoon (Geoloket) 030 - 274 33 33
Postadres:Postbus 803003500 TH UtrechtTelefoon: 030 - 258 39 20
Organisatie:Provincie Noord-Brabant
Adres:Brabantlaan 15216 TV 's HertogenboschTelefoon: 073 - 680 81 19
Organisatie:Provincie Flevoland, afdeling MW
Postadres:Postbus 558200 AB LelystadTelefoon: 0320 - 26 54 29
Organisatie:Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Telefoon: 030 - 274 9111
Organisatie:Planbureau voor de Leefomgeving
Postadres:Postbus 3033720 AH Bilthoven
Bezoekadres:Antonie van Leeuwenhoeklaan 9 3721 MA BilthovenTelefoon (direct): 030 - 274 37 76Fax: 030 - 274 44 85
Postadres:Postbus 901515200 MC 's-HertogenboschTelefoon: 073 - 681 28 12
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 61 90
Organisatie:Erasmus Universiteit RotterdamFunctie/taken:
Publicaties op het terrein van monitoring zijn onder meer:Kool, D. de & Buuren, M.W. van (2004) Monitoring: functional or fashionable. Economy & Society, 26, 173-193. Klik hier voor dit rapport. Kool, D. de (2005). Monitoring in het openbaar bestuur: signaal, strijd of symbool? In P.J. Prins (Ed.), Handboek sturing in de sociale sector (pp. 1-20). Den Haag: Elsevier bedrijfsinformatie. Kool, D. de (2007a)Monitoring in beeld: een studie naar de doorwerking van monitors in interbestuurlijke relaties, Erasmus Universiteit Rotterdam (proefschrift). Kool, D. de (2007b) “Monitoring in beeld”in: Bestuurskunde, jaargang 16, nummer 2, pp. 92-103. Kool D. de (2007c) “Monitoring in het openbaar bestuur”in: Overheidsmanagement, nummer 10 (oktober), pp. 6-10.Kool, D. de (2007d) “Leren met GIS: PolStat van Politie Rotterdam-Rijnmond” in: Het Tijdschrift voor de Politie, nummer 11, pp. 14-18. Kool, D. de (2008) “GIS en beleid: leren met de Regiomonitor Amsterdam”in: GIS-Magazine, jaargang 6, nummer 5, pp. 36-37. Kool, D. de (2008) Inventarisatie Rijksmonitors 2008 en administratieve lasten", Center for Public Innovation: Rotterdam (juli 2008), rapport. Kool, D. de (2008)“Rational, political and cultural uses of performance monitors: the case of the Dutch Urban Policy”in: W. van Dooren and S. van de Wall (Eds). Klik hier voor dit rapport.“Performance Information in the Public Sector: How it is Used”, Palgrave Macmillan: New York (ISBN 978-0-230-55197-8). Kool, D. de, met medewerking van V.J.J.M. Bekkers (2008) Monitoring in kaart: een studie naar de doorwerking van op GIS gebaseerde beleidsinformatie in het leerproces van organisaties die een rol spelen bij de uitvoering van beleid, Center for Public Innovation: Rotterdam (november 2008).
Telefoon: 010 408 2718www.risbo.nl
www.publicinnovation.nl
Organisatie:Ministerie van Infrastructuur & Milieu
Postadres:I&M / Portefeuille Ruimte / Directie Leefomgevingskwaliteit) / ipc 360 Postbus 30940 2500 GX Den HaagTelefoon: 070 - 33 94 292
Organisatie:3DTransition
Post- en bezoekadres:Bas Backerlaan 57316 DX ApeldoornTelefoon: 055 - 53 43 870
Organisatie:Provincie Flevoland, afdeling RWNFunctie/taken:
Postadres:Postbus 558200 AB LelystadTelefoon: 0320 - 26 57 93
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 86 45
Organisatie:Provincie Fryslân, afdeling WaterFunctie/taken:
Postadres:Postbus 20120 8900 HM LeeuwardenTelefoon: 058 - 292 55 87
Organisatie: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en MilieuFunctie/taken:
Postadres:Postbus 13721 BA BilthovenTelefoon: 030 - 274 9111
Postadres:Postbus 209012500 EX Den HaagTelefoon: 070 - 351 61 71
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 74 31
Postadres:Postbus 100788000 GB Zwolle Telefoon: 038 - 499 9476
Social media:LinkedIn: Gerard NienhuisTwitter: gerardnienhuisProfiel op GBO provincies: Gerard Nienhuis
Organisatie: Provincie Utrecht
Postadres:Postbus 803003508 TH UtrechtTelefoon: 030 - 258 21 44
Postadres:Postbus 100788000 GB Zwolle Telefoon: 038 - 499 94 86
Postadres:Postbus 57006202 MA MaastrichtTelefoon (direct): 043 - 389 75 13
Postadres:Postbus 1232000 MD HaarlemTelefoon: 023 - 514 36 96
Postadres:Postbus 1232000 MD HaarlemTelefoon: 023 - 514 53 20
Postadres:Postbus 3033720 AH Bilthoven Telefoon: 030 - 274 31 66
Postadres:Postbus 901515200 MC ’s-Hertogenbosch Telefoon: 073 - 6812443
Social media:LinkedIn: http://nl.linkedin.com/in/cquarles/nl
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 95 25
Organisatie:KplusV organisatieadvies
Organisatie:Provincie Fryslân
Postadres:Postbus 201208900 HM Leeuwarden Telefoon: 058 - 292 5241
Postadres:Postbus 1232000 MD HaarlemTelefoon: 023 - 514 51 51
Organisatie:Infoplan
Organisatie: Adviesburo Schouten
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 60 72
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 99 49
Telefoon: 070 - 337 38 00
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 86 87
Organisatie:Provincie Drenthe, team Landschap en Natuur
Postadres:Postbus 1229400 AC AssenTelefoon: 0592 - 365 449
Telefoon: 070 – 337 41 03
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 88 05
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 80 18
Organisatie:Provincie GroningenFunctie/taken:
Postadres:Postbus 6309700 AP GroningenTelefoon: 050 - 316 4983
Postadres:Postbus 1229400 AC AssenTelefoon: 0592 - 36 56 44
Postadres:Postbus 57006202 MA MaastrichtTelefoon: 043 - 389 29 08
Organisatie:Provincie FryslânFunctie/taken:
Postadres:Postbus 201208900 HM LeeuwardenTelefoon: 058 - 292 59 25
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 66 11
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 95 26
Postadres:Postbus 60014330 LA MiddelburgTelefoon: 0118 - 63 10 11
Organisatie:SGBO, adviesbureau voor beleidsvraagstukkenFunctie/taken:
Postadres: Postbus 102422501 HE Den Haag
Bezoekadres:Korte Houtstraat 20 a-b2511 CD Den HaagTelefoon: 070 - 310 3800
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 99 03
Postadres:Postbus 90906800 GX ArnhemTelefoon: 026 - 359 99 59
Postadres:Postbus 100788000 GB Zwolle Telefoon: 038-4999484
Social media:LinkedIn: Arne WilligenburgTwitter: AWilligenburg
Postadres:Postbus 55 8232 PH LelystadTelefoon: 0320 - 26 54 34
Postadres:Postbus 1232000 MD HaarlemTelefoon: 023 - 514 35 66
Postadres:Postbus 30072001 MD HaarlemTelefoon: 023 - 514 4413
Postadres:Postbus 6109700 AP GroningenTelefoon: 050 - 316 49 75
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 64 61
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 72 83
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 66 86
Telefoon: 030 - 258 22 91
Oud-beheerder Monitoringportaal
Telefoon: 030 - 258 38 10
Organisatie:Webwork
Adres:Belle van Zuylenhof 151277 CT HuizenTelefoon: 035 - 52 59 396
Organisatie:Provincie Gelderland (afdeling Handhaving, team BWON)
Postadres:Postbus 9090 6800GX Arnhem Telefoon: 026 - 359 88 45
Telefoon: 070 - 888 12 17
Organisatie:AgentschapNL (Directie Milieu en Leefomgeving)
Post- en bezoekadres:Juliana van Stolberglaan 3 Postbus 93144 2509 AC Den HaagTelefoon: 070 - 373 5592
Adres:Zuid-Hollandplein 12509 LP Den Haag
Organisatie: De Heer & Co., communicatiebureau voor natuur en leefomgeving
Post- en bezoekadres:Boothstraat 1C3512 BT UtrechtTelefoon: 030 - 275 1326
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 60 48
Organisatie: Interprovinciaal Overleg
Telefoon: 070 - 888 12 10
Telefoon: 070 - 888 12 31
Telefoon: 026 - 359 87 92
Organisatie: Ministerie van Financiën
Postadres: Postbus 20201 2500 EE Den HaagBezoekadres: Prinses Beatrixlaan 5122595 BL Den Haag Telefoon: 070 - 342 80 00
Telefoon: 0592 - 36 58 22
Organisatie:Interprovinciaal Overleg (IPO)Functie/taken:
Post- en bezoekadresMuzenstraat 61Postbus 161072500 BC Den HaagTelefoon: 070 - 888 12 24
Organisatie:Waterschap Velt en VechtFunctie/taken:
Postbus 330 7740 AH CoevordenTelefoon: 0524 - 59 22 22
Organisatie: Capgemini Consulting, Practice Public & HealthFunctie/taken:
Postadres:Postbus 25753500 GN UtrechtTelefoon: 06 - 533 77 058
Postadres:Postbus 906022509 LP Den HaagTelefoon: 070 - 441 77 67
Beheerder MonitoringPortaal (ingehuurd via Randstad)
Tel: 06-10683809
Telefoon: 070 - 888 12 52
Telefoon: 030 - 258 21 50
Organisatie:Provincie Brabant
Telefoon: 073 - 680 84 82
Telefoon: 043 - 389 76 48
Organisatie:Bureau Medische Milieukunde, onderdeel van GGDFunctie/taken:
Postadres:Postbus 33694800 DJ Breda
Bezoekadres:Schorsmolenstraat 64811 VP BredaTelefoon: 076 - 52 82 238
Organisatie: Provincie Zuid-HollandFunctie/taken:
Telefoon: 070 - 441 64 43
Telefoon: 058 - 292 58 64
Nummer: 78
Verzamelde informatieGroepsrisico en plaatsgebonden risico per bron/bedrijfstak in Nederland. Groepsrisico = de kans op een ramp van een bepaalde omvang. Plaatsgebonden risico = de kans van een denkbeeldig persoon op een bepaalde plek om dodelijk slachtoffer te worden van een ramp. Bronnen/bedrijfstakken: -LPG-tankstations; -Luchthavens (zie ook nr. 76); -Spoorwegemplacementen; -VR-plichtige bedrijven (zie ook nr. 77); -Transport over weg; -Transport over spoor (alleen plaatsgebonden risiso); -Gasleidingen (alleen plaatsgebonden risico). Groepsrisico wordt per bron en voor alle bronnen samen (totaal) berekend; Bij het plaatsgebonden risico worden voor verschillende risiconiveaus/risiconormen het aantal blootgestelde personen en het ruimtebeslag berekend.
Wijze van gegevensverzamelingDe berekening van de risico's PER BRON/BEDRIJFSTAK betreft de som van afzonderlijke groepsrisico's en plaatsgebonden risico's, welke al berekend worden door verschillende instanties: -Risico's van de bron 'VR-plichtige bedrijven': op basis van gegevens over groepsrisico's en plaatsgebonden risico's in veiligheidsrapporten van individuele bedrijven; -Risico's van de bron 'Schiphol' en 'luchthavens': op basis van berekeningen van het NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium); -Risico's van de bron 'transport van gevaarlijke goederen over de weg': op basis van gegevens van AVV (zie nr. 88) -Risico's van de bron 'transport van gevaarlijke goederen over het spoor': op basis van gegevens van AVV (zie nr. 89); -Risico's van de bron 'LPG-tankstations': op basis van gegevens het Ministerie van VROM; -Gasleidingen; op basis van gegevens van de Gasunie; -Spoorwegemplacementen; .
Instanties die gegevens aanleverenAVVNLRBedrijven
DatabeheerRIVM
OpenbaarheidOpenbaar via Compendium van de Leefomgeving ..
Nummer: 103
Verzamelde informatieLuchtkwaliteit langs Rijkswegen.Concentraties stikstofdioxide (NO2), fijn stof/zwevende deeltjes (PM10), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO).
Wijze van gegevensverzamelingBerekening op basis van het VLW-computermodel (Voorspellingssysteem Luchtkwaliteit Wegtracé's). Achtergrondconcentraties worden door het RIVM gemeten en berekend.
Instanties die gegevens aanleverenRIVM
DatabeheerRijkswaterstaat
OpenbaarheidInformatie is o.a. terug te vinden in provinciale rapportages luchtkwaliteit.
Nummer: 86
Verzamelde informatieGehalte van verontreinigende stoffen in bodem en freatisch grondwater.-In 10 van de 12 provincies wordt kwaliteit freatisch (bovenste) grondwater gemeten (in Flevoland en Overijssel niet);-9 van de 12 provincies beschikken over provinciaal meetnet bodemkwaliteit;-8 van de 12 provincies meten de zware metalen in bodem.
Wijze van gegevensverzamelingProvinciale Meetnetten Bodemkwaliteit
Instanties die gegevens aanleveren
DatabeheerProvincies
Openbaarheid
Nummer: 106
Verzamelde informatieStand van zaken uitvoering Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW).O.a. aantal Megawatt (MW) gerealiseerd vermogen aan windenergie, landelijke en per provincie.Toelichting: In BLOW is een landelijke doelstelling van 1500 MW (Megawatt) vermogen aan windenergie voor 2010 geformuleerd. Deze doelstelling van 1500 MW is verdeeld in de volgende provinciale taakstellingen:-Groningen 165 MW-Fryslân 200 MW-Drenthe 15 MW-Overijssel 30 MW-Gelderland 60 MW-Flevoland 220 MW-Utrecht 50 MW-Noord-Holland 205 MW-Zuid-Holland 205 MW-Zeeland 205 MW-Noord-Brabant 115 MW-Limburg 30 MW(Totaal 1500 MW).
Wijze van gegevensverzamelingAlle partijen van de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW) leveren elk jaar een jaarverslag in over de uitvoering van BLOW, die gebundeld worden tot één jaarlijkse rapportage.Partijen:-IPO (Interprovinciaal Overleg),-Ministerie van EZ,-Minsiterie van VROM,-Ministerie van LNV,-Ministerie van V&W,-Ministerie van Defensie,-VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten).
Instanties die gegevens aanleverenMinisterie van VROMMinisterie van LNVMinisterie van DefensieVNG
DatabeheerBij LSOW, waarvoor SenterNovem het secretariaat voert.
OpenbaarheidJa. Jaarverslag BLOW (bundeling van afzonderlijke jaarverslagen van betrokken ministeries, provincies en VNG) is te downloaden via de website van NOVEM
Nummer: 71
Verzamelde informatieGegevens over voortgang bodemsaneringsoperatie. Tevens gegevens t.b.v. van Landsdekkend Beeld, (de 'werkvoorraad' nog te saneren en te onderzoeken lokaties).-Lokatie;-Fase;-Inzet van middelen;-Inzet van financiële en juridische instrumentenie.Zie voor meer informatie Bijlagen 8 en 9 bij Regeling Financiële Bepalingen Bodemsanering en Handboek Monitoring Bodemsanering.
Wijze van gegevensverzameling
DatabeheerProvincies en RIVM
OpenbaarheidJa
Nummer: 110
Verzamelde informatieHet gaat om:1. algemene parameters,2. organische verontreinigingen,2. zware metalen,3. nutriënten en4. radioactiviteitIn:A. water en/ofB. zwevend stof en/ofC. sediment en/ofD. biota (mossels en vis).1. Algemene parameters omvatten (m.n.):-zuurstofconcentratie,-saliniteit,-chlorideconcentratie in water,-zwevende stofconcentratie in water,-TOC-vracht (totaal organisch koolstof) in water,-organische-koolstofpercentage in water, in droog zwevende stof en in droog sediment,-lutumpercentage in droog sediment en droog zwevende stof.2. Nutriënten omvatten concentraties in water van (m.n.):-nitraat,-nitriet,-ammonium,-totaal stikstof,-orthofosfaat,-totaal fosfaat,-silicaat.3. Zware metalen omvatten concentraties in zwevende stof, sediment en biota van (m.n.) :-arseen,-cadmium,-chroom,-koper,-kwik,-nikkel,-lood,-zink.4. Organische microverontreinigingIn oppervlaktewater worden o.a. gemeten:-organofosforbestrijdingsmiddelen (OPB's) -monoaromatische koolwaterstoffen (MAK's) -polyaromatische koolwaterstoffen (PAK's) -vluchtig gechloreerde koolwaterstoffen (VCK's)In zwevende stof, sediment en organismen worden gemeten:-PAK's,-polychloorbifenylen (PCB's),-organotinverbindingen,-organochloorbifenylen (OCB's - bestrijdingsmiddelen), -nitrochloorbenzenen (NCB's),-chloorparaffines (CP's),-dioxines.Radioactiviteit omvat de meting in oppervlaktewater en/of droog zwevend stof van:-alpha-activiteit,-rest beta-activiteit,-(beta-)activiteit van specifieke
Wijze van gegevensverzamelingDe monitoring van de zoete en zoute rijkswateren wordt uitgevoerd door de Waterdienst. Deze monitoring maakt samen met de biologische monitoring en fysische monitoring deel uit van het MWTL: de Monitoring Waterstaatkundige Toestand des Lands.
DatabeheerIn de centrale database DONAR (Data Opslag Natte Rijkswaterstaat) van Rijkswaterstaat waarin al haar fysische, chemische, biologische en morfologische gegevens worden opgeslagen.
OpenbaarheidData zijn grotendeels te raadplegen via www.waterbase.nl. Op te vragen bij de Waterdienst.
Nummer: 56
Verzamelde informatie1. Emissies van alle afzonderlijke inrichtingen 2. Emissies naar lucht en water van elke verontreinigende stof waarvoor de drempelwaarde wordt overschreden 3. Een samenvattend verslag met de nationale totalen van alle gerapporteerde emissies voor elk van de broncategorieën met de belangrijkste activiteit
Wijze van gegevensverzamelingInventarisatie op basis van door het bevoegd gezag goedgekeurde Milieujaarverslagen van rapportageplichtige bedrijven
DatabeheerBij bedrijven en InfoMil
Openbaarheide-MJV-helpdesk:Telefoon: 070 – 312 0 360
Nummer: 80
Verzamelde informatieGrondwaterkwaliteit op 10 en 25 meter diepte.De volgende parameters worden gemeten:-pH, temperatuur, redox-potentiaal, geleidbaarheid, O2 en HCO3;-Macrocomponenten NO3, SO4, NH4, K, Na, Mg, Ca, Fe, Mn, totaal-P en DOC;-Anorganische microcomponenten Ba, Sr, Zn, Al, Cd, Ni, Cr, Cu, As en Pb.
Wijze van gegevensverzamelingHet Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit bevat zo'n 400 vaste meetpunten. Afhankelijk van kwetsbaarheid van het grondwater op het meetpunt, is de bemonsteringsfrequentie tussen de 1 en 4 jaar. TNO-NITG voert de monsternames en laboratoriumanalyses uit.
DatabeheerRIVM-MEV-LMV
OpenbaarheidJa, via het online te raadplegen geografisch informatie systeem van het RIVM
Nummer: 42
Verzamelde informatieHoeveelheden en categorieën secundaire brandstoffen (afval) bij energieproductie en energieopbrengst per energiecentrale. Categorieën: bouw- en sloopafval/hout, diermeel, afval uit papierindustrie, overige afvalstromen, mest, zuiveringsslib, afval uit de chemische industrie
Wijze van gegevensverzamelingInformatie uit Milieujaarverslagen (MJV's)
Instanties die gegevens aanleverenTenneT
DatabeheerBij CBS en centrale database SenterNovem - Uitvoering Afvalbeheer
Nummer: 120
Verzamelde informatieHet gaat om de aantallen op en in de bodem levende ongewervelde dieren die met het blote oog zichtbaar zijn. Naast de aantallen per soort wordt bij de zoute wateren ook de biomassa per soort bepaald, en (indien relevant) de schelplengte en levensstadium of leeftijd).De gegevens worden geaggregeerd tot de volgende indicatoren:-voorkomen per soort macrofauna op kunstmatig substraat,-voorkomen per soort macrofauna op steen,-Biomassa draadworm (asvrijdrooggewicht in sediment litoraal),-Biomassa macrofauna (asvrijdrooggewicht in sediment litoraal en idem sublitoraal),-Biomassa schaaldieren (asvrijdrooggewicht in sediment litoraal en idem sublitoraal),-Biomassa stekelhuidigen (asvrijdrooggewicht in sediment litoraal en idem sublitoraal),-Biomassa weekdieren (asvrijdrooggewicht in sediment litoraal en idem sublitoraal),-Biomassa wormen (asvrijdrooggewicht in sediment litoraal en idem subliteraal), -Draadarmige slangster (aantal in sediment sublitoraal),-Kniksprietkreeft (aantal in sediment),-Macrofauna, (aantal taxa op kunstmatig substraat),-Macrofauna, (aantal taxa op steen),-Nonnetje (macoma balthica) (aantal in sediment),-Noordkromp (aantal in sediment),-Rechtsgestreepte platschelp (aantal in sediment sublitoraal),-Spiophanes bombyx (aantal in sediment sublitoraal),-Strandgaper (aantal in sediment litoraal),-Zandzager (aantal in sediment sublitoraal).
Wijze van gegevensverzamelingMacrofauna bemonstert men in het voorjaar en meestal ook het najaar. De voorjaarsmetingen geven informatie over de gevolgen van de winter. In het najaar kan men bepalen hoe effectief de voortplanting is en hoe het staat met het beschikbare voedselaanbod.Zout water:Op de Noordzee worden alleen in het voorjaar 100 locaties, gelijkmatig verspreid over het hele gebied, bemonsterd. Dit meetnet is zo opgezet dat er over een groot gebied conclusies kunnen worden getrokken. In de Delta neemt men op verschillende dieptes in voor- en najaar in totaal ruim 720 monsters; in de Waddenzee 660. Van elk monster bepaalt men voor iedere soort het aantal individuen en de biomassa. Ook worden eventuele andere relevante kenmerken geregistreerd, zoals schelplengte en levensstadium of leeftijd. De leeftijd van enkele soorten (voornamelijk tweekleppige schelpdieren) geeft een indicatie voor het voortplantingssucces en de overleving.Zoet water:In het programma van de zoete wateren gaat het om twee typen bemonsteringen:Jaarlijks bemonstert men op vier locaties macro-invertebraten in de IJssel door het op stenen aanwezige substraat af te borstelen. Op vier locaties in rivieren en op zes locaties in kanalen voert men kunstmatige substraatbemonsteringen uit met knikkerkorfjes. Op vier andere rivierlocaties en in de rijkskanalen bepaalt men bovendien welke aantallen en soorten macro-invertebraten er voorkomen op kunstmatig substraat. In de peiljaren bemonstert men in het najaar de belangrijkste biotopen per watersysteem. Eens per acht jaar inventariseert men vlakdekkend driehoeksmosselpercelen in het IJsselmeer, Markermeer, Hollandsch Diep en het Haringvliet.De informatiestrategie richt zich niet alleen op de macrofauna zelf. Men onderzoekt ook het sediment waarin de macrofauna leeft. De hoeveelheid aanwezige kalk, de deeltjessamenstelling en de hoeveelheid organisch koolstof geven informatie waarmee relaties kunnen worden gelegd tussen de ontwikkeling van macrofauna en de bodem waarin ze voorkomt.
OpenbaarheidGegevens zijn gedeeltelijk te raadplegen via www.waterbase.nl en op te vragen bij de Waterdienst.
Nummer: 55
Verzamelde informatieInformatie over de uitvoering en monitoring van het Convenant Verpakkingen III. O.a. hoeveelheid op de markt gebracht verpakkingsmateriaal (uitgesplitst naar materiaalsoort) en hoeveelheden hergebruikt verpakkingsmateriaal (uitgesplitst naar materiaalsoort), gebaseerd op jaarverslag van bedrijfsleven (SVM-PACT).
Wijze van gegevensverzamelingGegevens zijn gebaseerd op: 1) Verslag van SVM-PACT over de uitvoering van het Convenant Verpakkingen III 2) Monitoringsverslag van Monitoringinstituut Conevnant Verpakkingen (die de monitoring uitvoert voor SVM-PACT) 3) Verslag van staatssecretaris over de uitvoering van het Convenant Verpakkingen III 4) Verslag van VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) over de uitvoering van het Convenant Verpakkingen III
Instanties die gegevens aanleverenSVM-PACTMonitoringinstituut Convenant VerpakkingenVNG
Databeheer? (Ook in centrale database SenterNovem - Uitvoering Afvalbeheer)
Nummer: 10
Verzamelde informatieInformatie over hoeveelheden ozonlaagafbrekende stoffen (productie, import, export, toepassing, recycling en vernietiging).Het gaat om:- CFK’s,- halonen,- tetrachloorkoolstof,- 1,1,1-trichlooorethaan,- HCFK’s,- HBFK’s,- broomchloormethaan en- methylbromide.Informatie over toegestane toepassingen van methylbromide en halonen en geschatte emissies.
Wijze van gegevensverzamelingEen extern bureau (Royal Haskoning) vraagt gegevens op bij bedrijven.
Instanties die gegevens aanleverenBedrijven
DatabeheerSenterNovem
OpenbaarheidGegevens worden niet gepubliceerd.
Nummer: 121
Verzamelde informatieDiverse gegevens over vissen in zoute wateren:- Aantallen (gevangen),- Biomassa naar verschillende grootteklasse,- Paaibiomassa.Het gaat o.a. om de volgende vissen en parameters:
Wijze van gegevensverzamelingMonitoring van de visstand in de zoete rijkswateren gebeurt 'actief' en 'passief'. De passieve monitoring bestaat eruit dat beroepsvissers op 30 locaties hun bijvangsten registeren. Dit levert een goed beeld op van de soortendiversiteit en het vóórkomen van zeldzame(re) soorten.
De actieve vissenmonitoring en het databeheer van deze monitoring wordt tegenwoordig uitgevoerd door RAVON en bureau Natuurbalans.
DatabeheerBij RAVON
OpenbaarheidGegegevens zijn gedeeltelijk te raadplegen via de website www.waterbase.nl van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Verzamelde informatieDiverse gegevens over vissen in zoute wateren:- Aantallen (gevangen),- Biomassa naar verschillende grootteklasse,- Paaibiomassa.
Wijze van gegevensverzamelingVoor een aantal soorten gebruikt men gegevens van de Europese commerciële visserijvloot. Uit marktbemonsteringen op visafslagen en de logboeken van alle individuele vissers wordt een totaalbeeld opgemaakt van de visstand van deze commerciële soorten.
Voor niet-commerciële soorten en juveniele vissen zijn er specifieke monitoringprogramma's, zoals het IBTS (International Bottom Trawl Survey), BTS (Beam Trawl Survey), DFS (Demersal Fish Survey), SNS (Sole Net Survey), IHAS (North Sea International Herrring Acoustic Survey), IHLS (International Herring Larvae Survey) en het Makreel en Horsmakreel Eisurveys. Deze programma's leveren ook informatie over schaal- en schelpdieren.
DatabeheerBij IMARES
Nummer: 122
Verzamelde informatieAantal vogels per soort en per telgebied.
Wijze van gegevensverzamelingRijkswaterstaat kent sinds 1992 een watervogelmeetnet, en sinds 1999 een broedvogelmeetnet dat wordt gecoördineerd door SOVON Vogelonderzoek Nederland. In de zoete rijkswateren en de zoute delta wordt zo veel mogelijk maandelijks geteld. Het gebied is opgesplitst in deelgebieden waarin de aantallen per soort worden geregistreerd. In de getijdenwateren telt men vooral wanneer de vogels zich concentreren op de hoogwatervluchtplaatsen.Afhankelijk van het gebied voert men (een combinatie van) landtellingen, boottellingen en vliegtuigtellingen uit.Binnen Rijkswaterstaat tellen de directies Zuid-Holland en Zeeland en de Waterdienst. Een deel van het werk voert SOVON Vogelonderzoek Nederland uit in opdracht van Rijkswaterstaat en het Ministerie van LNV.In de voordelta, kustzone, Waddenzee en IJsselmeergebied telt men vanuit een vliegtuig. Langs de overige zoete wateren tellen vrijwilligers vanaf land. In de Waddenzee voert men drie integrale tellingen per jaar uit, aangevuld met tellingen om de 14 dagen in steekproefgebieden. Zeevogels op de Noordzee telt men tijdens tweemaandelijkse, vaste vliegroutes over het Nederlands Continentaal Plat (NCP).De tellingen worden door de verschillende instanties geaggregeerd en verwerkt tot rapportages.
Instanties die gegevens aanleverenSOVON
DatabeheerBij SOVON
OpenbaarheidPublicaties van SOVON (op te vragen bij SOVON en de Waterdienst). Gegevens over watervogels in de Delta op www.deltavogelatlas.nl
Nummer: 118
Verzamelde informatieDe monitoring van de vegetatie richt zich in de zoute gebieden op de begroeiing van schorren/kwelders, vaak in zoet-zoutovergangen, en op zeegras. Behalve de kwaliteit is ook het totaaloppervlak van belang.
Wijze van gegevensverzamelingMen bepaalt het begroeide oppervlak en het percentage bedekking door zeegras met behulp van remote sensing én veldwerk. Na een eerste analyse van luchtfoto's zoekt men enkele locaties uit. Het jaar erop bezoekt men deze locaties voor een vlakdekkende analyse. Dit gebeurt op de momenten dat de platen, slikken en schorren droogvallen. Op plaatsen die nooit droogvallen monitort men vanuit een boot. In de zoute meren werkt men alleen met veldverkenning.Zeegras in de zoute meren en getijdenwateren wordt gekarteerd als volgt:-jaarlijks in de Zandkreek in de Oosterschelde en enkele gebieden ten zuiden van Terschelling en langs de Groninger kwelderwerken; -tweejaarlijks in het Veerse meer en de meeste andere gebieden in de Oosterschelde.In de Westerschelde komt zeegras nauwelijks meer voor. Het nog aanwezige zeegras neemt men mee bij de schorrenkartering. In het Grevelingenmeer zijn de karteringen recent gestaakt omdat daar het zeegras geheel is uitgestorven. De vegetatie van de met hogere planten begroeide schorren/kwelders wordt eens in de vijf à zes jaar gekarteerd.Eenmaal per acht jaar maakt men in samenwerking met de Adviesdienst Geo-informatie en ICT (AGI) per watersysteem een gebiedsdekkende ecotopenkaart.
OpenbaarheidDe gegevens zijn gedeeltelijk te raadplegen via www.waterbase.nl en via www.zeegras.nl.
Nummer: 75
Verzamelde informatieGegevens over risicovolle bedrijven en transportroutes. Het gaat om de volgende bedrijven: 1) Risicovolle bedrijven. Dit zijn bedrijven met een plaatsgebonden risico van hoger dan 10-6 buiten het hek. 2) Bedrijven die onder het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 vallen. Formeel zijn dit bedrijven die aangewezen op grond van de Europese Seveso II richtlijn. Deze richtlijn is in Nederland verankerd in het Brzo 1999 3) Lpg-tankstations. Opslagplaatsen met meer dan 10 ton chemicaliën of meer dan 2500 kilo bestrijdingsmiddelen (bestrijdingsmiddelen die onder gevaarlijke stoffen vallen) 4) Ammoniak koelinstallaties. Ammoniak is een giftig gas. Het gaat om ammoniakkoelinstallaties met meer dan 100 kilo ammoniak. Installaties met een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar moeten aan het register worden gemeld als ze meer dan 200 kilo ammoniak bevatten; 5) Spoorwegemplacementen voor het rangeren van treinwagons met gevaarlijke stoffen; 6) Bedrijven die vuurwerk opslaan en samenstellen; 7) Bedrijven (inrichtingen) die onder artikel 15b van de Kernenergiewet vallen (bijvoorbeeld kerncentrales); 8) Civiel gebruik van explosieven (het gaat hierbij om explosieven voor het opblazen van bijvoorbeeld gebouwen en voor bodemonderzoek); 9) AVR-bedrijven. Dit zijn bedrijven die arbeidsveiligheidsrapport (AVR) moeten indienen. AVR’s zijn gestoeld op het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. 10) Opslag van explosieven en munitie van het ministerie van Defensie 11) Propaantanks met een inhoud groter dan 5000 liter 12) Bedrijven die onder de Mijnwet vallen. Onder deze wet vallen bovengrondse installaties voor de winning van olie, gas, mergel en kolen, zoals bijvoorbeeld olieplatforms en mergelgrotten. De volgende gegevens worden in het register opgenomen: 1) De geografische ligging van het bedrijf en de transportroute 2) De bedrijfsnaam, het adres en de kadastrale aanduiding (de gegevens waarmee het perceel in het register van het Kadaster is geregistreerd); 3) De naam waaronder de transportroute bekend is (bijvoorbeeld de A1 of de N245) en de beheerder ervan (bijvoorbeeld gemeenten voor wegen binnen een gemeente en Rijkswaterstaat voor provinciale en rijkswegen); 4) Gegevens over de externe veiligheid, waaronder de ligging van de 10-5 en 10-6 per jaar contour van het plaatsgebonden risico; 5) De grootte van het groepsrisico; 6) Aanduiding van risico’s voor het milieu aan de hand van veiligheidscontouren op de kaart; 7) De aard van het risico (welke gevaarlijke stoffen worden gebruikt); 8) De datum waarop de gegevens in het register het laatst zijn gewijzigd;
Wijze van gegevensverzamelingBevoegd gezag inzake milieuvergunningen (gemeente, provincie of rijk) zijn verplicht risicosituaties te melden. Zie "Informatie die verzameld wordt".
Instanties die gegevens aanleverenBevoegd gezagMinisterie van Economische Zaken
DatabeheerDatabase Risicoregistratie RIVM
OpenbaarheidGedeeltelijk. Een gedeelte van de gegevens zal t.z.t. via internet te raadplegen zijn. Zie ook de risicokaarten van provincies en de risiscoatlassen van het Ministerie van I&M.
Nummer: 124
Rapportagefrequentie5-jaarlijks
Details inhoudSamenvattingen van de actieplannen die de bevoegde autoriteiten hebben uitgewerkt ter beheersing van omgevingslawaai in agglomeraties en plaatsen nabij belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens, indien relevante grenswaarden (of andere door de lidstaten gekozen criteria) zijn overschreden. Zie voor informatie over minimumeisen van de actieplannen bijlage V en VI van de Richtlijn.
Overige informatie
Instantie / afdeling die rapportage opstelt
Publicatie(s) en website(s)Nog geen landelijke rapportage
Zowel de ontwerp-actieplannen als de vastgestelde actieplannen moeten openbaar worden gemaakt / ter inzage worden gelegd.
Op 1 september is de implementatiewet van de INSPIRE-richtlijn in werking getreden. Hiermee is deze Europese richtlijn, die tot doel heeft het harmoniseren en openbaar maken van ruimtelijke gegevens van overheidsorganisaties ten behoeve van het milieubeleid, officieel omgezet in Nederlandse wetgeving.
Decentrale overheden hebben met de wet te maken omdat zij bronhouder zijn van geo-informatie. Deze informatie moet in sommige gevallen volgens bepalingen van INSPIRE-richtlijnen opgeslagen en beschikbaar worden gesteld.
Nummer: 247
RapportagefrequentieJaarlijks
Details inhoudInformatie over de voortgang van het Corine-Land-Cover-2000-project (CLC2000).
Vooral informatie over het thema "landschap"
Overige informatieRapportageverplichting is niet concreet in wetgeving opgenomen.
Instantie / afdeling die rapportage opsteltAlterra
Publicatie(s) en website(s)
Nummer: 291
Rapportagefrequentie3-Jaarlijks
Details inhoudTE MONITOREN:De waterkwaliteit van wateren die zijn aangewezen als wateren voor zalm- en karperachtigen. De meetfrequentie per stof staat in Bijlage I van de richtlijn. De volgende parameters dienen in principe te worden gemeten, tenzij er geen enkele verontreiniging is:-temperatuur,-opgeloste zuurstof,-pH,-gesuspendeerde stoffen,-DBO/BZV (biologisch zuurstofverbruik),-totaal fosfaat,-nitrieten,-fenolverbindingen,-koolwaterstoffen op oliebasis,-niet-geïoniseerde ammoniak,-totaal ammonium,-totaal residueel chloor (HOCl),-totaal zink,-opgelost koper.TE RAPPORTEREN:-totaal aantal water voor zalmachtigen en aantal wateren voor karperachtigen,-totale lengte van de aangewezen wateren voor z.a. en k.a.,-totale oppervlakte van de wateren voor z.a. en k.a.,-aantal wateren die voldoen,-totale lengte van de waterlopen die voldoen,-totale oppervlakte van de meren die voldoen,-informatie over grenswaarden,-grenswaarden,Informatie over elk aangewezen water:-regio,-naam van de waterloop,-naam van het meer,-omvang van het water (bijv. in de vorm van een kaart),-oppervlakte,-watertype,-datum van de aanwijzing.Informatie over de naleving van de richtlijn per aangewezen water:-naleving ja/nee,-bewaakte parameters,-gereduceerde bemonsteringsfrequentie,-I-waarde niet overschreden,-naleving van G-waarden,-afwijkingen toegestaan,-bijkomende parameters,-bewaakte parameters,-gereduceerde bemonsteringsfrequentie,-I-waarde niet overschreden,-naleving van G-waarden,-afwijkingen toegestaan,-oorzaken van niet-naleving,-reden van de afwijkingen,-voorziene maatregelen die zijn opgenomen in de saneringsprogramma's.
Overige informatieDe richtlijn voor de bescherming van de kwaliteit van zoet water voor het leven van vissen heeft bij de inwerkingtreding geleid tot het aanwijzen van wateren voor zalm- en karperachtigen. In het verleden zijn deze wateren aangewezen in de beheersplannen voor de Rijkswateren en provinciale waterhuishoudingsplannen. In het huidige Beheersplan Rijkswateren 2001-2004 zijn alle zoete rijkswateren opgenomen als water voor karperachtigen en alleen de Grensmaas als water voor zalmachtigen In de meest recente provinciale waterhuishoudingsplannen komt deze aanwijzing niet meer voor. De huidige MTR-normen zijn namelijk strenger dan de waterkwaliteitsnormen behorend bij de wateren voor zalm- en karperachtigen. Door de strengere huidige norm en de strengere KRW basiskwaliteitsnormen zijn de wateren voor zalm- en karperachtigen niet opgenomen in het Register Beschermde Gebieden KRW Nederland.
Instantie / afdeling die rapportage opsteltWaterdienst
Nummer: 224
Rapportagefrequentie6-Jaarlijks
Details inhoudTE MONITOREN:Er is in de Convention geen bepaling opgenomen over monitoring. Wel moet er gerapporteerd worden over het beheer van de werelderfgoederen.TE RAPPORTEREN:Informatie over de implementatie van de Werelderfgoed Conventie (Sectie I) en informatie over het beheer van de specifieke werelderfgoederen zelf (Sectie II).Op basis van de vragenlijsten:Section I: Information on the application of the World Heritage Convention:1. Information on state-party;2. Information on identification of cultural and natural heritage properties;3. Information on preparation of the Tentative List;4. Information on nomination of cultural and natural heritage properties;5. Information on protection, conservation and presentation of the cultural and natural heritage;6. Information on status of services;7. Information on scientific, technical studies and research;8. Information on financial resources;9. Information on training;10. Information on international co-operation;11. Information on information, awareness building and education; 12. Conclusions and recommended action.Section II1. Informatin on state-party;2. Information on justification for inscription (statement of significance);3. Information on boundary and buffer zone;4. Information on authenticity and integrity of the site;5. Information on management;6. Information on protection;7. Information on management plans;8. Information on financial resources;9. Information on staffing levels (human resources);10. Information on sources of expertise and training in conservation and management techniques;11. Informaion on visitors;12. Information on scientific studies;13. Information on education, information and awareness building;14. Information on factors affecting the property (state of conservation);15. Information on monitoring;16. Conclusions;17. Information on potential decisions for the World Heritage Committee;18. Information on the assessment of the periodic reporting exercise.
Overige informatieEr is discussie over of de Waddenzee moet worden voorgedragen als Werelderfgoed.De periodieke rapportage over de implementatie van de Werelderfgoed Conventie kent vier doelen:1) het leveren van inzicht in de implementatie van de Werelderfgoed Conventie door de lid-staat;2) het leveren van inzicht in hoeverre de Werelderfgoed-waarden van de werelderfgoederen op de Werelderfgoedlijst worden gehandhaafd gedurende de tijd;3) het leveren van actuele informatie over de Werelderfgoederen om de veranderende omstandigheden en de staat van bescherming van werelderfgoederen vast te stellen;4) het leveren van een vorm van regionale samenwerking en uitwisseling van informatie en ervaringen tussen Lidstaten inzake de implementatie van de Conventie en de bescherming van Werelderfgoed.
n.b.: deze informatie heeft vooral betrekking op de thema's "cultuurhistorische waarden", "landschap" en "aardkundige waarden".
Instantie / afdeling die rapportage opsteltRijksdienst voor de Monumentenzorg
Nummer: 283
Rapportagefrequentie?
Details inhoudTE MONITOREN en TE RAPPORTEREN:De waterkwaliteit op 4 plaatsen in de Maas: bij Eijsden, Belfeld, Keizersveer en de Haringvlietsluizen.Parameters:Algemene parameters:-Debiet,-Watertemperatuur,-Opgeloste zuurstof,-Zuurstofverzadiging,-Zuurtegraad,-Electrisch geleidingsvermogen bij 20°C,-Zwevende stof,-Chlorofyl-aOrganische stoffen:-Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5),-Chemisch zuurstofverbruik (CZV),-Totaal organische koolstof,-Opgeloste organische koolstofVermestende stoffen:-Totaal fosfor,-Orthofosfaat,-Totaal stikstof,-Kjeldahl stikstof,-Ammonium,-Ammoniak,-Nitriet,-Nitraat,-Anorganische stoffen,-Chloride,-Sulfaat,-Fluoride,-CyanideZware metalen en metalloïden:-Kwik,-Nikkel,-Zink,-Koper,-Chroom,-Lood,-Cadmium,-Arseen,-Boor,-Seleen,-BariumOrganische microverontreinigingen:-Fenol-index,-Anionactieve detergenten (MBAS),Bestrijdingsmiddelen:-Lindaan,-Simazine,-Atrazine,-Desethylatrazine,-Diuron,-Isoproturon,-Endosulfan α,Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK):-Fluorantheen,-Benzo(b)fluorantheen,-Benzo(k)fluorantheen,-Benzo(a)pyreen,-Benzo(ghi)peryleen,-Indeno(1,2,3-cd)pyreen,-Fenantreen,-Anthraceen,-Pyreen,-Benzo-a-anthraceen,-Chryseen,-Dibenzo(h)anthraceen,Monocyclische aromatische koolwaterstoffen:-Tolueen,-Benzeen,-Xyleen,-AOXMicrobiologische kwaliteit:-Totale colibacteriën,-Fecale colibacteriën,-Fecale streptokokken.
Overige informatieHet Homogeen Meetnet Maas bestaat in totaal uit 14 meetlocaties, waarvan 4 in Nederland.
Instantie / afdeling die rapportage opsteltRijkswaterstaat
Resultaten van het homogeen meetnet op: www.cipm-icbm.be> publicaties
Invoerportaal flora en fauna
Trilateraal Monitoring en Assessment Programma
Monitoringportaal stopt
WaddenZee.nl
Verspreidingsatlassen evertebraten
Centrum voor Milieu Monitoring
Monitoring geringde ganzen
CESAR Observatory